Monthly Archives: januari 2022

Dialoog: ja en nee

Achter de lelijke afkorting CCHRC gaat een onderzoeksinstituut aan de Vrije Universiteit in Amsterdam schuil. Géén van de vele C’s staat voor ‘Chinees’. Het zou echter eerlijk zijn geweest, als het zogenaamde Cross Cultural Human Rights Centre de voornaamste sponsor en broodheer zou hebben genoemd in zijn naam. Maar goed, de klokkenluiders en de vooralsnog vrije pers hebben onlangs met succes*) de vinger gelegd op de zoveelste poging van de Volksrepubliek China, om via instituten en bedrijven invloed te krijgen in het Westen. Ik wil hier verder niet ingaan om deze abjecte strategie van China en de naïviteit van de VU, resp. het genoemde onderzoeksinstituut.  Het gaat mij hier en nu om iets anders. Wat mij sinds de berichten vooral bezig heeft gehouden, is dat in de verdediging van het Instituut met de Vele C’s een paar keer het woord ‘dialoog’ viel. Dit maakte me alert.

Van huis uit ben ik een vredelevend mens en gesteld op ‘verbinding’. Misschien ben ikzelf niet altijd tactisch, maar ik bemiddel uiteindelijk graag en zoek ook graag het compromis en, waar dat nodig is, de verzoening. Ik vermijd, als het even kan, polarisatie en escalatie, omdat zij oplossingen van echte problemen vaak in de weg staan en omdat zij conflicten verdiepen en bestendigen. Positief uitgedrukt: ik probeer bij meningsverschillen en belangentegenstellingen zo lang mogelijk de dialoog aan te gaan, te onderhouden en te bevorderen.

In mijn theologische, kerkelijke werk betekent dit bijvoorbeeld, dat ik wars ben van dogmatisme en meestal mijn kaarten zet op de oecumene binnen het christendom en in het religieuze veelstromenland. Ook als personeelsadviseur, een beroep waarin ik soms te maken heb met krakende voegen in organisaties, heb ik een gereedschapskist, waarin het Goede Gesprek bovenaan ligt. Politiek en maatschappelijk sta ik links van het midden en houd ik me verre van alles wat de tegenstellingen op scherp zet. En ten slotte: zerotolerance dient voor mij een laatste middel te zijn en verboden en plichten dienen pas te worden ingezet, als andere vormen van gedragsbeïnvloeding niet meer werken en als er echt schade dreigt te ontstaan. Dialoog is overal de eerste en voor de hand liggende strategie.

Ik heb door schade en schande echter ook geleerd om kritisch te onderscheiden. Het woord dialoog wordt vaak onkritisch, naïef of misschien zelfs moedwillig verhullend gebruikt. Juist op die momenten zouden we oplettend moeten zijn. Ja, dialoog is een middel om het gesprek te starten gaande te houden, zolang en onder voorwaarde dat dit gesprek nog open is en als we aan waarheidsvinding doen. Ja, dialoog is een middel om het samenleven te bevorderen, zolang het waardige leven van individuen niet op het spel staat. Ja, dialoog is de favoriete methode van gesprek, als ze is ingebed in de bereidheid tot rationaliteit.

Dialoog kan echter niet het laatste woord zijn, als onze gesprekspartners mensenrechten labelen als een culturele malligheid van ‘Het Westen’, zoals de bekende Volksdictaturen het zo graag framen. Dialoog is een vorm van beleefdheid en een gespreksopener, maar kan nooit het bepalende kader zijn in gesprekken met mensen, die aperte onjuistheden en onzinnigheden op het gebied van volksgezondheid verkondigen. Dialoog is niet de opperste spelregel in het gesprek met diegenen, die zich bewust niet door experts laten informeren, die zich onterecht kennis aanmatigen en die mij willen verleiden tot een gesprek over iets, waarvan zij noch ik kaas hebben gegeten, zoals virologie.

Dialoog mag, ja moet vaak plaats maken voor een argumentatief gesprek, voor discussie en debat, met als inzet het vinden van de waarheid. En er mogen misschien geen ultieme waarheden bestaan in dit ondermaanse: wie voor zichzelf de weg naar de waarheid resoluut afsluit, is niet serieus te nemen als gesprekspartner. Het is dan haar of zijn eigen keuze, om zichzelf uit te sluiten van het gesprek.

