Dialoog: ja en nee

Achter de lelijke afkorting CCHRC gaat een onderzoeksinstituut aan de Vrije Universiteit in Amsterdam schuil. Géén van de vele C’s staat voor ‘Chinees’. Het zou echter eerlijk zijn geweest, als het zogenaamde Cross Cultural Human Rights Centre de voornaamste sponsor en broodheer zou hebben genoemd in zijn naam. Maar goed, de klokkenluiders en de vooralsnog vrije pers hebben onlangs met succes*) de vinger gelegd op de zoveelste poging van de Volksrepubliek China, om via instituten en bedrijven invloed te krijgen in het Westen. Ik wil hier verder niet ingaan om deze abjecte strategie van China en de naïviteit van de VU, resp. het genoemde onderzoeksinstituut.  Het gaat mij hier en nu om iets anders. Wat mij sinds de berichten vooral bezig heeft gehouden, is dat in de verdediging van het Instituut met de Vele C’s een paar keer het woord ‘dialoog’ viel. Dit maakte me alert.

Van huis uit ben ik een vredelevend mens en gesteld op ‘verbinding’. Misschien ben ikzelf niet altijd tactisch, maar ik bemiddel uiteindelijk graag en zoek ook graag het compromis en, waar dat nodig is, de verzoening. Ik vermijd, als het even kan, polarisatie en escalatie, omdat zij oplossingen van echte problemen vaak in de weg staan en omdat zij conflicten verdiepen en bestendigen. Positief uitgedrukt: ik probeer bij meningsverschillen en belangentegenstellingen zo lang mogelijk de dialoog aan te gaan, te onderhouden en te bevorderen.

In mijn theologische, kerkelijke werk betekent dit bijvoorbeeld, dat ik wars ben van dogmatisme en meestal mijn kaarten zet op de oecumene binnen het christendom en in het religieuze veelstromenland. Ook als personeelsadviseur, een beroep waarin ik soms te maken heb met krakende voegen in organisaties, heb ik een gereedschapskist, waarin het Goede Gesprek bovenaan ligt. Politiek en maatschappelijk sta ik links van het midden en houd ik me verre van alles wat de tegenstellingen op scherp zet. En ten slotte: zerotolerance dient voor mij een laatste middel te zijn en verboden en plichten dienen pas te worden ingezet, als andere vormen van gedragsbeïnvloeding niet meer werken en als er echt schade dreigt te ontstaan. Dialoog is overal de eerste en voor de hand liggende strategie.

Ik heb door schade en schande echter ook geleerd om kritisch te onderscheiden. Het woord dialoog wordt vaak onkritisch, naïef of misschien zelfs moedwillig verhullend gebruikt. Juist op die momenten zouden we oplettend moeten zijn. Ja, dialoog is een middel om het gesprek te starten gaande te houden, zolang en onder voorwaarde dat dit gesprek nog open is en als we aan waarheidsvinding doen. Ja, dialoog is een middel om het samenleven te bevorderen, zolang het waardige leven van individuen niet op het spel staat. Ja, dialoog is de favoriete methode van gesprek, als ze is ingebed in de bereidheid tot rationaliteit.

Dialoog kan echter niet het laatste woord zijn, als onze gesprekspartners mensenrechten labelen als een culturele malligheid van ‘Het Westen’, zoals de bekende Volksdictaturen het zo graag framen. Dialoog is een vorm van beleefdheid en een gespreksopener, maar kan nooit het bepalende kader zijn in gesprekken met mensen, die aperte onjuistheden en onzinnigheden op het gebied van volksgezondheid verkondigen. Dialoog is niet de opperste spelregel in het gesprek met diegenen, die zich bewust niet door experts laten informeren, die zich onterecht kennis aanmatigen en die mij willen verleiden tot een gesprek over iets, waarvan zij noch ik kaas hebben gegeten, zoals virologie.

Dialoog mag, ja moet vaak plaats maken voor een argumentatief gesprek, voor discussie en debat, met als inzet het vinden van de waarheid. En er mogen misschien geen ultieme waarheden bestaan in dit ondermaanse: wie voor zichzelf de weg naar de waarheid resoluut afsluit, is niet serieus te nemen als gesprekspartner. Het is dan haar of zijn eigen keuze, om zichzelf uit te sluiten van het gesprek.

*) Dankzij de publiciteitsgolf is deze financiële navelstreng vooralsnog doorgesneden.

“Je m’accuse.” De progressieve zelfkastijding

“We moeten meer luisteren naar de anderen. We moet meer begrip hebben. We moeten inzien dat wij makkelijk praten hebben. We moeten geduld hebben. We moeten niet polariseren. We moeten niet uitsluiten. We moeten mensen de tijd geven. We moeten niet zo neerkijken op anderen. We moeten mensen niet over één kam scheren. We moeten niet denken dat wij betere mensen zijn. Wij moeten ermee ophouden alles beter te willen weten. We moeten inzien, dat onze mening ook maar een mening is. We moeten de dialoog aangaan.”

***

Progressief geaarde mensen hebben een moraliserende neiging en een moralistisch karakter. Dat wordt hun geregeld verweten. Dit is op zich niet opzienbarend. Het ligt in het aard van een progressief mens, zichzelf sterk te oriënteren aan waarden en normen en anderen daaraan te meten. Dat is bij conservatieve zielen ook enigszins het geval, maar deze zijn veel minder monomaan. Het maakt progressieven al met al niet populair.

Libertairen, hedonisten, bewust ongeïnformeerden, fundamentalisten en identiteitsgedrevenen: die hebben hiervan geen last. En naarmate deze groepen de maatschappelijke en politieke discussies domineren – niet zozeer doordat ze in de meerderheid zijn (dat zijn ze niet), maar doordat ze erg luid en mediageniek zijn – komen die saaie, betweterige progressieven in het nauw – samen met conservatieven, maar in veel sterkere mate.

Progressieven zijn geen gezellige (in de zin van natuurlijk-sociale) mensen. Hun moralisme is – anders dan het genuanceerde moralisme van de conservatief – mateloos en werkt anderen op de zenuwen. Ze zijn op ongepaste momenten bloedserieus en maken eventueel van alles een punt. Ze grijpen op bestraffende wijze in tijdens gesprekken, niet zozeer omdat ze het inhoudelijk ergens niet mee eens zijn, maar vooral omdat ze zich storen aan vormfouten, bijvoorbeeld aan een incorrecte formulering of een valse toonzetting. Ze zijn dan plaatsvervangend gekwetst voor degenen die ze ongevraagd menen te moeten vertegenwoordigen en ze brengen de gesprekspartners in het openbaar de etiketten bij.

Het tragische van progressieve, zichzelf weldenkend achtende mensen is, dat ze zichzelf voor de voeten lopen. Dit heeft te maken met het ongeremde, ja ontremde van hun moralisme.  De progressieve moralist wil immers ‘consequent’ zijn. En dat ‘consequent willen zijn’ ontwikkelt een irrationele paradoxale, zelfdestructieve dynamiek.  Het progressieve moralisme houdt zichzelf niet in de hand. Het brengt niet alleen schade toe aan relaties, maar het keert zich ook tegen de progressieve moralist of de moraliserende progressief zelf. In haar of zijn hypercorrectheid legt zij of hij een knoop in haar op zijn eigen tong en slikt hij of zij zoveel ‘foute’ woorden in, dat zij of hij bijna erin stikt.

