Bang voor kleur

Er wordt gebouwd aan de overkant van de straat. Nou ja: gebouwd? Er wordt vooral eerst heel veel afgebroken. Het ging enkele maanden geleden van start. Tot dat moment stond er op de hoek een spierwitte villa in een strakke jaren-vijftig-doorzon-stijl, omgeven door een royale tuin met bomen, rododendrons en wat er verder nog zo groeit en bloeit. Die villa moest echter weg en plaatsmaken voor iets nieuws.

Het begon ermee, dat met de botte bijl alles uit de weg werd geruimd, wat de voer- en werktuigen van de sloper in de weg stond: hagen en schuttingen, te smalle poortjes, boompjes op het trottoir. Alles moest weg! Zo werd de weg geëffend voor de volgende stap: het afbreken van het huis en het rooien van bomen en het omploegen van de tuin. En deze week is men dan begonnen met het aanleggen van een oprit voor het bouwverkeer, het plaatsen van een kraan en een heimachine enzovoorts.

Inmiddels is ook bekend, wat er zal komen in de plaats van de oude villa: een complex met een dertigtal appartementen voor de bovenmodale woningbezitter. Uit de bouwtekeningen blijkt, dat ze zullen worden gebouwd in de stijl die elders in het dorp inmiddels de toon aangeeft: prefabbeton in honderd tinten grijs. De kubusvormige bouwwerken in deze stijl zijn niet per se lelijk, maar ze lijken allemaal op elkaar. Bovendien staan kris en kras verspreid door het stedelijke landschap, zonder enige samenhang met hun omgeving. De stad begint daardoor te lijken op een monopoly-bord waarop iedere spelers zijn huisjes lukraak heeft neergezet. Wat hierbij stoort, is niet de stijl op zich, maar de eentonigheid en de gemakzucht waarmee blindelings erop wordt voortgeborduurd.

Het is een signaal van iets, wat ik verontrustend vind. Momenteel verovert het monotone grijs de wereld: aan de buitenmuren van dit soort nieuwbouw, op de opritten en de voortuinen, waaruit het groen is verbannen onder het motto van onderhoudsvriendelijkheid, maar ook in de woonkamers, die steeds vaker zijn ingericht in een neutrale, ‘prikkelarme’ en kalmerende crematoriumstijl, en ten slotte in de kleding. Weg met de kleur! Leve het zwart-wit en het grijze spectrum ertussen.

In de voorkeur voor deze monochromie herken ik overigens een bepaalde traditie in religieuze kring. Ze is bijvoorbeeld ook aan te treffen in de architectuur van de Bossche school (tweede helft 20e eeuw) en in de voorkeur van veel kerktoeristen voor de zogenaamde soberheid van middeleeuwse kerken – waarbij weinigen weten, dat al die norse romaanse kerken in hun ontstaanstijd alle kleuren van de regenboog vertoonden. Spiritualiteit en inkeer associëren we al sinds geruime tijd met zintuigelijke zuinigheid en ascese. Veelkleurigheid vinden we daarentegen kitscherig en associëren we met oppervlakkig romantisch devotionalisme.

De titel van een bekend kunstwerk parafraserend, vraag ik me af: waarom zijn we bang voor rood, geel, blauw – eigenlijk: voor alle kleuren, voor kleur als zodanig? Misschien omdat het kleurenspectrum een wisselbad is van emoties, een sauna met plotselinge en extreme temperatuurwisselingen? Omdat kleuren uiteenlopende en tegenstrijdige prikkels vormen en emoties oproepen?  Omdat rood overdonderend is en hartveroverend, geel fel en overweldigend, blauw onderkoeld en afwijzend, groen broeierig? Misschien ook omdat kleuren vloeken, dissoneren en chaos veroorzaken?

De angst voor het veelkleurige, voor de ‘bonte kermis’ zit in elk geval diep. We stellen prijs op het veilig-neutrale, het niet verstorende, het onopvallende en het risicoloze – en grijs staat daarvoor borg. Nog anders gezegd: we willen niet worden geraakt en aangedaan. We willen niet in de war worden gebracht. We sluiten de luiken van onze zintuigen, opdat de zon met zijn ‘veelstemmig licht’ (H. Oosterhuis) niet binnen schijnt en ons uit onze tent lokt. We zijn bang voor provocatie en passie. En dan is grijs een feilloze schutskleur. We kunnen blijven zitten waar we zitten: in het risicoloze midden.

Rechtvaardigheid

Er zijn verkiezingen in Duitsland: verkiezingen voor de deelstaat Noordrijn-Westfalen. Duitse deelstaatverkiezingen zijn net zo belangrijk, als de landelijke verkiezingen bij ons. Want deelstaten hebben grote bevoegdheden op belangrijke beleidsterreinen. Ze zijn geen regio’s of provincies, zoals wel eens wordt gedacht. Hun politiek heeft een grote invloed op ieders leven. En zo gaan ze ook over sociale rechtvaardigheid.

Daarom vind ik het onrechtvaardig, dat ik als migrant niet mag meedoen aan de verkiezingen. Maar ach: ik mag nog steeds meedoen aan de landelijke verkiezingen in Nederland. Op verkiezingsdag ben ik zelfs even inwoner van de gemeente Den Haag. Daar sta ik namelijk geregistreerd als kiesgerechtigde. Ook mooi. Maar dit terzijde.

Er hangen affiches in de straat. Zeer leerzaam. Vooral om te ontdekken dat er op zijn minst nog drie communistische partijen in omloop zijn. Die hebben een groot hart. Ze beloven dat alles gratis wordt en dat iedereen meer geld krijgt. Waar doen ze het van? O ja, het staat er ook bij: ‘De rijken moeten maar eens meer betalen!’ ‘Weg met de miljonairs!’

‘Die Linke’, zeg maar de Duitse SP, zingt dit deuntje ook mee. Ze brengen het alleen wat subtieler. Die Linke: dat is ook de partij die vindt, dat bepaalde onderwerpen luxeproblemen zijn. Gender-thema’s bijvoorbeeld. Of burgerrechten. Sociale grondrechten zijn veel belangrijker, zeggen ze de door hen bewonderde volksrepublieken in het Verre Oosten na. Zonder eten heb je niets aan inclusief taalgebruik of gelijke behandeling. En zonder een met Russisch gas verwarmd huis evenmin.

