Author Archives: admin

Goddelijke muziek

Het gouden nazomerzonlicht scheerde over de grachten en klom op tegen de renaissancegevels. Uit de open ramen van een nobel huis klonken de al even gloedvolle klanken van barokviolen en gamba’s die Corelli speelden. Utrecht was eind augustus weer het thuis van het Festival Oude Muziek. De historische binnenstad, die eigenlijk in elk seizoen op haar best is, was een stukje hemel op aarde. Het was ook weer troostrijk voor melomanen als mij, dat de zalen voor de concerten nagenoeg vol zaten. (De aanblik van lege rijen bij concerten baart mij namelijk vaak nog meer zorgen dan die van lege kerken. Het geloof redt zichzelf uiteindelijk wel en vindt wel zijn weg – ook zonder volle kerken. Muziek lijkt echter vooral een kwetsbare onderneming van mensen.)

Indrukwekkend was onder andere de prestatie van de countertenor Philippe Jaroussky, die in Vredenburg-Tivoli 1700 luisteraars in zijn ban wist te brengen, bij hen een ongebroken concentratie afdwong en een uitzinnige slotovatie uitlokte. Hij verleidde als het ware zijn publiek – zoals we dat van hem gewend zijn. Anders dan de eerste generatie zangers met dit stemtype en deze zangtechniek, combineert hij namelijk de engelachtige klank van zijn bovenstem met lenigheid, wendbare uitdrukkingskracht en zelfs mannelijke sensualiteit. Jaroussky is geen quasi-castraat of een geslachtsloze cherubijn, doch eerder een met de zwaartekracht van al het aardse vechtende, gevallen engel. (Deze ambivalentie maakt hem ook zo geschikt voor het decadente Franse liedrepertoire uit het fin de siècle.)

Zoals veel hedendaagse ‘authentieke’ musici belichaamt Jaroussky de revolutionaire ontwikkeling die zijn muziekgenre heeft doorgemaakt in de afgelopen decennia. Was de ‘oude muziek’ aanvankelijk een academische, keurige en soms letterlijk calvinistische bezigheid, die de historische bronnen wilde opdelven en het eruit opwellende water wilde zuiveren: sindsdien is het een beweging waarin speelsheid, samenspel en speelvreugde de boventoon voeren – en waarin zelfs zoiets als cross-over mogelijk is. Noordwest-Europese protestanten als Gustav Leonhardt en de kostschoolcantor Eliot Gardiner deden een stapje terug ten gunste van in de zon gerijpte jong-wilde Fransen (zoals Jaroussky), zuiderlingen en Oost-Europeanen. Het accent is verschoven van verantwoorde reconstructie naar het – soms zelfs improviserend – tot leven brengen van muziek.

En zo krijgt het begrip ‘religieuze muziek’ – een genre dat in de oude muziek is oververtegenwoordigd – een nieuwe betekenis. Het religieuze gehalte van de oude muziek is niet meer beperkt tot het feit, dat componisten indertijd nu eenmaal gelovig waren en vaak religieuze teksten als ‘kapstok’ gebruikten. Het religieuze karakter heeft er precies mee te maken, dat de oude muziek de fase van de ‘historische reconstructie’ voorbij is. Zoals elke goede muziekuitvoering, doet de authentieke uitvoeringspraktijk de muziek herleven. Zij herschept. Meer nog: in haar openbaart de muziek zichzelf als iets goddelijks. Zodoende brengt zij ons in vervoering en voert ons weg ‘naar een betere wereld’, zoals een bekend Schubertlied zegt. Muziek verwijst niet naar religieuze inhouden uit verleden of heden, maar is een uitings- en belevingsvorm van religie tout court.

Misschien is het begrip ‘religieuze muziek’ dus wel een pleonasme. Als er goed muziek wordt gemaakt en als wij op de juiste manier ervan getuigen en ernaar luisteren, worden wij gedwongen om onze religieuze kaarten op tafel te leggen. Daar is niet veel voor nodig en het gaat vanzelf. Alleen al ademloos luisteren is amen zeggen.

***

De bovenstaande column verscheen eerder op De Bezieling.