Het summum van dit ontsporende moralisme en deze progressieve zelf-afbraak is de verlammende zelfkritiek. De progressief is dan het mikpunt van zijn of haar eigen moralisme. En dan slaat dit moralisme op een paradoxale manier om: de progressief legt zichzelf het zwijgen op, juist en bij uitstek in discussies met mensen die lijnrecht tegenover haar of hem staan. De progressief vervalt in een zelfbeschuldiging en zelfkastijding, waarbij elke stalinistische rechter zijn vingers zou hebben afgelikt. Obsessief en mantra-achtig klinken de hierboven geciteerde zinnen.

Met zulk een overspannen geweten, heeft de progressief geen tegenstanders meer nodig. Zo graaft hij of zij het eigen maatschappelijke graf. Dit mechanisme is structureel ingebakken in het progressieve moralisme, waarin de formele deugd van de consequentheid een meta-waarde is. Kunnen progressieven van anderen, bijvoorbeeld van conservatieven, leren om wat minder consequent te zijn? Het zou de eigenlijke, inhoudelijke waarden, waarvoor ze staan, ten goede komen.

Of maakt deze meta-zelfkritiek het alleen maar erger?

Begrip werkt niet (meer).

In mijn woonland woedt een heftig debat over de invoering van een corona-vaccinatieplicht. Voor een deel is dit een discussie voor fijnproevers, over de juridische, wijsgerige, wetenschappelijke, levensbeschouwelijke en ethische aspecten van de thematiek. In feite is ze vooral een zoveelste fase in een debat over de fundamentele vraag, wat we als samenleving van elkaar mogen vragen. Het gaat om niet meer en niet minder dan om de vraag, of we van elkaar mogen verwachten om rekening te houden met elkaar en om niet te spelen met vuur.

De tegenstanders van een directe of indirecte vaccinatieplicht* zijn veelkleurig. Dominant zijn uiteraard de tegenstanders van vaccinatie als zodanig. Er zijn echter ook anderen, die de redelijk zelve zijn en die zichzelf bijvoorbeeld laten vaccineren, maar die vooral bezorgd zijn over de effecten van het huidige beleid, de aangekondigde vaccinatieplicht incluis. Genoemd worden dan discriminatie of tweedeling en polarisatie of tweedracht. Zelf sta ik nog open in de discussie. Hier wil ik echter stilstaan bij de genoemde argumentatie vanuit de gevolgen.

Discriminatie of tweedeling

Er dreigen inderdaad mensen te worden gediscrimineerd. Ik denk dan aan degenen die niet worden bereikt door de campagnes en de voorlichting, aan de mensen die door armoede andere zorgen aan hun hoofd hebben, aan de mensen die door aanleg of omstandigheden leven van dag tot dag en van de hand in de tand, aan de mensen voor wie daardoor het maken en plannen van een prikafspraak een heidens karwei is. Deze groep verdient inderdaad alle aandacht en mag niet van de regen in de drup worden gebracht. Dat bij de inrichting en de uitvoering van het coronabeleid meer specifieke aandacht nodig is voor deze groep: dat staat als een paal boven water. (Overigens staat deze groep al lang in de kou. Cynisch genoeg wordt ze blijkbaar nu pas ontdekt.)

Het probleem ontstaat voor mij, als er ongespecificeerd wordt gesproken over ‘discriminatie’ en als er een slachtofferrol wordt toegekend aan diegenen, die bewust en moedwillig excentrieke en irrationele standpunten eropna houden en die deze denkbeelden moedwillig en op provocerende aard omzetten in daden. Bij deze groep is er geen sprake van discriminatie, maar gewoon van het automatisme van de gevolgen van eigen handelen. Spreken over een generieke discriminatie is een gotspe. En het helpt de discussie niet verder.

Polarisatie of tweedracht (‘Spaltung’)

Inderdaad bestaat er polarisatie rond het onderwerp corona. Die wordt echter niet veroorzaakt door het coronabeleid van welke regering ook. Ze is er allang. Het is de polarisatie die is ontstaan door onredelijke extreme standpunten van ‘dwarsdenkers’, standpunten die helaas soms ontactische en ongenuanceerde reacties van ‘weldenkenden’ oproepen. Ze is echter geen gevolg van het beleid. Nieuwe fases in het beleid, zoals een eventuele invoering van een vaccinatieplicht, kunnen deze polarisatie wellicht versterken. Dat komt dan echter eerder, doordat de tegenstanders van het beleid elke nieuwe fase als koren op hun molen zien. Ook de verwijzing naar de polarisatie is dus geen vruchtbare bijdrage aan de discussie.

Overigens ben ik inmiddels immuun geworden voor oproepen tot meer begrip, ‘serieus nemen’ en ‘dialoog’  Op zich ben ik een fan van de-escalatie en de-polarisatie. Het dringt echter steeds meer tot me door, dat deze strategie niet (meer) werkt. Bij de bestrijding van extremisme van welke soort ook, is zij in de afgelopen jaren een doodlopende weg gebleken. Begrip leidt er vrijwel nooit toe, dat de polarisatie afneemt, dat agressie wordt getemperd of dat extremisme wordt gematigd. In de meeste gevallen zien de extremisten begrip als een beloning – en dus als aanmoediging – om nog een tandje bij te zetten. Luisterende oren en zachte handen hebben zelfs geleid tot radicalisering en bereidheid tot geweld – op dit moment concreet tot aanslagen op politici.

In het publieke straatgevecht rond het coronabeleid is het zinloos – of in elk geval te laat – om door begrip de gemoederen tot bedaren te brengen. Het enige dat werkt is een rechtstaat die haar grenzen aangeeft en daarbinnen een open en rationele discussie op basis van informatie en argumenten, een discussie die respectvol, geweldloos  en beleefd wordt gevoerd – maar zonder begrip voor datgene, wat in zichzelf niet vatbaar is voor begrip, omdat het moedwillig onredelijk is.

* Onder indirecte plicht of dwang versta ik hier de uitsluiting van ongevaccineerden van bepaalde delen van de collectieve of zelfs publieke ruimte.

De achterkamertjes van Mozes

Preek, gehouden op 17 oktober 2021 in de remonstrantse kerk in eindhoven

Lezing: Exodus 31, 18 – 33,12

Leeswaarschuwing: deze tekst omvat 2000 woorden.

Nu de pandemie enigszins begint te luwen en beheersbaar lijkt, houden de geleerden zich bezig met nieuwe vraagstukken rond COVID19. Eén van die nieuwe onderwerpen is het verschijnsel ‘long covid’. Hiermee zijn de gevolgen bedoeld, die een infectie op lange termijn heeft, bijvoorbeeld in de vorm van chronische symptomen en beperkingen.