Ik volg het wel. Als ze maar één burgerrecht niet afschaffen. Het recht om te klagen over het gebrek aan sociale grondrechten, het recht om te zeggen dat je honger hebt. U weet wel: dat recht dat arme sloebers aan de periferie van Rusland niet hebben. Met als gevolg, dat ze zich van de honger maar aanmelden bij het leger – om vervolgens naar de Oekraïne te worden gestuurd, waar ze uit wanhoop wandaden plegen en zelf aan stukken worden geschoten.

***

Het bovenstaande werd uitgesproken tijdens de bijeenkomst van de Vereniging Scala op 14 en 15 mei 2022 over het onderwerp ‘sociale rechtvaardigheid’.

De crisis van het goede, het ware en het schone als provocatie

Het goede, het ware en het schone: ze zijn de fundamentele passies en inspiraties van mijn bestaan. Ik bedoel die laatste twee begrippen dan niet in de banale zin, zoals ze godbetert worden gebruikt in de goed-gevoel-industrie, waar het erom gaat het kwijnende en sappelende ik te stabiliseren. Ten diepste duidt passie op een aangedaan zijn, op het feit dat ik ondanks mezelf door iets buiten mezelf wordt geraakt, uit mijn baan gebracht en gedestabiliseerd. En inspiratie duidt erop, dat iets anders bezit van me neemt. Passie en inspiratie geven me geen goed gevoel, maar bezorgen me in het beste geval een slecht geweten en een rusteloze ziel.

Zo zijn ook de passies en inspiraties van het goede, het ware en het schone geen verrijking van mijn geestelijke inventaris (tenzij ze op snobistische wijze worden geïnstrumentaliseerd), maar angels in mijn vlees. Ze vormen een voortdurende drijfveer en onrust. Ze dringen zich op een hinderlijke manier op, vragen te pas en te onpas aandacht. Bij schrijnend onrecht, word ik geprovoceerd om ethisch kleur te bekennen. Bij hemeltergende manipulaties van de waarheid, word ik uitgedaagd om mezelf en de ander te dwingen tot een rationele, argumentatieve discussie. En als kitsch koning kraait, moet ik de altijd weer zo weerloze schoonheid in bescherming nemen.

Deze situaties hebben vaak een existentieel karakter. Als individu sta ik onvoorbereid en ongewapend voor deze provocaties. Gelukkig hebben we ook gemeenschappen en instituties in het leven geroepen, omwille van het goede, het ware en het schone – bijvoorbeeld democratische en rechtsstatelijke structuren, politieke en religieuze bewegingen, wetenschappelijke instituten, kunstinstellingen. Door deze gemeenschappen en instituties, sta ik als individu niet alleen voor de verantwoordelijkheid voor het goede, het ware en het schone. Ze geven structuur en continuïteit aan passie en inspiratie – en aan het handelen dat eruit voortvloeit.

Wat gebeurt echter als deze gemeenschappen en instituten perverteren? Als ze zichzelf ontrouw worden en als hun dynamiek in zijn tegendeel verkeert? Religieuze gemeenschappen blijken onderdak te hebben geboden aan structuren van seksueel misbruik. – Wetenschappers blijken steeds vaker op de loonlijst te staan van dubieuze machthebbers of bedrijven. – Een politieke partij met een integere, ja: heroïsche geschiedenis, de Duitse sociaaldemocratische partij, heeft zich de afgelopen twintig jaar laten inspinnen door Wladimir Poetin – met dramatische gevolgen, zoals nu aan het licht komt. – Kunstinstellingen blijken niet vrij te zijn van intern machtsmisbruik, seksueel geweld en politieke omkoopbaarheid.

In zulke crisissituaties sta ik er als individu weer alleen voor. Het goede, ware en schone zijn dan weer aangewezen op de enkeling – om in bescherming te worden genomen tegen of bevrijd uit de instituties, die in het leven zijn geroepen om hun een onderdak te bieden, maar die tot een gevangenis zijn geworden. Het zijn ‘liminale’ situaties, waarin de passie en de inspiratie voor de grote drie een nieuwe bedding zoeken. Ze markeren het einde van een tijdperk, maar luiden ook het begin in van een hervormingsproces, waarin bezielde en gedreven mensen een nieuw huis bouwen voor het goede, het ware en het schone.

We hadden het kunnen en moeten weten.

“De neiging tot tweedracht en geweld, die in de aard van de mens ligt, is in de loop der geschiedenis alleen maar sterker geworden. Het veroveren van de vrede zal nog lang de grootste opgave blijven – en het zal veel strijd vergen, wil een verzoeningsgezinde mentaliteit de overhand krijgen.

We moeten onophoudelijk alert blijven en handelen. Wie slechts toeschouwt, wacht vergeefs erop, dat er vrede komt. Er komt alleen maar oorlog. De oorlog komt alleen al, als men niets ertegen doet. Niet aanvallen betekent nog niets. De oorlog is er eigenlijk al, zodra zich ergens een nietsontziende nationalistische macht nestelt. Een land dat wordt beheerst door het recht van de sterkste raakt vanzelf verzeild in een conflict. Ten onrechte nemen we aan, dat we moeten afgaan op de naar buiten gerichte uitlatingen van een regiem, om in te kunnen schatten hoe waarschijnlijk het is, dat er uit zijn aard oorlog voortkomt. In tegendeel! Zijn optreden in het binnenland is beslissend.

Als de overheden op dezelfde manier omgaan met hun eigen natie als een overwinnaar met een weerloos land, dan kunnen de buitenlandse toeschouwers op hun vingers natellen, waaraan ze toe zijn. Geen enkele regering kan naar believen haar mentaliteit omschakelen en, al naar gelang, haar eigen mensen op inhumane manier vertrappen, maar zich aan de rest van de wereld fijngevoelig en respectvol voordoen. Als een regering is gebouwd op de haat, dan wil ze met zekerheid ook de wereld in haar macht krijgen. Wie het eigen, gewillige volk voortdurend beliegt, van hem kunnen we ook verwachten, dat hij alles en iedereen beliegt.  De terreur, waarmee een doortrapte machthebber het door hem bedwongen land verziekt, is uiteindelijk ook slechts een teken voor datgene, wat anderen te wachten staat.”