 

Onbevangenheid II : Het verlies van onschuld

Over onbevangenheid gesproken… Met betrekking tot één bepaald onderwerp ben ik zelf mijn onbevangenheid inmiddels kwijt geraakt. Tot nu toe heb ik me met betrekking tot dit punt, namelijk Zwarte Piet, wat afzijdig gehouden. Ik vond de discussie erover nogal irrelevant en ‘gegenstandslos’. De emotionaliteit stond in geen verhouding tot het belang ervan. Zelfmedelijden en rancune voerden de boventoon terwijl er onnodig een probleem werd gecreëerd – of in elk geval groter werd gemaakt dan het was – en niet bestaande verbanden werden gesuggereerd. Als ik al iets inbracht in de discussie, dan was het een zucht van verbazing en vermoeidheid.

Sinds kort echter kan ik niet meer om de ‘discussie’ heen. De discussie zelf – of datgene wat ervoor doorgaat – heeft Zwarte Piet zijn onschuld, die hij m.i. vóór die discussie wel degelijk had, voorgoed ontnomen. De rancune die de tegenstanders van de schertsfiguur dreef, heeft inmiddels een nog grotere en dubieuzere rancune aan de andere kant opgeroepen. Zwarte Piet is nu zelfs het symbool geworden van het rechtse ressentiment van Pegida e.a. Wat mij betreft is dit voldoende reden om hem dan maar af te schaffen. Om van het gezeur af te zijn – maar vooral om onzindelijke misbruik van symbolen te voorkomen.

Bitter blijft het. De zichzelf bewierokende ‘slachtoffers’ van de geschiedenis hebben ten onrechte een probleem geschapen en op de toch al zo (met belangrijkere zaken) gevulde maatschappelijke agenda geplaatst. Erger nog vind ik dat aan de andere kant een element van datgene, wat men een ‘onschuldige kinderfeest’ noemt, wordt ingezet als een vehikel voor een duistere politieke agenda.

Weg met Zwarte Piet dus. En over tot de urgente orde van de dag.

Onbevangenheid I : Een deugd als conversation-stopper

In het interview met ‘twittertheoloog’ Alain Verheij (Trouw, 24 oktober jl.) stuitte ik op de volgende, een déjà-lu uitlokkende, uitspraak. “Ik merk dat ik niet zozeer interessant ben voor babyboomers, die veelal lijden onder kerkelijke trauma’s en frustratie. Maar bij mensen van pakweg onder de 45 merk ik dat ze vrij onbevangen kunnen luisteren naar wat ik als theoloog te melden heb.” In dit citaat frapperen mij enkele punten.

Op de eerste plaats is dat het feit, dat Verheij zichzelf indirect, maar niet minder nadrukkelijk, identificeert met (exacter: zich verschuilt achter) een generatie en deze generatie vervolgens voorziet van een licht aura van heldendom en slachtofferschap – met als keerzijde een milde banvloek over een andere generatie. Het is een inmiddels door diverse groeperingen toegepaste strategie om zichzelf een voorsprong te verschaffen in geschillen. (Overigens heb ook ik me regelmatig schuldig gemaakt aan deze tactiek. Het is tijd dat ik dit afzweer. Bij dezen.) 

Vervolgens rekt Verheij de categorie babyboomers nogal royaal op. Hij verlengt het einde van de geboortegolf gemakshalve met zo’n twee decennia – uiteraard zorgvuldig erover wakend dat hij zelf aan de goede kant van de streep blijft staan. Hij zelf is natuurlijk eeuwig jong.

Vooral echter valt mij op dat Verheij zich bedient van een nogal sleets geworden retorische zet: het beroep op de deugd der ‘onbevangenheid’. Opmerkelijk genoeg kwam ik dit beroep namelijk al tegen in de jaren negentig van de vorige eeuw. In die tijd ontmoette ik – vooral in mijn eigen, katholieke milieu – zowel neo-conservatieven als moegestreden en capitulerende ex-progressieven, die oude vormen en inhouden herontdekten en die voldaan of opgelucht vaststelden dat een jongere generatie, die zich zogenaamd niet had hoeven te ontworstelen aan allerlei al dan niet denkbeeldige knechtende omstandigheden, openstond voor dogmatische en rituele tradities.