Ziektes zijn altijd geschikte metaforen. En zo rijst de vraag, of er misschien ook wel een collectieve vorm van ‘long covid’, in overdrachtelijke zin, bestaat. Nu de acute fase voorbij lijkt en we weer voorzichtig terugkeren tot de normaliteit, is er dan misschien iets onomkeerbaar veranderd in de samenleving? Er zijn misschien al enkele voorboden van wat ons te wachten staat. Zo kunnen we wel zeggen, dat de polarisatie in de samenleving – een polarisatie die er de laatste jaren al was – de laatste achttien maanden in hevigheid is toegenomen en scherper is geworden. Het wantrouwen in instituties, bestuurders en wetenschap heeft zich verbreed, verdiept en uit zich steeds agressiever. En de reactie hierop van zogenaamd weldenkende mensen is ook niet altijd tactisch en handig. Gaat deze polarisatie een vast bestanddeel worden van ons samenleven, postcorona?

Zoals gezegd: helemaal nieuw is dit fenomeen niet. Meer dan ooit wordt er de laatste jaren met argusogen gekeken naar onze bestuurders. Wat voeren ze in hun schild? En hebben ze het wel goed met ons voor? Er wordt geroepen om meer openbaarheid en zogenaamde transparantie. De kaarten moeten op tafel. Er wordt niet voetstoots aangenomen, dat het alleen maar integriteit is, wat de klok slaat. Dit hele verschijnsel is nogal dubbelzinnig.

Aan de ene kant hebben achterdocht en weetgierigheid een rationele, gezonde kant. Wantrouwen en nieuwsgierigheid zijn uitingen van betrokkenheid bij de politiek en de samenleving. Gezond wantrouwen voorkomt dat men onverschillig en ongeïnteresseerd is. En gezonde nieuwsgierigheid dwingt bestuurders dwingt tot rekenschap en verantwoording. En zijn er niet voldoende redenen te noemen voor gezonde achterdocht en voor de roep om transparantie? Ik noem enkele trefwoorden: de toeslagenaffaire; de manier waarop de wereld twintig jaar geleden, na de aanslagen in New York, betrokken werd bij oorlogen in het Midden-Oosten – met als uiteindelijk resultaat nog meer terrorisme en de terugkeer van de Taliban in Afghanistan; een potsierlijk, tenenkrommend en inmiddels levensgevaarlijk formatieproces in de Nederlandse politiek; financieel gerommel in de uitvoering van het Coronabeleid. Is er niet alle reden, om ook de politiek, op alle niveaus, bij alle vertrouwen waarvan de democratie leeft, tegelijk goed in de gaten te houden? Is er geen tijd voor een ‘nieuw sociaal contract’, zoals sommigen dat noemen?

Aan de andere kant is de argus-blik niet altijd rationeel en heilzaam. Vaak komt deze ook voort uit gevoelens, zoals wanhoop of frustratie. We hebben immers allemaal min of meer behoefte aan perspectief, zekerheid en houvast. Een perspectief, een zekerheid en een houvast, die de politiek en het bestuur niet bieden, althans niet voldoende bieden naar onze smaak. En dat kan ons wel eens razend maken. Dit heeft echter een tragische kant. Als bestuurders geen boter bij de vis geven, is dat niet altijd een kwestie van onwil of incompetentie. Het heeft ook ermee te maken, dat politiek en bestuur nu eenmaal niet alles kunnen. Ik herinner me nog goed de woorden van Pim Fortuyn, nota bene de Nederlandse populist van het eerste uur, die in zin verkiezingscampagne zei: “Ik kan niet al uw problemen oplossen!” De politiek kan niet alles weten. Ze kan evenmin alles doen. Ze heeft geen kristallen bol en geen toverstaf. Ze moet ook nee verkopen. Ze moet ook toegeven, dat haar plannen maar een beperkte houdbaarheid hebben en een hoog improviserend gehalte hebben.

Politiek kan dus niet alles bieden – maar daarbij blijft het niet. Het is nog erger: ze moet, als ze eerlijk is,  ook wat vragen van ons burgers. Ze  mag en moet van ons wat vergen. Ze mag en moet eisen aan ons stellen. (In het Duits heet dat zo mooi: ze kan ons iets ‘zumuten’.) Ze kan offers van ons vragen: een soberder consumptiepatroon bijvoorbeeld, omwille van het klimaat; hogere belastingen, om infrastructuur te moderniseren; tijdelijke beperkingen van onze bewegingsvrijheid, in het kader van pandemie-bestrijding – of in het afweren van andere gevaren. Uiteraard staat de politiek daarbij ook voor dilemma’s en afwegingen. Maar in elk geval is de politiek ook een vragende partij en niet alleen de aanbieder van oplossingen – een rol die zowel middenpartijen als populisten jarenlang maar al te graag hebben opgenomen.

En dit alles frustreert niet alleen de burger, die het gevoel heeft dat haar of hem stenen voor brood worden gegeven. Dit frustreert ook de politiek, die niet kan omgaan met de grenzen van de macht, met haar machteloosheid. Het verklaart wellicht de onwil van politici, om echte verantwoordelijkheid te nemen, zoals in Nederland op dit moment – en in Duitsland moeten we nog afwachten wat er gebeurt. Het verklaar wellicht ook, waarom er zo weinig jonge, getalenteerde mensen kiezen voor een politieke loopbaan.

Uit deze frustratie, uit deze machteloosheid ontstaat een merkwaardige reflex. Als de complexe en weerbarstige werkelijkheid de machtigen beperkt in hun zicht en in hun speelruimte… als onze vragen niet kunnen worden beantwoord en onze behoeften niet kunnen worden vervuld… als dat allemaal zo is: dan scheppen we toch gewoon een andere werkelijkheid? Zowel burgers als bestuurders lijken in deze val te trappen. We sluiten onze ogen voor de realiteit of denken haar weg. Corona bestaat niet of valt wel mee. Of we reduceren of retoucheren de complexiteit van de werkelijkheid, door zondebokken aan te wijzen of door onszelf makkelijke oplossingen voor te spiegelen. Als de feiten vervelend  zijn en moeilijk doen, dan kijken we toch de andere kant op of scheppen we desnoods toch nieuwe, alternatieve feiten? Daaraan doet de traditionele politiek helaas evengoed mee, als de burger. En zo houden we elkaar voor de gek.

***

Dit hoef je Mozes niet allemaal te vertellen. Het bekende verhaal van het gouden kalf is een klassiek verhaal over deze problematiek.