De Duitse schrijver Heinrich Mann (1871-1950) schreef in 1933 de bovenstaande woorden, die werden opgenomen in De Haat, een bundel helderziende en verziende teksten, die de laatste tijd wordt herontdekt en geherwaardeerd. Heinrich Mann had zich al tijdens de Eerste Wereldoorlog van zijn kosmopolitische en pacifistische kant laten zien. Zo had hij met zijn satire De Onderdaan een meedogenloze karikatuur geschilderd van de ja-knikkende carrièrist, die in de Pruisische burgers sluimerde en die de loper uitrolde voor een gewelddadige dictatuur. Zijn broer Thomas (1875-1955) kwam pas in de jaren twintig tot inkeer. Hij was een vurig nationalist geweest, die vanachter zijn schrijftafel het oorlogvoerende keizerrijk had aangemoedigd. Bij hem ging de knop definitief om in de jaren dertig. (Bij veel collega-schrijvers viel de munt in die tijd helaas de andere kant op.) Twee kunstenaars, twee posities ten opzichte van hun land. 

Het feit dat Heinrich Mann in 1933 zo profetisch schreef – en dat ook zijn broer op dat moment de situatie begon te doorzien – was echter juist te danken aan hun kunstenaarschap, of preciezer: hun schrijverschap. Met groot empathisch vermogen en psychologisch inzicht waren ze in staat anderen te doorgronden en te ontmaskeren. Hun gevoel voor de nuances, registers en lagen van de taal, voor retoriek en voor de kwetsbaarheid van de taal, om te worden misbruikt voor propaganda: dat alles maakte hen ‘helderhorend’. Ze lieten zich door het stalen gezicht en de zalvende woorden van dictatoren niet bij de neus nemen. Thomas Mann beweerde zelfs, dat hij Hitler daarom zo goed doorzag, omdat hij zich in hem herkende. Hitler bediende zich immers van hetzelfde wapen als de schrijver: de taal. Met dieven vang je dieven…

In Die Zeit van afgelopen week opent het Feuilleton met de verzuchting: “Hadden we de afgelopen jaren maar beter geluisterd naar de kunstenaars uit Oost-Europa, die ons wakker wilden schudden.” Het is inderdaad te wensen, dat schrijvers en andere kunstenaars, met hun feilloze seismograaf, ons blijven waarschuwen voor naderend onheil – en dat politici en burgers hun signalen dan ook serieus nemen.

Luisteren naar jezelf en de ander gaat nergens over.

In het begin is er het luisteren. Het dagelijkse Joodse gebed begint met het ‘Sjema Jisrael’ (‘Luister, Israel’). Het getijdengebed in de katholieke traditie opent op zijn beurt de dag met Psalm 95, die de hele dag achter het voorteken plaatst van het ‘gehoor geven’. En de moeder van alle kloosterregels, de Regel van Benedictus, inmiddels ook ontdekt door managementgoeroes, begint met de bekende oproep ‘Luister, mijn zoon…’ Zo maar drie tradities, die het leven inkaderen in de oproep en de bereidheid tot luisteren.

De tekst uit Deuteronomium 6, die de kern is van het ‘Sjema Jisrael’, is hierbij onovertroffen in zijn dichtheid. Deze verzen spreken zowel de ruimtelijke als de tijdelijke dimensie aan van het menselijke bestaan. Het Woord dient heel het leven binnen deze dimensies te doordrenken. Daarbij trekt dit Woord als het ware concentrische cirkels. Het middelpunt van de ruimte, voor zover die in beslag wordt genomen door het Woord, is het menselijk lichaam (hoofd en handen), daaromheen wordt de cirkel getrokken van de woning, het huis, het gezin en daaromheen weer de cirkel van het publieke leven: de stadspoort en de openbare weg.

Deze beweging van intiem naar omvattend wordt ook toegepast op de dimensie van de tijd. Iedere dag en elk moment worden onder het regiem van het Woord geplaatst (de gelovige moet ermee opstaan en ermee naar bed gaan, als het ware), maar ook de levensloop en de geschiedenis: het Woord wordt doorgegeven aan de volgende generaties. In dit licht is het ook consequent dat sommige vertalingen in vers zeven spreken over het ‘herhalen’ van het woord. Het luisteren naar het Woord ademt met het leven en geeft er het ritme aan.

Nu is luisteren niet zonder meer onze favoriete bezigheid. Er is een terechte argwaan gegroeid tegen het ‘luisteren’ naar gezaghebbende teksten. We hebben te veel slechte ervaringen gehad met autoritaire gehoorzaamheidsculturen in kerk en samenleving. Als we dan al luisteren, dan liever naar onze ‘innerlijke stem’, onze ‘eigen waarheid’ of naar elkaar. Dat laatste wordt vooral gekoesterd door degenen die zijn gehecht aan begrip, dialoog en verstaan – en die langs die weg willen komen tot een vreedzaam samenleven.

Laten we echter eerlijk zijn: het luisteren naar de innerlijke stem enerzijds en het luisteren naar elkaar anderzijds zijn (op zijn zachtst gezegd) ook geen succesformules. In tegendeel: het obsessief ‘naar zichzelf luisteren’ heeft de laatste tijd alleen maar geleid tot morele bijziendheid, onredelijke gelijk-hebberigheid en gemeenschap ondermijnend gedrag. En het begripvol ‘naar elkaar luisteren’ leidt niet tot oplossingen of een doorbraak uit impasses, als ik daarbij de ander en mezelf niet uitdaag, om de innerlijke burcht van de eigen waarheid te verlaten. Het is bovendien regelrecht een gevaarlijke luxe, als de problemen urgent zijn, als er veel op het spel staat, als de tijd dringt – en als daarbij ook nog evidente feiten worden genegeerd of geloochend.

Het getuigt daarom van een grote wijsheid, als de Joodse en de christelijke traditie het leven plaatsen onder het voorteken van het luisteren naar die éne Ander, naar de Derde. Het luisteren schept dan een temperende driehoeksverhouding. Ik overtroef de naaste niet met een beroep op mijn innerlijke stem. Ik geef de ander ook niet grenzeloos gelijk, omdat dialoog en begrip zo chic en politiek correct zijn. We zwijgen bescheiden en geven eerst het woord aan de Derde, aan de God van Sinaï als waarborg voor de humaniteit. Dat stemt ons enerzijds bescheiden in onze pretenties. We laten anderzijds de uitkomst van het gesprek ook niet onbeslist of in het midden, omdat we in de extase van de dialoog zijn. Er zijn immers zaken, die geen kwestie van smaak zijn en niet voor discussie vatbaar, zoals de humaniteit, vervat in de Tien Woorden of het Gelaat van de Ander.