Niet specifiek bij Verhey – die hier slechts zetten van anderen herhaalt – doch in het algemeen ervaar ik het beroep op de ‘onbevangenheid’ als nogal onbehaaglijk. Hiermee wordt in theologische debatten namelijk een retorische manoeuvre uitgehaald. De lof van de onbevangenheid (in feite vooral een impliciet verwijt jegens de ‘getraumatiseerden’ en ‘gefrustreerden’, dat zij bevangen zijn) gaat een inhoudelijke discussie over tradities uit de weg. Niet de inhoudelijke argumenten doen er toe, doch de stijl waarin en de houding waarmee gesprekken worden gevoerd, de esthetische en ethische kwaliteit ervan.

Concreet: de verbitterde oude generatie is ‘bevangen’ en speelt daardoor het spel niet fraai. Ze diskwalificeert zich daarmee bij voorbaat in de discussie. De ‘onbevangenen’ daarentegen (anders gezegd: degenen die ‘naar mij luisteren’, zoals Verheij het onthullend genoeg formuleert) hebben een voorsprong in de discussie en kunnen rekenen op een fors tegoed aan welwillendheid van de gesprekspartners. De strijd is dus al beslecht voordat voors en tegens zijn uitgewisseld.

Het beroep op de onbevangenheid is al met al een retorische conversation-stopper. Dat achter de ‘trauma’s en frustraties’ van de oudere generaties ook opvattingen schuilgaan, die de moeite van het gesprek waard zijn – en dat die achterliggende opvattingen soms ook naar voren worden gebracht en om antwoord of weerwoord vragen: dat wordt niet serieus genomen. Het gaat immers lang niet altijd om ongearticuleerd gebrom. 

In zekere zin is de manoeuvre die Verheij hier uithaalt begrijpelijk. Leden van een oudere generatie – ik kan erover meepraten – kunnen soms inderdaad nogal opvliegend reageren als hun ‘verworvenheden’ ter discussie worden gesteld. Ze moraliseren met taboes wel eens het gesprek – en bemoeilijken in die gevallen op hun beurt een kalme en zakelijke discussie. Zoals gezegd vertegenwoordigen de genoemde verworvenheden echter wel degelijk veel waardevols. Hopelijk durft een ‘nieuwe generatie’ ook de inhoudelijke discussie over die waarden aan te gaan.

Brompotten zeggen soms wel degelijk iets zinnigs. Je moet wel wat geduld met hen hebben. Anders blijven ze grommen en snauwen. In termen van Verheij: Zolang ‘wij’ ons niet voor hen interesseren, zijn ‘wij’ ook niet interessant voor hen. 

De gebodsman

Toen ik de zaal betrad, dacht ik aanvankelijk dat ik oog in oog stond met een godenbeeld uit een verdwenen cultuur. Een stevig gebouwde mannelijke figuur zit in een vorstelijke en imponerende houding, omhelsd door een door hem getemde slang. Op zijn rechterhand draagt hij een kleine vrouwengestalte die zich tegen zijn borst aanvlijt. Het bleek een sculptuur te zijn van Max Beckmann (1884-1950), getiteld ‘Adam en Eva’. Dit verwarde mij. Wij hebben toch geleerd om het Bijbelse verhaal over het eerste mensenpaar heel politiek correct te lezen? De vrouw lijkt in Genesis weliswaar in eerste instantie slechts een afgeleide van de man te zijn. Bij nader inzien benadrukt het verhaal echter de gelijkwaardigheid van de twee partners: Adam herkent en erkent in Eva zijn gelijke. Hoe is het dan mogelijk dat Beckmann in 1936 de man als een oppermachtige mannetjesputter weergaf, die de vrouw als een hulpeloos poppetje onder zijn hoede neemt?

Het zij een kunstenaar echter gegund om op een politiek incorrecte manier met zijn onderwerp aan het werk te gaan. Politieke correctheid in de ethiek, de samenleving en de politiek is een vereiste (wat baldadige cynici ter rechterzijde ook beweren), maar kan verstikkend werken als het héél ons leven, denken en voelen doordringt. We hebben speelruimte nodig, om soms de teugels van de correctheid te laten vieren. De kunst is zo’n ruimte, zolang zij zichzelf maar serieus neemt als een vrijplaats voor dubbelzinnigheid en ironie – met andere woorden: zichzelf juist niet te serieus neemt. In die zin waag ik een ironische duiding van Beckmanns beeld.