Met de moed der wanhoop en vage vooruitzichten is het volk, onder zijn leiding en bij nacht en ontij, weggevlucht uit een land, waarin het met de rug tegen de muur stond. (Het herinnert sterk aan de vertwijfelde menigte op het vliegveld van Kaboel enkele weken geleden.) De vlucht gebeurde nogal ongestructureerd. Het enige plan was de vlucht naar voren. En nu is het project in een nieuwe fase terecht gekomen. Hoe nu verder? Met een understatement kan nog worden gezegd, dat Mozes’ planning een kwestie is van ‘work in progress’. De route zowel als het doel worden onderweg uitgewerkt en geconcretiseerd. (Ook dit is heel herkenbaar, als we terugdenken aan de persconferenties op dinsdagavond in de afgelopen anderhalf jaar.) Dit is accuraat, moeizaam en tijdrovend werk, een kwestie van passen en meten, wikken en wegen, experimenteren en improviseren. Mozes trekt zich daarom, samen met intimi, af en toe terug in achterkamertjes, als het ware met een bordje ‘niet storen’ op de deur. Daar gaat hij in beraad met degene, die uiteindelijk het vage plan heeft geopperd, de Levende God.

Mozes heeft soms wel erg lang nodig voor zijn denkwerk en laat zich dan ook niet zien. Dit frustreert zijn achterban steeds meer en werkt zijn volksgenoten op den duur op hun zenuwen. De roep om transparantie wordt steeds luider. ‘Wat voert Mozes in zijn schild?’ En niet alleen de achterdocht en de wanhoop groeit. De perverse creativiteit in het scheppen van alternatieve feiten evenzeer. ‘Als er al geen God bestaat, die echt uitzocht en houvast biedt, die antwoorden geeft op onze vragen en oplossingen heeft voor al onze problemen, dan maken we die toch?’

En vanuit dit motto zet het volk, het wachten moe, Aaron onder druk. Deze kan, met het mes op de keel, niet anders kan dan meedoen met de tenenkrommende schijnvertoning, niet anders kan dan een tandeloze god ten tonele voeren, die een gemakkelijke, irreële weg naar geluk voorspiegelt.

Als Mozes eindelijk van de berg afkomt, is het onheil al geschied. Het eigenlijke probleem is echter niet, dat hij te laat is. Het eigenlijke probleem is, dat hij gewoon echt niet heeft, wat het volk al die tijd verwachtte: antwoorden en oplossingen. In de plaats van recepten en formules zijn de in steen gehouwen tien woorden immers… eisen, vorderingen, beproevingen. Dit kan door het volk alleen maar worden opgevat als een provocatie. Letterlijk en figuurlijk heeft Mozes voor zijn volk stenen voor brood in de aanbieding. En Mozes zelf – in frustratie en woede jegens zichzelf, zijn volk en God – Mozes zelf smijt de twee stenen tafelen aan diggelen, de twee documenten waaraan zo lang is gewerkt, waarop zo lang is gewacht. (Het is vergelijkbaar met de frustratie, de woede van zoveel bestuurders: over hun eigen onmacht en machteloosheid en over het gebrek aan erkenning van hun moeizame werk van passen en meten, wikken en weken.)

***

Het verhaal  van het ‘gouden kalf’ is natuurlijk meer dan een metafoor of een parabel voor politiek. Ze gaat ook over religie en geloof. Ook op dit gebied zijn vaak het nodige ongeduld en de nodige frustratie te bespeuren. Voelen we ons, in onze hunkering naar troost en roze wolken, niet al te vaak afgescheept met de boodschap van theologen en predikanten, dat het geloof meer vragen oproept dan beantwoordt? Dat God altijd een raadsel, een geheim zal blijven, de door afwezigheid schitterende luis in de pels van de geschiedenis?

Smijten we dat ontoegankelijke, warrige boek van de bijbel niet maar al te vaak woedend in de hoek? Woedend omdat het geen antwoorden geeft, maar ons, als we het oprecht lezen, telkens weer uitdaagt om alles op een andere manier te bekijken? Woedend omdat de bijbel eigenlijk geen troost biedt, maar ons moreel onder druk zet en ondervraagt? Woedend omdat dit boek ons niet alwetend maakt, maar ons zijn eigen vragen stelt, op de eerste plaats de vraag: “Waar is je broeder? Waar is je zuster?” Zoeken we daarom onze toevlucht niet liever in theorieën en praktijken, waarin ons denkwerk, tegenstrijdigheden en raadsels worden bespaard en die een weg plaveien naar mooie spirituele ervaringen?

Ik kan op deze plek, op persoonlijke theologische titel, alleen maar zeggen dat we het er blijkbaar maar mee moeten doen. Dat we het maar moeten doen met raadsels. Natuurlijk: deze uitspraak komt soms ook voort uit gemakzucht of uit een intellectueel snobisme, omdat het zo chic is om aan alles te twijfelen. Het is echter uiteindelijk gewoon heel reëel en realistisch, om toe te geven dat we hooguit op zeer indirecte wijze iets kunnen zeggen over het goddelijke geheim. Dat is geen reden om de zoektocht daarnaar op te geven, maar we moeten niet verbaasd en gefrustreerd opkijken, als die zoektocht ons teleurstelt, als ze niet wordt beloond met een pleister op al onze wonden, als het resultaat voorlopig niet meer is dan een onrustig geweten.

Ons geloof belooft ons in eerste instantie niet, dat de sluiers worden weggehaald voor het mysterie van het goddelijke. We krijgen geen doorkijkjes of inkijkjes. Wie gelooft krijgt niets te zien, tenzij uiterst indirect, in de vorm van sporen en spiegelbeelden. We kijken God niet in de ogen, maar voelen zijn blik in onze richting priemen in de ogen van de noodlijdende medemens.

Natuurlijk. Er is die andere belofte. Die belofte in tweede instantie, dat we ooit, ergens, aan gene zijde van de horizon van de geschiedenis, zullen ‘zien van aangezicht tot aangezicht’, zoals Paulus het zegt in zijn eerste brief aan de gemeente van Korinthe. Er is inderdaad die belofte. Maar meer ook niet. We kunnen die belofte niet verzilveren voor zijn tijd. En tot die tijd moeten we het hebben van geloof, hoop en vooral liefde, zoals Paulus het zegt. Om het te zeggen in de taal van Exodus: tot die tijd hebben we niet meer, maar ook niet minder, dan die twee stenen tafelen. Meer zit er voorlopig niet in.

Amen

Op het tweede gezicht – over de onnodige polarisatie rond identiteitspolitiek

Wat zie ik als ik in de spiegel kijk? Ik zie mezelf, een unieke mens, wiens gelaatstrekken boekdelen spreken. Ik zie het geciseleerde landschap van huidplooien: de rimpelingen op het vlak van een stil water met diepe gronden. Signalen van onuitgesproken zielenroerselen. Ik zie het ondeelbare en niet uitwisselbare individu dat ik ben. Ik zie een gelaat dat zijn DNA en zijn ik-besef van de daken schreeuwt. Dat bovendien in alle vrijheid smoelen kan trekken en met zijn elastische lippen woorden kan vormen, waarbij ik straks de daden zal voegen. Ik ben ik. Ik ben vrij.