*) Dankzij de publiciteitsgolf is deze financiële navelstreng vooralsnog doorgesneden.

“Je m’accuse.” De progressieve zelfkastijding

“We moeten meer luisteren naar de anderen. We moet meer begrip hebben. We moeten inzien dat wij makkelijk praten hebben. We moeten geduld hebben. We moeten niet polariseren. We moeten niet uitsluiten. We moeten mensen de tijd geven. We moeten niet zo neerkijken op anderen. We moeten mensen niet over één kam scheren. We moeten niet denken dat wij betere mensen zijn. Wij moeten ermee ophouden alles beter te willen weten. We moeten inzien, dat onze mening ook maar een mening is. We moeten de dialoog aangaan.”

***

Progressief geaarde mensen hebben een moraliserende neiging en een moralistisch karakter. Dat wordt hun geregeld verweten. Dit is op zich niet opzienbarend. Het ligt in het aard van een progressief mens, zichzelf sterk te oriënteren aan waarden en normen en anderen daaraan te meten. Dat is bij conservatieve zielen ook enigszins het geval, maar deze zijn veel minder monomaan. Het maakt progressieven al met al niet populair.

Libertairen, hedonisten, bewust ongeïnformeerden, fundamentalisten en identiteitsgedrevenen: die hebben hiervan geen last. En naarmate deze groepen de maatschappelijke en politieke discussies domineren – niet zozeer doordat ze in de meerderheid zijn (dat zijn ze niet), maar doordat ze erg luid en mediageniek zijn – komen die saaie, betweterige progressieven in het nauw – samen met conservatieven, maar in veel sterkere mate.

Progressieven zijn geen gezellige (in de zin van natuurlijk-sociale) mensen. Hun moralisme is – anders dan het genuanceerde moralisme van de conservatief – mateloos en werkt anderen op de zenuwen. Ze zijn op ongepaste momenten bloedserieus en maken eventueel van alles een punt. Ze grijpen op bestraffende wijze in tijdens gesprekken, niet zozeer omdat ze het inhoudelijk ergens niet mee eens zijn, maar vooral omdat ze zich storen aan vormfouten, bijvoorbeeld aan een incorrecte formulering of een valse toonzetting. Ze zijn dan plaatsvervangend gekwetst voor degenen die ze ongevraagd menen te moeten vertegenwoordigen en ze brengen de gesprekspartners in het openbaar de etiketten bij.

Het tragische van progressieve, zichzelf weldenkend achtende mensen is, dat ze zichzelf voor de voeten lopen. Dit heeft te maken met het ongeremde, ja ontremde van hun moralisme.  De progressieve moralist wil immers ‘consequent’ zijn. En dat ‘consequent willen zijn’ ontwikkelt een irrationele paradoxale, zelfdestructieve dynamiek.  Het progressieve moralisme houdt zichzelf niet in de hand. Het brengt niet alleen schade toe aan relaties, maar het keert zich ook tegen de progressieve moralist of de moraliserende progressief zelf. In haar of zijn hypercorrectheid legt zij of hij een knoop in haar op zijn eigen tong en slikt hij of zij zoveel ‘foute’ woorden in, dat zij of hij bijna erin stikt.

Het summum van dit ontsporende moralisme en deze progressieve zelf-afbraak is de verlammende zelfkritiek. De progressief is dan het mikpunt van zijn of haar eigen moralisme. En dan slaat dit moralisme op een paradoxale manier om: de progressief legt zichzelf het zwijgen op, juist en bij uitstek in discussies met mensen die lijnrecht tegenover haar of hem staan. De progressief vervalt in een zelfbeschuldiging en zelfkastijding, waarbij elke stalinistische rechter zijn vingers zou hebben afgelikt. Obsessief en mantra-achtig klinken de hierboven geciteerde zinnen.

Met zulk een overspannen geweten, heeft de progressief geen tegenstanders meer nodig. Zo graaft hij of zij het eigen maatschappelijke graf. Dit mechanisme is structureel ingebakken in het progressieve moralisme, waarin de formele deugd van de consequentheid een meta-waarde is. Kunnen progressieven van anderen, bijvoorbeeld van conservatieven, leren om wat minder consequent te zijn? Het zou de eigenlijke, inhoudelijke waarden, waarvoor ze staan, ten goede komen.

Of maakt deze meta-zelfkritiek het alleen maar erger?