Luisteren naar jezelf en de ander is leeg zonder de verwijzing naar de Derde. Zonder deze driehoeksrelatie gaat luisteren nergens over.

Dialoog: ja en nee

Achter de lelijke afkorting CCHRC gaat een onderzoeksinstituut aan de Vrije Universiteit in Amsterdam schuil. Géén van de vele C’s staat voor ‘Chinees’. Het zou echter eerlijk zijn geweest, als het zogenaamde Cross Cultural Human Rights Centre de voornaamste sponsor en broodheer zou hebben genoemd in zijn naam. Maar goed, de klokkenluiders en de vooralsnog vrije pers hebben onlangs met succes*) de vinger gelegd op de zoveelste poging van de Volksrepubliek China, om via instituten en bedrijven invloed te krijgen in het Westen. Ik wil hier verder niet ingaan om deze abjecte strategie van China en de naïviteit van de VU, resp. het genoemde onderzoeksinstituut.  Het gaat mij hier en nu om iets anders. Wat mij sinds de berichten vooral bezig heeft gehouden, is dat in de verdediging van het Instituut met de Vele C’s een paar keer het woord ‘dialoog’ viel. Dit maakte me alert.

Van huis uit ben ik een vredelevend mens en gesteld op ‘verbinding’. Misschien ben ikzelf niet altijd tactisch, maar ik bemiddel uiteindelijk graag en zoek ook graag het compromis en, waar dat nodig is, de verzoening. Ik vermijd, als het even kan, polarisatie en escalatie, omdat zij oplossingen van echte problemen vaak in de weg staan en omdat zij conflicten verdiepen en bestendigen. Positief uitgedrukt: ik probeer bij meningsverschillen en belangentegenstellingen zo lang mogelijk de dialoog aan te gaan, te onderhouden en te bevorderen.

In mijn theologische, kerkelijke werk betekent dit bijvoorbeeld, dat ik wars ben van dogmatisme en meestal mijn kaarten zet op de oecumene binnen het christendom en in het religieuze veelstromenland. Ook als personeelsadviseur, een beroep waarin ik soms te maken heb met krakende voegen in organisaties, heb ik een gereedschapskist, waarin het Goede Gesprek bovenaan ligt. Politiek en maatschappelijk sta ik links van het midden en houd ik me verre van alles wat de tegenstellingen op scherp zet. En ten slotte: zerotolerance dient voor mij een laatste middel te zijn en verboden en plichten dienen pas te worden ingezet, als andere vormen van gedragsbeïnvloeding niet meer werken en als er echt schade dreigt te ontstaan. Dialoog is overal de eerste en voor de hand liggende strategie.

Ik heb door schade en schande echter ook geleerd om kritisch te onderscheiden. Het woord dialoog wordt vaak onkritisch, naïef of misschien zelfs moedwillig verhullend gebruikt. Juist op die momenten zouden we oplettend moeten zijn. Ja, dialoog is een middel om het gesprek te starten gaande te houden, zolang en onder voorwaarde dat dit gesprek nog open is en als we aan waarheidsvinding doen. Ja, dialoog is een middel om het samenleven te bevorderen, zolang het waardige leven van individuen niet op het spel staat. Ja, dialoog is de favoriete methode van gesprek, als ze is ingebed in de bereidheid tot rationaliteit.

Dialoog kan echter niet het laatste woord zijn, als onze gesprekspartners mensenrechten labelen als een culturele malligheid van ‘Het Westen’, zoals de bekende Volksdictaturen het zo graag framen. Dialoog is een vorm van beleefdheid en een gespreksopener, maar kan nooit het bepalende kader zijn in gesprekken met mensen, die aperte onjuistheden en onzinnigheden op het gebied van volksgezondheid verkondigen. Dialoog is niet de opperste spelregel in het gesprek met diegenen, die zich bewust niet door experts laten informeren, die zich onterecht kennis aanmatigen en die mij willen verleiden tot een gesprek over iets, waarvan zij noch ik kaas hebben gegeten, zoals virologie.

Dialoog mag, ja moet vaak plaats maken voor een argumentatief gesprek, voor discussie en debat, met als inzet het vinden van de waarheid. En er mogen misschien geen ultieme waarheden bestaan in dit ondermaanse: wie voor zichzelf de weg naar de waarheid resoluut afsluit, is niet serieus te nemen als gesprekspartner. Het is dan haar of zijn eigen keuze, om zichzelf uit te sluiten van het gesprek.

*) Dankzij de publiciteitsgolf is deze financiële navelstreng vooralsnog doorgesneden.

“Je m’accuse.” De progressieve zelfkastijding

“We moeten meer luisteren naar de anderen. We moet meer begrip hebben. We moeten inzien dat wij makkelijk praten hebben. We moeten geduld hebben. We moeten niet polariseren. We moeten niet uitsluiten. We moeten mensen de tijd geven. We moeten niet zo neerkijken op anderen. We moeten mensen niet over één kam scheren. We moeten niet denken dat wij betere mensen zijn. Wij moeten ermee ophouden alles beter te willen weten. We moeten inzien, dat onze mening ook maar een mening is. We moeten de dialoog aangaan.”

***

Progressief geaarde mensen hebben een moraliserende neiging en een moralistisch karakter. Dat wordt hun geregeld verweten. Dit is op zich niet opzienbarend. Het ligt in het aard van een progressief mens, zichzelf sterk te oriënteren aan waarden en normen en anderen daaraan te meten. Dat is bij conservatieve zielen ook enigszins het geval, maar deze zijn veel minder monomaan. Het maakt progressieven al met al niet populair.

Libertairen, hedonisten, bewust ongeïnformeerden, fundamentalisten en identiteitsgedrevenen: die hebben hiervan geen last. En naarmate deze groepen de maatschappelijke en politieke discussies domineren – niet zozeer doordat ze in de meerderheid zijn (dat zijn ze niet), maar doordat ze erg luid en mediageniek zijn – komen die saaie, betweterige progressieven in het nauw – samen met conservatieven, maar in veel sterkere mate.