Op het tweede gezicht zie ik verontrustend genoeg ook de grote gemene deler. Zo word ik op mijn nummer gezet en wordt mijn ik van zijn troon gestoten. Ik zie de viervoeter. Ik zie de man. Ik zie de witte man, de Nederlander, wiens vader zeventig jaar geleden zijn dienstplicht moest vervullen in een vuile oorlog in het verre oosten. Ik zie de consument die op krediet leeft bij de planeet en bij medemensen aan de andere kant daarvan. Ik zie de katholieke theoloog en de spreker van een Germaans deltadialect, die niet anders kan dan denken in dat rare taaltje en wiens gedachten door dat taaltje zijn gestanst. Hoezo individu? Hoezo vrijheid?

Ik ben ik. Ik ben lid. Het is misschien wel allebei waar. Ik ben een onverwisselbare eenling met zijn zelfbewustzijn en zijn vrijheid, de kampioen van de westerse wijsbegeerte vanaf de renaissance. Ik ben echter ook een exemplaar van een soort, een groep, een exemplaar met een serienummer. Ik ben ook een voorbijganger, met een met anderen gedeelde geschiedenis achter en op de rug en met een daardoor grotendeels voorbestemde toekomst voor de boeg. Mijn speelruimte is beperkt.  

Ik leef in twee waarheden. Maar meer dan dat. Individualiteit enerzijds en lidmaatschap van een groep of soort anderzijds impliceren elkaar ook. Aan de ene kant zijn de coördinaten waarin ik ben geboren en getogen – ook de coördinaten van de verschillende groepen waartoe ik ‘intersectioneel’ behoor – voor ieder mens uniek en geven ze een heel eigen kleur aan mijn levensgeschiedenis, om maar een voorbeeld te noemen.  Aan de andere kant leeft een groep of gemeenschap van het feit, dat ze wordt gedragen, belichaamd en voortgeleefd in individuen. Zelfs de schuld die de geschiedenis van mijn land op mijn schouders legt kan ik alleen maar dragen, omdat ik een verantwoordelijk te stellen subject ben.

Ja, ik ben lid en deel van meerdere gehelen. Maar ik ga daar niet in op. Ik ben geen gevangene van de groep, de gemeenschap, de categorie waartoe ik hoor, maar ontstijg die ook. Ja, ik ben individu en onverwisselbaar subject. Maar wel een concreet ingebed subject. Ik leef niet in het luchtledige.  Het feit dat deze dubbelheid van het menselijk bestaan niet wordt erkend, is de oorzaak van de bittere strijd, die op dit moment wordt gevoerd tussen de identiteitspolitici enerzijds en de liberale individualisten, die hen bestrijden, anderzijds.

Identiteitsdenkers hanteren een reductionistisch en essentialistisch mensbeeld, waarin mensen restloos worden herleid tot hun groep, gemeenschap of categorie. De term intersectionaliteit lijkt het te nuanceren, maar geeft dit denken alleen maar een uiterlijke schijn van genuanceerdheid. In feite is het gewoon een manier van gewichtig doen.

De individualisten op hun beurt miskennen, dat een individu nooit op zichzelf staat. Al verhoud ik me reflexief, kritisch en afstandelijk tot de geschiedenis en de gemeenschap waarvan ik deel uitmaak – en transcendeer ik die daarmee dus tot op zekere hoogte: ik ben er, als individu, onlosmakelijk mee verweven. Alleen wie een abstract mensbeeld erop nahoudt, kan dit miskennen. En de individualisten kiezen blijkbaar daarvoor.

Kortom: geen individu zonder groep, geen groep zonder individu. Groepen zonder individuen zijn blind, individuen zonder groepen inhoudsloos. Wie in deze spanning kiest voor één van de polen, bestendigt en verhevigt de polarisatie in veel actuele discussies.

De moed om het dilemma het dilemma te laten

Radiodominees zijn vaak goed voor gekromde tenen. Het overkwam me onlangs weer, toen ik achter het stuur zat te luisteren naar mijn favoriete zender. Dit keer vertelde de zielzorger met ingehouden, maar nauwelijks ingehouden dramatiek en fierheid, hoe zijn familie in 2020 was omgegaan met een gevolg van de pandemie. Zijn oude moeder lag destijds op sterven in het ziekenhuis. Om de bekende redenen was het niet mogelijk, dat het voltallige gezin afscheid nam. De dominee vertelde, dat hij samen met zijn zussen en broeders toch maar het risico had genomen. De laatste adem was uiteindelijk uitgeblazen in aanwezigheid van het volledige nageslacht.

Het gezin had geen spijt van de beslissing, om de nabijheid aan moeder te laten prevaleren boven het volgen van de regels. En op dit moment van het radiopraatje kwam de spirituele aap uit mouw: “Je moet immers”,  aldus de Bijbelvaste predikant: “God soms meer gehoorzamen dan de mensen!” Met andere woorden: soms veroorlooft, ja eist ons geweten, om in te gaan tegen de menselijke wetten. In dat geval ging het gebod van de ouderliefde vóór de gehoorzaamheid aan de overheden.

Ik was gechoqueerd. Niet omdat ik een farizeïsche ijveraar wil zijn voor regels en wetten. En zeker niet, omdat ik vond dat mijn collega een andere beslissing had moeten nemen en de liefde voor zijn moeder had moeten opofferen. Integendeel: ik zou waarschijnlijk hetzelfde hebben gedaan. Het probleem is, dat zijn motivatie en rechtvaardiging uitgingen van de verkeerde uitgangspunten en categorieën.

In een situatie als de geschetste (een situatie die het afgelopen jaar velen is overkomen), is het heel goed denkbaar, invoelbaar en verdedigbaar, dat iemand de hygiëneregels schendt omdat hij of zij de nood voelt, om zijn of haar stervende naaste nabij te zijn. Het is immers een dilemma, een kwestie van kiezen tussen twee kwaden. Dat daarbij het hart wordt gevolgd, is legitiem en moreel niet verwerpelijk. Het dient echter altijd gepaard te gaan met het besef, dat het een conflict is binnen het eigen geweten, een conflict tussen twee doorleefde verplichtingen of, om het bijbels uit te drukken, geboden. Het geweten komt hier nooit zonder kleurscheuren uit.

Het probleem met de radiopastor was, dat hij meende, aan dit interne conflict te kunnen ontkomen door er een extern conflict van te maken tussen aan de ene kant zijn eigen geweten en aan de andere kant de regels. Zo kon hij zijn geweten redden en vrijpleiten – psychologisch gezien een begrijpelijke behoefte overigens – en de zwarte piet van het conflict leggen bij de bedenkers en opleggers van regels, waarmee hij zelf ethisch niets te maken had. Hij hoefde niet de moed op te brengen, om in te staan voor de vuile handen die hij onvermijdelijk maakte in het kader van zijn tragische keuzesituatie of dilemma.