Wat we hier zien is de weergave van een heimelijke droom van menige man of vrouw: de droom van de King-Kong-Man die ons optilt en tegen zijn borst drukt, ons beschermend tegen de gevaren die op de loer liggen. De slang, symbool van die sluipende gevaren, heeft hij getemd, ja: misschien betoverd. Zolang het kwetsbare mensenwezentje zich aan hem vastklampt, heeft het niets van die slang te duchten. De reus is een fetisj, die op magische wijze veiligheid garandeert. Zo gezien is het beeld een weergave van de droom van de sterke man, die momenteel in de politiek weer zo’n griezelige opkomst beleeft.

De geborgenheid is echter uiterst dubbelzinnig. Het beschermende gebaar is tegelijk uiterst intimiderend. De hand die beschermt kan tegelijk fijnknijpen en vermorzelen. De bescherming laat niet vrij, maar houdt gevangen. Veiligheid is slechts zolang gegarandeerd als de aanraking duurt. Wie zich losmaakt van de beschermer, verliest het magische contact dat de veiligheid waarborgt – en is vogelvrij. Geborgenheid is slechts mogelijk in de kooi van de omhelzing. Zo gezien is het beeld ook de weergave van het alfamannetje dat zijn vrouw, dochter of zus gebiedt of verbiedt om bepaalde kleding te dragen – om haar eigen bestwil en om haar te behoeden voor onheil. Of van de man die vrouwen, die vrijwillig bepaalde kleding dragen, meent te helpen door hen dat te verbieden.

Als ik een titel zou mogen geven aan deze sculptuur, zou ik het ‘De Gebodsman’ noemen. Het is de weergave van de zichzelf tot afgod verheffende man, die geborgenheid biedt tegen de prijs van onderwerping. Met Adam en Eva heeft het beeld niets te maken, eerder met het patriarchaat dat de bijbel – ja, elke religie –  voor zijn karretje heeft gespannen. Alfonso de Liguori, een 18e-eeuws moraaltheoloog en de stichter van de kloosterorde der redemptoristen waarvoor ik mag werken, wees er in een theologisch gedachte-experiment al op, dat in het paradijs juist een grote onbevangenheid heerste en dat de vrije mens het voordeel van de twijfel had. Regels en wetten – ook de goed bedoelde, veiligheid biedende regels – kwamen er pas veel later. Voor De Liguori was dit zelfs de reden om de gelovigen, waar het maar even kon, vrij te laten in hun morele keuzes. De vrijheid had immers het eerstgeboorterecht. Dat verkoop je niet voor het bord linzen van schijnveiligheid.

De bovenstaande column verscheen eerder op De Bezieling. Het beeld van Max Beckmann staat in de Kunsthalle in Hamburg

Waarom historische vergelijkingen afleiden van de kern van het probleem PVV

Het is tenenkrommend. Je zit op een feestje waar een felle discussie woedt. Je bent het met iemand hartgrondig eens in die discussie en voelt je dus gesteund. Plotseling begint die persoon echter argumenten in te brengen of tactieken te hanteren, die je standpunt schade toebrengen en je positie ondermijnen.

Zo vergaat het me geregeld bij de debatten over het populisme in het algemeen en de PVV van Wilders in het bijzonder. Bij het koffieapparaat, tijdens borrels, op de social media en – God betere ‘t – zelfs in de grote-mensen-media wordt de positie van de PVV-tegenstanders voortdurend verzwakt doordat een deel van die critici de plank misslaat. Dat gebeurt mijns inziens als de PVV rechtstreeks, zonder enige analytische onderbouwing en nuance, één op één wordt vergeleken met neofascistische of neonazistische bewegingen, ja: met het nazisme zelf, of als ze een racistische beweging wordt genoemd. Een onderdeel van deze misleidende retoriek bestaat erin, dat de doelwitten van de populisten op dezelfde simplificerende manier gelijk worden gesteld met de slachtoffers uit het verleden en dat bijvoorbeeld de moslims of de Marokkanen de ‘Joden van nu’ worden genoemd.

Misleidende vergelijkingen
Dergelijke vergelijkingen sluiten de weg af voor elke analytische discussie – en zijn ook gewoon onwaar. De PVV is op zich al griezelig genoeg: ik kan deze beweging en haar leden echter niet betrappen op stelselmatige en statutair verankerde discriminatie op basis van huidskleur of herkomst – laat staan op plannen voor een systematische uitroeiing van een bepaalde bevolkingsgroep. Uiteraard kan een sombere waarnemer voor allerlei hellende vlakken waarschuwen, maar dat is argumentatief altijd een zwaktebod.