Progressieven zijn geen gezellige (in de zin van natuurlijk-sociale) mensen. Hun moralisme is – anders dan het genuanceerde moralisme van de conservatief – mateloos en werkt anderen op de zenuwen. Ze zijn op ongepaste momenten bloedserieus en maken eventueel van alles een punt. Ze grijpen op bestraffende wijze in tijdens gesprekken, niet zozeer omdat ze het inhoudelijk ergens niet mee eens zijn, maar vooral omdat ze zich storen aan vormfouten, bijvoorbeeld aan een incorrecte formulering of een valse toonzetting. Ze zijn dan plaatsvervangend gekwetst voor degenen die ze ongevraagd menen te moeten vertegenwoordigen en ze brengen de gesprekspartners in het openbaar de etiketten bij.

Het tragische van progressieve, zichzelf weldenkend achtende mensen is, dat ze zichzelf voor de voeten lopen. Dit heeft te maken met het ongeremde, ja ontremde van hun moralisme.  De progressieve moralist wil immers ‘consequent’ zijn. En dat ‘consequent willen zijn’ ontwikkelt een irrationele paradoxale, zelfdestructieve dynamiek.  Het progressieve moralisme houdt zichzelf niet in de hand. Het brengt niet alleen schade toe aan relaties, maar het keert zich ook tegen de progressieve moralist of de moraliserende progressief zelf. In haar of zijn hypercorrectheid legt zij of hij een knoop in haar op zijn eigen tong en slikt hij of zij zoveel ‘foute’ woorden in, dat zij of hij bijna erin stikt.

Het summum van dit ontsporende moralisme en deze progressieve zelf-afbraak is de verlammende zelfkritiek. De progressief is dan het mikpunt van zijn of haar eigen moralisme. En dan slaat dit moralisme op een paradoxale manier om: de progressief legt zichzelf het zwijgen op, juist en bij uitstek in discussies met mensen die lijnrecht tegenover haar of hem staan. De progressief vervalt in een zelfbeschuldiging en zelfkastijding, waarbij elke stalinistische rechter zijn vingers zou hebben afgelikt. Obsessief en mantra-achtig klinken de hierboven geciteerde zinnen.

Met zulk een overspannen geweten, heeft de progressief geen tegenstanders meer nodig. Zo graaft hij of zij het eigen maatschappelijke graf. Dit mechanisme is structureel ingebakken in het progressieve moralisme, waarin de formele deugd van de consequentheid een meta-waarde is. Kunnen progressieven van anderen, bijvoorbeeld van conservatieven, leren om wat minder consequent te zijn? Het zou de eigenlijke, inhoudelijke waarden, waarvoor ze staan, ten goede komen.

Of maakt deze meta-zelfkritiek het alleen maar erger?

Begrip werkt niet (meer).

In mijn woonland woedt een heftig debat over de invoering van een corona-vaccinatieplicht. Voor een deel is dit een discussie voor fijnproevers, over de juridische, wijsgerige, wetenschappelijke, levensbeschouwelijke en ethische aspecten van de thematiek. In feite is ze vooral een zoveelste fase in een debat over de fundamentele vraag, wat we als samenleving van elkaar mogen vragen. Het gaat om niet meer en niet minder dan om de vraag, of we van elkaar mogen verwachten om rekening te houden met elkaar en om niet te spelen met vuur.

De tegenstanders van een directe of indirecte vaccinatieplicht* zijn veelkleurig. Dominant zijn uiteraard de tegenstanders van vaccinatie als zodanig. Er zijn echter ook anderen, die de redelijk zelve zijn en die zichzelf bijvoorbeeld laten vaccineren, maar die vooral bezorgd zijn over de effecten van het huidige beleid, de aangekondigde vaccinatieplicht incluis. Genoemd worden dan discriminatie of tweedeling en polarisatie of tweedracht. Zelf sta ik nog open in de discussie. Hier wil ik echter stilstaan bij de genoemde argumentatie vanuit de gevolgen.

Discriminatie of tweedeling

Er dreigen inderdaad mensen te worden gediscrimineerd. Ik denk dan aan degenen die niet worden bereikt door de campagnes en de voorlichting, aan de mensen die door armoede andere zorgen aan hun hoofd hebben, aan de mensen die door aanleg of omstandigheden leven van dag tot dag en van de hand in de tand, aan de mensen voor wie daardoor het maken en plannen van een prikafspraak een heidens karwei is. Deze groep verdient inderdaad alle aandacht en mag niet van de regen in de drup worden gebracht. Dat bij de inrichting en de uitvoering van het coronabeleid meer specifieke aandacht nodig is voor deze groep: dat staat als een paal boven water. (Overigens staat deze groep al lang in de kou. Cynisch genoeg wordt ze blijkbaar nu pas ontdekt.)

Het probleem ontstaat voor mij, als er ongespecificeerd wordt gesproken over ‘discriminatie’ en als er een slachtofferrol wordt toegekend aan diegenen, die bewust en moedwillig excentrieke en irrationele standpunten eropna houden en die deze denkbeelden moedwillig en op provocerende aard omzetten in daden. Bij deze groep is er geen sprake van discriminatie, maar gewoon van het automatisme van de gevolgen van eigen handelen. Spreken over een generieke discriminatie is een gotspe. En het helpt de discussie niet verder.

Polarisatie of tweedracht (‘Spaltung’)

Inderdaad bestaat er polarisatie rond het onderwerp corona. Die wordt echter niet veroorzaakt door het coronabeleid van welke regering ook. Ze is er allang. Het is de polarisatie die is ontstaan door onredelijke extreme standpunten van ‘dwarsdenkers’, standpunten die helaas soms ontactische en ongenuanceerde reacties van ‘weldenkenden’ oproepen. Ze is echter geen gevolg van het beleid. Nieuwe fases in het beleid, zoals een eventuele invoering van een vaccinatieplicht, kunnen deze polarisatie wellicht versterken. Dat komt dan echter eerder, doordat de tegenstanders van het beleid elke nieuwe fase als koren op hun molen zien. Ook de verwijzing naar de polarisatie is dus geen vruchtbare bijdrage aan de discussie.

Overigens ben ik inmiddels immuun geworden voor oproepen tot meer begrip, ‘serieus nemen’ en ‘dialoog’  Op zich ben ik een fan van de-escalatie en de-polarisatie. Het dringt echter steeds meer tot me door, dat deze strategie niet (meer) werkt. Bij de bestrijding van extremisme van welke soort ook, is zij in de afgelopen jaren een doodlopende weg gebleken. Begrip leidt er vrijwel nooit toe, dat de polarisatie afneemt, dat agressie wordt getemperd of dat extremisme wordt gematigd. In de meeste gevallen zien de extremisten begrip als een beloning – en dus als aanmoediging – om nog een tandje bij te zetten. Luisterende oren en zachte handen hebben zelfs geleid tot radicalisering en bereidheid tot geweld – op dit moment concreet tot aanslagen op politici.