Het is een illustratief voorbeeld van de manier, waarop velen – en niet alleen corona-ontkenners – omgaan met de vele dilemma’s, waar de pandemie ons mee confronteert: in de relationele sfeer, in de zorg, het onderwijs of de economie. Ze ontkennen het bestaan van tragische keuzes en dilemma’s en maken zichzelf tot slachtoffers of helden van de aanvaringen met regels, regels waarvan ze blijkbaar vinden dat ze vooral een bureaucratische rationaliteit hebben en dat ze hen inhoudelijk niet aangaan. Dat is ten diepst hoogmoedig, maar vooral getuigt het van een gebrek aan moed en eerlijkheid en van een gebrek aan solidariteit met die vele anderen, die dagelijks vechten met dilemma’s: experts, zorgverleners en beleidsmakers incluis.

De bekering tot een open zelf

Een ontsnappingspoging uit de impasse van de identiteit

In een sombere bui, ben ik al snel geneigd om overal symptomen van decadentie te zien. Ik weet niet of dat zo ongezond is. Misschien is pessimisme te verkiezen boven achterdocht. Misschien kun je beter overgevoelig zijn voor tekenen van verval dan overal complotten zien. Misschien is het humaner, om je medemensen als latent zieken te zien dan als heimelijke vijanden. Liever cultuurconservatief dan populist, zeg maar.

Eén van de symptomen van verval van onze cultuur zie ik in de driehoek van drie ‘teiten’: authenticiteit, spiritualiteit en identiteit. In media, in het dagelijks leven, in de kunst domineert een bijna manische focus op deze drie verschijnselen.

Authenticiteit

Ten eerste moeten veel individuen moeten zichzelf zijn, van hun hart geen moordkuil maken en ons direct vanuit hun ‘hart en ziel’ aanspreken. (Tenminste: dat moeten ze van zichzelf. Ik heb daarom niet gevraagd.) Naarmate ze daarin meer slagen, zijn ze ook onfeilbaarder, want wat uit dat ‘hart’ of die ‘ziel’ komt is per definitie waar – of in elk geval niet voor argumentatieve discussie vatbaar. Dit ‘expressionisme’ kan geen ongelijk hebben, want de expressionist is zijn of haar eigen maatstaf.

Spiritualiteit

Ten tweede duikt in de commercie, in de low culture en in de high culture te pas en te onpas het begrip inspiratie op. Hoewel het woord door zijn herkomst iets bovenaards en onlichamelijks suggereert, is het juist sterk verbonden met de ‘esthetisering’ (in de zin van ‘verzintuigelijking’) van onze cultuur, waarin het belevenis- en gebeurteniskarakter het criterium wordt voor waarde en betekenis. De consumptie van een product of de deelname aan een cultuuruiting moet iets met me ‘doen’, mij op andere gedachten en gevoelens brengen – zonder dat men daarbij ingaat op de inhoud daarvan. Hoofdzaak is dát er in iets in me teweeg wordt gebracht en dát ik in vervoering wordt gebracht. Discussie over waarde en betekenis wordt niet op prijs gesteld. Wat mij wordt ingefluisterd door de geesten, al dan niet vertolkt door ‘influencers’, is waar en goed.

Identiteit

Authenticiteit en spiritualiteit zijn op het oog politiek nog neutraal. Van identiteit kun je dat niet meer zeggen. Identiteit wordt geclaimd door mensen, die zichzelf en anderen definiëren als in hun ‘wezen’ behorend tot een bepaalde categorie. Uit het lidmaatschap van die groep – een groep die uiteraard een constructie is, als het al geen fictie is – leidt men dan rechten, voorrechten, geboden en verboden af. Als men zelf tot een benadeelde groep hoort, gaat het voorrecht zelfs zover, dat men buiten of boven het recht staat en binnen een eenzijdig uitgeroepen noodtoestand anderen het zwijgen mag opleggen, met welke middelen dan ook.

Er zit in deze drie verschijnselen een rode draad. Alle drie leiden ze tot een verlamming en verzieking van het samenleven. Authentieke mensen stellen zich vaak allerminst ‘kwetsbaar’ op, maar, zoals gezegd, juist onfeilbaar. In feite zijn ze gewoon voortdurend gekwetst, hetgeen is anders is dan kwetsbaar. Kritiek wordt niet op prijs gesteld – en bij de ‘bezielden’ zeker geen kritiek op hun goeroes en andere ‘inspiratoren’. Ze maken de bodem om zichzelf heen glibberig en iedere toenadering en poging tot conversatie is bij voorbaat gedoemd te blijven steken in een uitwisseling van monologen. Bij identiteitsfetisjisten wordt de glibberige bodem zelfs tot een mijnenveld en een bomgordel. Als de gekwetste zichzelf verschanst in het narratief van slachtofferschap, kun je haar of hem alleen nog maar met een witte vlag benaderen.

Maar laat ik maar heel authentiek ‘bij mezelf blijven’. Misschien moet ik gewoon zeggen dat ik er allemaal ‘niets mee kan’? En dat dit biografische oorzaken heeft? Inderdaad. Ik ben opgegroeid in een religieuze gemeenschap – de katholieke kerk – waarin spiritueel egocentrisme van alle tijden was, waarin het de cultuur van het zelf de laatste decennia zelfs is gaan woekeren. Ik hoor tot een kerkelijke groepering waarin we het beter wisten dan anderen en waarin we groepen van mensen (vrouwen bijvoorbeeld) op essentialistische wijze vastlegden op een identiteit. Ik hoor tot een culturele groep, waarbinnen we onszelf vanouds tot slachtoffers stileerden van de ‘anderen’. Dit alles verklaart wellicht mijn allergie tegenover de beschreven fenomenen.

Waar echter het gevaar dreigt, groeit ook het tegengif. In de ‘christelijke’ traditie wordt ons ook steeds weer een spiegel voorgehouden. Er wordt ons steeds weer gezegd, dat het in de navolging niet gaat om het koesteren van een naar binnen gekeerde authenticiteit of van een om zichzelf draaiende identiteit. Navolging betekent daarentegen de bekering tot een ‘gastvrij zelf’, dat de ander in zichzelf laat wonen. Navolging is het bloot leggen van een ‘open zelf’, dat niet zichzelf, maar de ander als (potentieel) ‘slachtoffer’ (van mij) ziet. Hier is geen sprake van exhibitionistische ‘kwetsbaarheid’ of tot de tanden gewapend slachtofferschap, maar van oprechte ‘ongewapendheid’. Hier is geen sprake van ‘bezield’ worden, maar van ‘bezeten’ worden door de berooide ander, die een appel op mij doet en mij aanklaagt.

Ik ben de ander. Daarom doe ik niet mee met de drie ‘teiten’, die in feite hedendaagse uitingsvormen van farizeïsme en kleinburgerlijke benepenheid zijn. En als u me daarop betrapt: schreeuw me dat dan in mijn uren. En lap mijn ‘comfort zone’ aan uw laars.

