Monthly Archives: maart 2022

We hadden het kunnen en moeten weten.

“De neiging tot tweedracht en geweld, die in de aard van de mens ligt, is in de loop der geschiedenis alleen maar sterker geworden. Het veroveren van de vrede zal nog lang de grootste opgave blijven – en het zal veel strijd vergen, wil een verzoeningsgezinde mentaliteit de overhand krijgen.

We moeten onophoudelijk alert blijven en handelen. Wie slechts toeschouwt, wacht vergeefs erop, dat er vrede komt. Er komt alleen maar oorlog. De oorlog komt alleen al, als men niets ertegen doet. Niet aanvallen betekent nog niets. De oorlog is er eigenlijk al, zodra zich ergens een nietsontziende nationalistische macht nestelt. Een land dat wordt beheerst door het recht van de sterkste raakt vanzelf verzeild in een conflict. Ten onrechte nemen we aan, dat we moeten afgaan op de naar buiten gerichte uitlatingen van een regiem, om in te kunnen schatten hoe waarschijnlijk het is, dat er uit zijn aard oorlog voortkomt. In tegendeel! Zijn optreden in het binnenland is beslissend.

Als de overheden op dezelfde manier omgaan met hun eigen natie als een overwinnaar met een weerloos land, dan kunnen de buitenlandse toeschouwers op hun vingers natellen, waaraan ze toe zijn. Geen enkele regering kan naar believen haar mentaliteit omschakelen en, al naar gelang, haar eigen mensen op inhumane manier vertrappen, maar zich aan de rest van de wereld fijngevoelig en respectvol voordoen. Als een regering is gebouwd op de haat, dan wil ze met zekerheid ook de wereld in haar macht krijgen. Wie het eigen, gewillige volk voortdurend beliegt, van hem kunnen we ook verwachten, dat hij alles en iedereen beliegt.  De terreur, waarmee een doortrapte machthebber het door hem bedwongen land verziekt, is uiteindelijk ook slechts een teken voor datgene, wat anderen te wachten staat.”

De Duitse schrijver Heinrich Mann (1871-1950) schreef in 1933 de bovenstaande woorden, die werden opgenomen in De Haat, een bundel helderziende en verziende teksten, die de laatste tijd wordt herontdekt en geherwaardeerd. Heinrich Mann had zich al tijdens de Eerste Wereldoorlog van zijn kosmopolitische en pacifistische kant laten zien. Zo had hij met zijn satire De Onderdaan een meedogenloze karikatuur geschilderd van de ja-knikkende carrièrist, die in de Pruisische burgers sluimerde en die de loper uitrolde voor een gewelddadige dictatuur. Zijn broer Thomas (1875-1955) kwam pas in de jaren twintig tot inkeer. Hij was een vurig nationalist geweest, die vanachter zijn schrijftafel het oorlogvoerende keizerrijk had aangemoedigd. Bij hem ging de knop definitief om in de jaren dertig. (Bij veel collega-schrijvers viel de munt in die tijd helaas de andere kant op.) Twee kunstenaars, twee posities ten opzichte van hun land. 

Het feit dat Heinrich Mann in 1933 zo profetisch schreef – en dat ook zijn broer op dat moment de situatie begon te doorzien – was echter juist te danken aan hun kunstenaarschap, of preciezer: hun schrijverschap. Met groot empathisch vermogen en psychologisch inzicht waren ze in staat anderen te doorgronden en te ontmaskeren. Hun gevoel voor de nuances, registers en lagen van de taal, voor retoriek en voor de kwetsbaarheid van de taal, om te worden misbruikt voor propaganda: dat alles maakte hen ‘helderhorend’. Ze lieten zich door het stalen gezicht en de zalvende woorden van dictatoren niet bij de neus nemen. Thomas Mann beweerde zelfs, dat hij Hitler daarom zo goed doorzag, omdat hij zich in hem herkende. Hitler bediende zich immers van hetzelfde wapen als de schrijver: de taal. Met dieven vang je dieven…

In Die Zeit van afgelopen week opent het Feuilleton met de verzuchting: “Hadden we de afgelopen jaren maar beter geluisterd naar de kunstenaars uit Oost-Europa, die ons wakker wilden schudden.” Het is inderdaad te wensen, dat schrijvers en andere kunstenaars, met hun feilloze seismograaf, ons blijven waarschuwen voor naderend onheil – en dat politici en burgers hun signalen dan ook serieus nemen.