In het publieke straatgevecht rond het coronabeleid is het zinloos – of in elk geval te laat – om door begrip de gemoederen tot bedaren te brengen. Het enige dat werkt is een rechtstaat die haar grenzen aangeeft en daarbinnen een open en rationele discussie op basis van informatie en argumenten, een discussie die respectvol, geweldloos  en beleefd wordt gevoerd – maar zonder begrip voor datgene, wat in zichzelf niet vatbaar is voor begrip, omdat het moedwillig onredelijk is.

* Onder indirecte plicht of dwang versta ik hier de uitsluiting van ongevaccineerden van bepaalde delen van de collectieve of zelfs publieke ruimte.

De achterkamertjes van Mozes

Preek, gehouden op 17 oktober 2021 in de remonstrantse kerk in eindhoven

Lezing: Exodus 31, 18 – 33,12

Leeswaarschuwing: deze tekst omvat 2000 woorden.

Nu de pandemie enigszins begint te luwen en beheersbaar lijkt, houden de geleerden zich bezig met nieuwe vraagstukken rond COVID19. Eén van die nieuwe onderwerpen is het verschijnsel ‘long covid’. Hiermee zijn de gevolgen bedoeld, die een infectie op lange termijn heeft, bijvoorbeeld in de vorm van chronische symptomen en beperkingen.

Ziektes zijn altijd geschikte metaforen. En zo rijst de vraag, of er misschien ook wel een collectieve vorm van ‘long covid’, in overdrachtelijke zin, bestaat. Nu de acute fase voorbij lijkt en we weer voorzichtig terugkeren tot de normaliteit, is er dan misschien iets onomkeerbaar veranderd in de samenleving? Er zijn misschien al enkele voorboden van wat ons te wachten staat. Zo kunnen we wel zeggen, dat de polarisatie in de samenleving – een polarisatie die er de laatste jaren al was – de laatste achttien maanden in hevigheid is toegenomen en scherper is geworden. Het wantrouwen in instituties, bestuurders en wetenschap heeft zich verbreed, verdiept en uit zich steeds agressiever. En de reactie hierop van zogenaamd weldenkende mensen is ook niet altijd tactisch en handig. Gaat deze polarisatie een vast bestanddeel worden van ons samenleven, postcorona?

Zoals gezegd: helemaal nieuw is dit fenomeen niet. Meer dan ooit wordt er de laatste jaren met argusogen gekeken naar onze bestuurders. Wat voeren ze in hun schild? En hebben ze het wel goed met ons voor? Er wordt geroepen om meer openbaarheid en zogenaamde transparantie. De kaarten moeten op tafel. Er wordt niet voetstoots aangenomen, dat het alleen maar integriteit is, wat de klok slaat. Dit hele verschijnsel is nogal dubbelzinnig.

Aan de ene kant hebben achterdocht en weetgierigheid een rationele, gezonde kant. Wantrouwen en nieuwsgierigheid zijn uitingen van betrokkenheid bij de politiek en de samenleving. Gezond wantrouwen voorkomt dat men onverschillig en ongeïnteresseerd is. En gezonde nieuwsgierigheid dwingt bestuurders dwingt tot rekenschap en verantwoording. En zijn er niet voldoende redenen te noemen voor gezonde achterdocht en voor de roep om transparantie? Ik noem enkele trefwoorden: de toeslagenaffaire; de manier waarop de wereld twintig jaar geleden, na de aanslagen in New York, betrokken werd bij oorlogen in het Midden-Oosten – met als uiteindelijk resultaat nog meer terrorisme en de terugkeer van de Taliban in Afghanistan; een potsierlijk, tenenkrommend en inmiddels levensgevaarlijk formatieproces in de Nederlandse politiek; financieel gerommel in de uitvoering van het Coronabeleid. Is er niet alle reden, om ook de politiek, op alle niveaus, bij alle vertrouwen waarvan de democratie leeft, tegelijk goed in de gaten te houden? Is er geen tijd voor een ‘nieuw sociaal contract’, zoals sommigen dat noemen?

Aan de andere kant is de argus-blik niet altijd rationeel en heilzaam. Vaak komt deze ook voort uit gevoelens, zoals wanhoop of frustratie. We hebben immers allemaal min of meer behoefte aan perspectief, zekerheid en houvast. Een perspectief, een zekerheid en een houvast, die de politiek en het bestuur niet bieden, althans niet voldoende bieden naar onze smaak. En dat kan ons wel eens razend maken. Dit heeft echter een tragische kant. Als bestuurders geen boter bij de vis geven, is dat niet altijd een kwestie van onwil of incompetentie. Het heeft ook ermee te maken, dat politiek en bestuur nu eenmaal niet alles kunnen. Ik herinner me nog goed de woorden van Pim Fortuyn, nota bene de Nederlandse populist van het eerste uur, die in zin verkiezingscampagne zei: “Ik kan niet al uw problemen oplossen!” De politiek kan niet alles weten. Ze kan evenmin alles doen. Ze heeft geen kristallen bol en geen toverstaf. Ze moet ook nee verkopen. Ze moet ook toegeven, dat haar plannen maar een beperkte houdbaarheid hebben en een hoog improviserend gehalte hebben.

Politiek kan dus niet alles bieden – maar daarbij blijft het niet. Het is nog erger: ze moet, als ze eerlijk is,  ook wat vragen van ons burgers. Ze  mag en moet van ons wat vergen. Ze mag en moet eisen aan ons stellen. (In het Duits heet dat zo mooi: ze kan ons iets ‘zumuten’.) Ze kan offers van ons vragen: een soberder consumptiepatroon bijvoorbeeld, omwille van het klimaat; hogere belastingen, om infrastructuur te moderniseren; tijdelijke beperkingen van onze bewegingsvrijheid, in het kader van pandemie-bestrijding – of in het afweren van andere gevaren. Uiteraard staat de politiek daarbij ook voor dilemma’s en afwegingen. Maar in elk geval is de politiek ook een vragende partij en niet alleen de aanbieder van oplossingen – een rol die zowel middenpartijen als populisten jarenlang maar al te graag hebben opgenomen.