Heiligabend

Sinds enige tijd verblijf ik onder de Germanen. Gelukkig ben ik getraind in interculturele communicatie. Geen overbodige luxe, want een bezoek aan de Inuit of de Pygmeeën is een feest van herkenning, vergeleken met een langdurig verblijf alhier. In het binnenland van Suriname is het internet bijvoorbeeld beter, dan in de agglomeratie, waar ik nu woon. En uit een discussie met een ambtenaar kom je hier nooit zonder kleerscheuren tevoorschijn. Na een bezoek aan een postkantoor, stond me eens het huilen nader dan het lachen. ‘Wij hebben tenminste nog postkantoren, jullie niet!’ zei een Duitse vriend, bij wie ik mijn beklag deed. ‘Wij hadden in de twintigste eeuw wel meer instellingen niet, die jullie wel hadden’ – dacht ik. Ik zei het maar niet. Het is alweer wat gezakt trouwens.

Corona heeft hier ook heel andere implicaties. In de zomer begon menigeen al een lichte paniek te ontwikkelen, toen bleek dat de start van het carnavalsseizoen wel eens in het water zou kunnen vallen. Dat is inderdaad een ‘Zumutung’, vooral in het Rijnland. Je kunt beter op de Veluwe een ouderling zijn Statenbijbel afpakken. Nee. Als het over carnaval gaat, hebben vooral de Rijnlanders niet echt veel gevoel voor humor.

Het bleek nog erger te kunnen. Want van de Noordzee tot de Alpen, van de Rijn tot aan de oostgrens hebben Duitsers één ding wat hun bijzonder heilig is. Het heet ook zo: ‘Heiligabend’. (Die duurt overigens de hele dag.) Er worden cadeaus gegeven, men gaat naar de kerk, versiert het huis, eet goed en leeft in pais en vree. Weken van tevoren komt men in de stemming: mensen krijgen een marsepeinen hart en nemen de wereld waar door een vakwerkhuisjesraster. Deze sprookjeswereld ligt dit jaar aan duigen. Het is het ergste wat een Duitser kan overkomen: een jaar zonder ‘Heiligabend’! (Dat men op 25 december doorgaans een familieruzie en een kater rijker is, vergeet men gemakshalve. ‘Heiligabend’ is een in mierzoete chocolade verpakte teleurstelling.)

Toch was en is de advent ook dit jaar een mooie tijd, ook voor mij als immigrant. En er zijn onverwachte lichtpuntjes. Zo werd op 7 december de knieval van Willy Brandt in Warschau herdacht. Kippenvel. Duitsland is toch meer dan een grote houten-speelgoedwinkel voor grote mensen. Het is ook een land, dat tot nu toe op een zeer volwassen manier omging met zijn eigen geschiedenis. Tot nu toe, want als ‘dwarsdenkers’ vermomde neofascisten peuteren inmiddels weer aan de grondslagen van deze fantastische rechtsstaat.

Maar goed. Dat is niet typisch Duits.

Vrijzinnigheid als hartstochtelijk zoeken

Er was een tijd, dat het een avontuur was om als ‘christen’ vrijzinnig te worden. Je week dan af van de mainstream en maakte je in sommige kringen onmogelijk. Met halsbrekende toeren stak je een kloof over en ging dan eenzaam aan de overkant wonen. Je deed dat dan ook alleen, als het echt niet meer anders kon, als je op de vlucht was voor geestdodende en adembenemende strengheid. De rechtzinnigheid verlaten deed je met de moed der wanhoop in je schoenen.

Inmiddels zijn de harde kantjes van de confessies afgesloten en is de rechtzinnigheid in de meeste kerken zo mak geworden als het Lam zelf. De grote belijdenisgebonden geloofsgemeenschappen zijn  zo veilig geworden als een speelplaats met rubbertegels of een antroposofische houten-speelgoed-winkel, waar alles ronde hoeken heeft. Je kunt je niet meer zo gauw bezeren aan de getemde belijdenissen en je hebt dan ook minder de behoefte om een vrijzinnig heenkomen te zoeken…. als je dat wel doet, dan kijkt niemand ervan op. Je hoeft niet bang te zijn, om je een buil te vallen of onbedoeld tegen schepen te schoppen. Vrijzinnigheid is van een vrijplaats tot een ‘niche’ geworden, een veilig nest. Geen statement, maar een kwestie van smaak.

Ik noem mezelf sinds enige tijd vrijzinnig en, nog preciezer, remonstrant. Wat betekent dit in het licht van het bovenstaande? Om een antwoord te vinden, heb ik wat onderscheidingen gemaakt – niet op basis van een encyclopedische kennis met betrekking tot de vrijzinnigheid, maar op basis van een min of meer intuïtieve beschrijving van vrijzinnige verschijningsvormen.

1. Ten eerste is er de affirmatieve of alles-beamende vrijzinnigheid. Deze ziet in elk water de zon schijnen en laat alle bloemen bloeien. In elke bewering zit wel een kern van spirituele waarheid, in elke beweging wel een zucht van Gods Geest, meent zij. Iedere uil mag zichzelf een valk noemen. Met name de esoterie en de wellness-geestesgesteldheid worden geprezen als heilige bronnen, die een welkome aanvulling vormen op de Schriften. De affirmatieve vrijzinnigheid is in staat van een glas water een kelk met wijn te maken. Zo houdt ze iedereen te vriend en ligt ze niet wakker van zichzelf en anderen. Het risico van deze versie is dan ook, dat ze van vrijzinnigheid wordt tot vrijblijvendheid.

2. Daartegenover staat dan ook de kritische vrijzinnigheid: die ziet juist het tekortschieten en de leegte van elke gelovige bewering en symbolisering. Uiteindelijk zijn alle geloofsuitingen stukwerk en brozen en poreuze vaten, zegt zij. Daarom moeten ze zeer kritisch, ja sceptisch worden bekeken. Dat begint meestal dicht bij huis: bij de belijdenissen en andere uitingsvormen in kerkelijke kring. Alleen zelfkritiek geeft ‘ons’ het recht, om kritisch jegens anderen te zijn. Kritische vrijzinnigheid ziet vooral het half lege glas bij zichzelf en anderen. (Uit bescheidenheid en hoffelijkheid wil ze overigens het glas van de anderen ook wel als half vol betitelen.)

3. Velen blijven staan bij deze (zelf-)kritiek. Zo ontstaat een variant van vrijzinnigheid, die ik agnostisch quiëtisme zou willen noemen. Deze berust erin, dat we niets weten en dat al onze pogingen om ons geloof te verwoorden vergeefs zijn. Ze geeft het op, om actief op zoek te gaan en laat Gods water over de eigen dorre akker lopen en ziet wel wat daarvan komt. Deze houding kan verworden tot een soort gemakzucht, die het spiegelbeeld is van de krampachtigheid van starre rechtzinnigheid.

4. Er zijn echter ook (zelf-)kritische vrijzinnigen, die niet tevreden zijn met het half lege glas en niet willen rusten op de lauweren van de scepsis. Ze zien de gebrekkigheid van geloofsuitingen als een uitdaging, om te werken aan verfijning, aanscherping en verdieping. Ze zijn zoekers, niet in de modieuze zin van vrijblijvende flaneurs en snuffelaars, maar in de doelgerichte en zelfs een beetje fanatieke zin. In alle bescheidenheid erkennen ze, dat ze de waarheid nooit op eigen kracht zullen bereiken, maar dat het de moeite loont om stapje bij stapje het doel te naderen. Zij zijn de rusteloze, hartstochtelijke en volhardende zoekers naar het koninkrijk (Mt. 6,33). Ze worden niet ongeduldig, zolang ze niets vinden – waardoor de verleiding kan ontstaan om alsnog het bijltje erbij neer te gooien – maar vertrouwen erop, dat hun zoeken zichzelf zal belonen. Misschien hebben ze dan ook wel meer gemeen met de welbegrepen rechtzinnigheid, dan ze denken (en vice versa).