En dit alles frustreert niet alleen de burger, die het gevoel heeft dat haar of hem stenen voor brood worden gegeven. Dit frustreert ook de politiek, die niet kan omgaan met de grenzen van de macht, met haar machteloosheid. Het verklaart wellicht de onwil van politici, om echte verantwoordelijkheid te nemen, zoals in Nederland op dit moment – en in Duitsland moeten we nog afwachten wat er gebeurt. Het verklaar wellicht ook, waarom er zo weinig jonge, getalenteerde mensen kiezen voor een politieke loopbaan.

Uit deze frustratie, uit deze machteloosheid ontstaat een merkwaardige reflex. Als de complexe en weerbarstige werkelijkheid de machtigen beperkt in hun zicht en in hun speelruimte… als onze vragen niet kunnen worden beantwoord en onze behoeften niet kunnen worden vervuld… als dat allemaal zo is: dan scheppen we toch gewoon een andere werkelijkheid? Zowel burgers als bestuurders lijken in deze val te trappen. We sluiten onze ogen voor de realiteit of denken haar weg. Corona bestaat niet of valt wel mee. Of we reduceren of retoucheren de complexiteit van de werkelijkheid, door zondebokken aan te wijzen of door onszelf makkelijke oplossingen voor te spiegelen. Als de feiten vervelend  zijn en moeilijk doen, dan kijken we toch de andere kant op of scheppen we desnoods toch nieuwe, alternatieve feiten? Daaraan doet de traditionele politiek helaas evengoed mee, als de burger. En zo houden we elkaar voor de gek.

***

Dit hoef je Mozes niet allemaal te vertellen. Het bekende verhaal van het gouden kalf is een klassiek verhaal over deze problematiek.

Met de moed der wanhoop en vage vooruitzichten is het volk, onder zijn leiding en bij nacht en ontij, weggevlucht uit een land, waarin het met de rug tegen de muur stond. (Het herinnert sterk aan de vertwijfelde menigte op het vliegveld van Kaboel enkele weken geleden.) De vlucht gebeurde nogal ongestructureerd. Het enige plan was de vlucht naar voren. En nu is het project in een nieuwe fase terecht gekomen. Hoe nu verder? Met een understatement kan nog worden gezegd, dat Mozes’ planning een kwestie is van ‘work in progress’. De route zowel als het doel worden onderweg uitgewerkt en geconcretiseerd. (Ook dit is heel herkenbaar, als we terugdenken aan de persconferenties op dinsdagavond in de afgelopen anderhalf jaar.) Dit is accuraat, moeizaam en tijdrovend werk, een kwestie van passen en meten, wikken en wegen, experimenteren en improviseren. Mozes trekt zich daarom, samen met intimi, af en toe terug in achterkamertjes, als het ware met een bordje ‘niet storen’ op de deur. Daar gaat hij in beraad met degene, die uiteindelijk het vage plan heeft geopperd, de Levende God.

Mozes heeft soms wel erg lang nodig voor zijn denkwerk en laat zich dan ook niet zien. Dit frustreert zijn achterban steeds meer en werkt zijn volksgenoten op den duur op hun zenuwen. De roep om transparantie wordt steeds luider. ‘Wat voert Mozes in zijn schild?’ En niet alleen de achterdocht en de wanhoop groeit. De perverse creativiteit in het scheppen van alternatieve feiten evenzeer. ‘Als er al geen God bestaat, die echt uitzocht en houvast biedt, die antwoorden geeft op onze vragen en oplossingen heeft voor al onze problemen, dan maken we die toch?’

En vanuit dit motto zet het volk, het wachten moe, Aaron onder druk. Deze kan, met het mes op de keel, niet anders kan dan meedoen met de tenenkrommende schijnvertoning, niet anders kan dan een tandeloze god ten tonele voeren, die een gemakkelijke, irreële weg naar geluk voorspiegelt.

Als Mozes eindelijk van de berg afkomt, is het onheil al geschied. Het eigenlijke probleem is echter niet, dat hij te laat is. Het eigenlijke probleem is, dat hij gewoon echt niet heeft, wat het volk al die tijd verwachtte: antwoorden en oplossingen. In de plaats van recepten en formules zijn de in steen gehouwen tien woorden immers… eisen, vorderingen, beproevingen. Dit kan door het volk alleen maar worden opgevat als een provocatie. Letterlijk en figuurlijk heeft Mozes voor zijn volk stenen voor brood in de aanbieding. En Mozes zelf – in frustratie en woede jegens zichzelf, zijn volk en God – Mozes zelf smijt de twee stenen tafelen aan diggelen, de twee documenten waaraan zo lang is gewerkt, waarop zo lang is gewacht. (Het is vergelijkbaar met de frustratie, de woede van zoveel bestuurders: over hun eigen onmacht en machteloosheid en over het gebrek aan erkenning van hun moeizame werk van passen en meten, wikken en weken.)

***

Het verhaal  van het ‘gouden kalf’ is natuurlijk meer dan een metafoor of een parabel voor politiek. Ze gaat ook over religie en geloof. Ook op dit gebied zijn vaak het nodige ongeduld en de nodige frustratie te bespeuren. Voelen we ons, in onze hunkering naar troost en roze wolken, niet al te vaak afgescheept met de boodschap van theologen en predikanten, dat het geloof meer vragen oproept dan beantwoordt? Dat God altijd een raadsel, een geheim zal blijven, de door afwezigheid schitterende luis in de pels van de geschiedenis?

Smijten we dat ontoegankelijke, warrige boek van de bijbel niet maar al te vaak woedend in de hoek? Woedend omdat het geen antwoorden geeft, maar ons, als we het oprecht lezen, telkens weer uitdaagt om alles op een andere manier te bekijken? Woedend omdat de bijbel eigenlijk geen troost biedt, maar ons moreel onder druk zet en ondervraagt? Woedend omdat dit boek ons niet alwetend maakt, maar ons zijn eigen vragen stelt, op de eerste plaats de vraag: “Waar is je broeder? Waar is je zuster?” Zoeken we daarom onze toevlucht niet liever in theorieën en praktijken, waarin ons denkwerk, tegenstrijdigheden en raadsels worden bespaard en die een weg plaveien naar mooie spirituele ervaringen?

Ik kan op deze plek, op persoonlijke theologische titel, alleen maar zeggen dat we het er blijkbaar maar mee moeten doen. Dat we het maar moeten doen met raadsels. Natuurlijk: deze uitspraak komt soms ook voort uit gemakzucht of uit een intellectueel snobisme, omdat het zo chic is om aan alles te twijfelen. Het is echter uiteindelijk gewoon heel reëel en realistisch, om toe te geven dat we hooguit op zeer indirecte wijze iets kunnen zeggen over het goddelijke geheim. Dat is geen reden om de zoektocht daarnaar op te geven, maar we moeten niet verbaasd en gefrustreerd opkijken, als die zoektocht ons teleurstelt, als ze niet wordt beloond met een pleister op al onze wonden, als het resultaat voorlopig niet meer is dan een onrustig geweten.

Ons geloof belooft ons in eerste instantie niet, dat de sluiers worden weggehaald voor het mysterie van het goddelijke. We krijgen geen doorkijkjes of inkijkjes. Wie gelooft krijgt niets te zien, tenzij uiterst indirect, in de vorm van sporen en spiegelbeelden. We kijken God niet in de ogen, maar voelen zijn blik in onze richting priemen in de ogen van de noodlijdende medemens.

Natuurlijk. Er is die andere belofte. Die belofte in tweede instantie, dat we ooit, ergens, aan gene zijde van de horizon van de geschiedenis, zullen ‘zien van aangezicht tot aangezicht’, zoals Paulus het zegt in zijn eerste brief aan de gemeente van Korinthe. Er is inderdaad die belofte. Maar meer ook niet. We kunnen die belofte niet verzilveren voor zijn tijd. En tot die tijd moeten we het hebben van geloof, hoop en vooral liefde, zoals Paulus het zegt. Om het te zeggen in de taal van Exodus: tot die tijd hebben we niet meer, maar ook niet minder, dan die twee stenen tafelen. Meer zit er voorlopig niet in.

Amen

Op het tweede gezicht – over de onnodige polarisatie rond identiteitspolitiek

Wat zie ik als ik in de spiegel kijk? Ik zie mezelf, een unieke mens, wiens gelaatstrekken boekdelen spreken. Ik zie het geciseleerde landschap van huidplooien: de rimpelingen op het vlak van een stil water met diepe gronden. Signalen van onuitgesproken zielenroerselen. Ik zie het ondeelbare en niet uitwisselbare individu dat ik ben. Ik zie een gelaat dat zijn DNA en zijn ik-besef van de daken schreeuwt. Dat bovendien in alle vrijheid smoelen kan trekken en met zijn elastische lippen woorden kan vormen, waarbij ik straks de daden zal voegen. Ik ben ik. Ik ben vrij.

Op het tweede gezicht zie ik verontrustend genoeg ook de grote gemene deler. Zo word ik op mijn nummer gezet en wordt mijn ik van zijn troon gestoten. Ik zie de viervoeter. Ik zie de man. Ik zie de witte man, de Nederlander, wiens vader zeventig jaar geleden zijn dienstplicht moest vervullen in een vuile oorlog in het verre oosten. Ik zie de consument die op krediet leeft bij de planeet en bij medemensen aan de andere kant daarvan. Ik zie de katholieke theoloog en de spreker van een Germaans deltadialect, die niet anders kan dan denken in dat rare taaltje en wiens gedachten door dat taaltje zijn gestanst. Hoezo individu? Hoezo vrijheid?

Ik ben ik. Ik ben lid. Het is misschien wel allebei waar. Ik ben een onverwisselbare eenling met zijn zelfbewustzijn en zijn vrijheid, de kampioen van de westerse wijsbegeerte vanaf de renaissance. Ik ben echter ook een exemplaar van een soort, een groep, een exemplaar met een serienummer. Ik ben ook een voorbijganger, met een met anderen gedeelde geschiedenis achter en op de rug en met een daardoor grotendeels voorbestemde toekomst voor de boeg. Mijn speelruimte is beperkt.  

Ik leef in twee waarheden. Maar meer dan dat. Individualiteit enerzijds en lidmaatschap van een groep of soort anderzijds impliceren elkaar ook. Aan de ene kant zijn de coördinaten waarin ik ben geboren en getogen – ook de coördinaten van de verschillende groepen waartoe ik ‘intersectioneel’ behoor – voor ieder mens uniek en geven ze een heel eigen kleur aan mijn levensgeschiedenis, om maar een voorbeeld te noemen.  Aan de andere kant leeft een groep of gemeenschap van het feit, dat ze wordt gedragen, belichaamd en voortgeleefd in individuen. Zelfs de schuld die de geschiedenis van mijn land op mijn schouders legt kan ik alleen maar dragen, omdat ik een verantwoordelijk te stellen subject ben.

Ja, ik ben lid en deel van meerdere gehelen. Maar ik ga daar niet in op. Ik ben geen gevangene van de groep, de gemeenschap, de categorie waartoe ik hoor, maar ontstijg die ook. Ja, ik ben individu en onverwisselbaar subject. Maar wel een concreet ingebed subject. Ik leef niet in het luchtledige.  Het feit dat deze dubbelheid van het menselijk bestaan niet wordt erkend, is de oorzaak van de bittere strijd, die op dit moment wordt gevoerd tussen de identiteitspolitici enerzijds en de liberale individualisten, die hen bestrijden, anderzijds.

Identiteitsdenkers hanteren een reductionistisch en essentialistisch mensbeeld, waarin mensen restloos worden herleid tot hun groep, gemeenschap of categorie. De term intersectionaliteit lijkt het te nuanceren, maar geeft dit denken alleen maar een uiterlijke schijn van genuanceerdheid. In feite is het gewoon een manier van gewichtig doen.

De individualisten op hun beurt miskennen, dat een individu nooit op zichzelf staat. Al verhoud ik me reflexief, kritisch en afstandelijk tot de geschiedenis en de gemeenschap waarvan ik deel uitmaak – en transcendeer ik die daarmee dus tot op zekere hoogte: ik ben er, als individu, onlosmakelijk mee verweven. Alleen wie een abstract mensbeeld erop nahoudt, kan dit miskennen. En de individualisten kiezen blijkbaar daarvoor.

Kortom: geen individu zonder groep, geen groep zonder individu. Groepen zonder individuen zijn blind, individuen zonder groepen inhoudsloos. Wie in deze spanning kiest voor één van de polen, bestendigt en verhevigt de polarisatie in veel actuele discussies.