De lezeres of lezer begrijpt waarschijnlijk wel, dat ik de vierde verschijningsvorm van vrijzinnigheid prefereer. Ze is de minst burgerlijke en minst risico-mijdende van de vier. Ik matig me niet aan, dat ik dit ‘stadium’ heb bereikt. De verleiding van agnostisch quiëtisme blijft bestaan. God geve echter, dat ik in mijn leven ooit zover kom, dat ik een begin maak met de weg naar het doel ver achter de horizon.

***

PS. Misschien zei Lessing het allemaal wat compacter:

“Nicht die Wahrheit, in deren Besitz irgendein Mensch ist oder zu sein vermeinet, sondern die aufrichtige Mühe, die er angewandt hat, hinter die Wahrheit zu kommen, macht den Wert des Menschen. Denn nicht durch den Besitz, sondern durch die Nachforschung der Wahrheit erweitern sich seine Kräfte, worin allein seine immer wachsende Vollkommenheit bestehet. Der Besitz macht ruhig, träge, stolz – Wenn Gott in seiner Rechten alle Wahrheit und in seiner Linken den einzigen immer regen Trieb nach Wahrheit, obschon mit dem Zusatze, mich immer und ewig zu irren, verschlossen hielte und spräche zu mir: wähle! Ich fiele ihm mit Demut in seine Linke und sagte: Vater gib! die reine Wahrheit ist ja doch nur für dich allein!”

“Het is niet de waarheid, die iemand in bezit heeft of meent te hebben, doch de oprechte poging die hij doet om de waarheid te ontdekken, die iemands waarde uitmaakt. Omdat het niet door bezit, maar door het onderzoeken van de waarheid is, dat iemands krachten zich ontplooien en waarin iemands vervolmaking bestaat. Bezit maakt je kalm, traag, trots. Als God alle waarheid in zijn rechterhand zou houden en in zijn linkerhand de enige, altijd actieve drang naar waarheid, met de bijsluiter, dat ik daarbij altijd en eeuwig zou dwalen, en dan tegen mij zou zeggen: kies! – ik zou mij nederig op zijn linkerhand storten, zeggende: Vader, geef! De pure waarheid is alleen voor jou!”

***

God als aleatorisch kunstenaar

Meer mensen dan ooit hebben dit jaar de vakantietijd doorgebracht in rustige oorden. Stedentrips en reizen naar drukke stranden waren minder in trek. In plaats daarvan bezochten velen het bos, de heide of het water in de nabijheid. Wie het zich kon veroorloven, zocht ruige kusten op of verstilde bergdorpen. Al met al was deze tijd een uitgelezen kans, om religieuze ervaringen op te doen. Het schijnt immers zo te zijn, dat we God bij uitstek op het spoor komen in de ongerepte natuur. Hier is de verf of de klei van de schepping nog nat. In de door en door gerepte stad of op de dicht bevolkte boulevards daarentegen komt God niet zo goed uit de verf. Als hij al in de stad te vinden is, dan houdt hij zich schuil in karig bezochte musea. God is blijkbaar een beetje mensenschuw.

Ik zelf heb deze zomer volop genoten van geestverruimende vergezichten, van het ritme van de branding aan de kust en van het zilverachtige zingen van de wind in de kruinen van de populieren aan de rivier. Op religieuze gevoelens of ervaringen heb ik mezelf daarbij echter niet kunnen betrappen.  Ik zie niet in waarom het privilege van deze gemoedsaandoeningen ligt bij stille oorden. Natuurlijk: we ondergaan op deze plekken het verheven, sublieme karakter van de natuur. Het norse zwijgen en de stille onverzettelijkheid van de bergen maken een even diepe indruk als het eeuwige bewegen en zingen van de zee, de rivier en de wind. Maar of uitgerekend hierin God tot mijn ziel spreekt?

Het zal wel aan mij liggen. U zult zich misschien wél herkennen in degenen, die bij het uitkijkplatform boven op een berg een bordje ophangen met een psalmvers, waarin Gods schepping wordt geprezen – om maar iets te noemen. Ik zelf ben eerder onder de indruk van het vissersmonument op Urk, waar een plaquette met schrijnende nuchterheid en triomfantelijke bitterheid uit het bijbelboek Openbaring citeert: “En de zee is niet meer”. De bijbel gaat immers niet alleen over God als schepper van de kosmos, maar ook over het handgemeen tussen mens en natuur.

Overigens zijn de bijbelteksten-voor-wandelaars tegenwoordig grotendeels verdrongen door educatieve borden van biologen en aardrijkskundigen. Deze borden maken de natuurliefhebbers wegwijs in het landschap om hen heen en in de geschiedenis ervan. Het ontstaan van plooiingsgebergten en veengebieden worden haarfijn uit de doeken gedaan.  Ook dat is niet zo bevorderlijk voor de betoverende werking van het landschap. Het besef dat bergen, meren en heiden zijn ontstaan door een nogal slordig proces en een verkwistende aaneenrijging van toevalligheden, is nogal ontnuchterend. De evolutietheorie is er niets bij. Overigens is dat aan het rafelige profiel van een hooggebergte als de alpen nog steeds te zien, als je het mij vraagt.

Ik loof de schepper niettemin bijna elke dag – door het jaar misschien nog wel vaker dan tijdens de vakantie. Dat begint er al mee, dat ik bij het ontwaken het licht in mijn ogen begroet en dankbaar ben voor het feit, dat ik letterlijk weer een hand voor ogen kan zien. Het vertrouwde gevoel van vaste grond onder de voeten als ik opsta en de geur van brood en koffie maken deze dankbaarheid het af. Ik open de gordijnen en bekijk, door de takken van de bomen, de hemel: grijs, blauw of iets er tussen in. Ik zie op het balkon de bedrijvige mussen en op straat de mensen, op weg naar uiteenlopende doelen, met vastberaden tred of met de moed in hun schoenen, maar allemaal van zins er weer het beste van te maken.

“Goedemorgen, wereld”, zeg ik in mezelf bij wijze van psalm 19. En ik stel me dan voor, dat in dit alles een kunstenaar de hand heeft gehad. Dezelfde kunstenaar die ook de bergen en de zeeën heeft gemaakt. Hij is in mijn voorstelling echter een aleatorisch kunstenaar, die er genoegen in heeft geschapen om te improviseren en om daarbij veel aan het toeval over te laten. Geen architect of beeldhouwer, maar een jazzpianist.

Het resultaat is prachtig.

***

Het bovenstaande verscheen eerder als column op De Bezieling.