En wat de doelwitten van de populisten betreft: zelfs als de PVV (dit bij wijze van gedachte-experiment aannemend) de moslims als groep zou willen verdrijven of verdelgen, dan hebben we altijd nog te maken met een groep die – bij alle interne verschillen – landelijk en mondiaal in een heel andere positie verkeert dan de Joden in het begin van de 20e eeuw. We hebben niet te maken met een in de verstrooiing levende, opgejaagde minderheid die zich koest moet houden, doch met een weerbaar, aanzienlijk deel van de wereldbevolking dat – om met Abel Herzberg te spreken – geopolitiek geenszins een ‘ongedekte cheque’ is. Moslims van de meeste stromingen in ons land kunnen zich bijvoorbeeld vrijwel altijd verschuilen achter een hand aan het uiteinde van een lange arm, die vanuit een ver of nabij land wordt uitgestrekt. Dat zij hun tot op zekere hoogte gegund. Hun heiligverklaring tot vogelvrije slachtoffers is in elk geval misplaatst.

De kern: rancune
Het helpt niet echt om Wilders te vergelijken met Mussert of Hitler of om zijn doelwit, de moslimgemeenschap te vergelijken met het opgejaagde Joodse volk in de diaspora. Daarmee ga je voorbij aan de kern. Die kern is onder meer, paradoxaal genoeg, benoemd door Sybe Schaap. (Ik zeg paradoxaal omdat Schaap dezer dagen juist is aangevallen op vergelijkingen met het Derde Rijk en de NSB. Daarbij hebben die vergelijkingen in hun retorische context echter juist betrekking op enkele specifieke details en zijn ze niet bedoeld als globale één-op-één-gelijkstellingen.) Het probleem van de populisten en van Wilders zit niet in hun haat jegens de islam en zelfs niet in de onzalige provocaties van moslims – die waarschijnlijk alleen maar tot meer terrorisme zullen leiden. Ik waag zelfs te betwijfelen of dit voor Wilders zelf het hart van de zaak is. Want aan wie heeft hij nu ècht een broertje dood?

Het essentiële probleem zit in de rancune jegens diegenen die door Wilders en de zijnen worden bestempeld als de elite of als het establishment. De kern zit in de haat versus diegenen die het niet met hen eens zijn als het gaat over o.a. de Islam. Het probleem zit in het voortdurend gedreig – door Wilders en mensen als Bosma en Baudet – met een grote afrekening: een afrekening waarvan een voorproefje bestaat in het treiteren van de ‘elite’ door moreel, cultureel en sociaal erfgoed ter discussie te stellen. Het probleem zit in het dreigen met een directe democratie, waarin straks uw boze buurman zonder rekenschap te hoeven afleggen rechtstreeks over uw en ons aller lot gaat beslissen, en waarin ‘begrip’ bestaat voor in lichamelijk geweld ontaardende opstanden. Het probleem zit hem in het sluipenderwijs opbouwen van een lynchmaatschappij – een opbouw die mogelijk is doordat sidder-alen als VVD-er Zijlstra in het stof kruipen voor Wilders c.s.

De laatsten willen van Nederland een zwaar bewaakt openluchtmuseum maken – bewaakt tegen mensen van buiten, maar vooral ook op subtiele wijze tegen dissidenten van binnen. Wilders en zijn beweging zijn daarom op zich en in zich al kwaadaardig genoeg. Een vergelijking met wat dan ook uit de geschiedenis voegt daar niets aan toe en leidt alleen maar af van de echte discussie.

De kunstenaar als kluizenaar

Kunstenaars zijn kluizenaars. Ze trekken zich terug in hun atelier, achter hun bureau of vleugel, waar ze zich onderwerpen aan ijzeren discipline. Als galeislaven van de Muzen ontzeggen ze zichzelf lichamelijke gemakken en de vreugde van de omgang met medemensen. In ieder geval is dit een veel voorkomende mythe. De artiesten cultiveren op hun beurt maar al te graag deze mythe. Zij legitimeert namelijk de sociale gemakzucht die kunstenaars zo ongenietbaar maakt: ongenaakbaar, genadeloos en narcistisch. De dienst gaat immers voor het meisje, de eisen van de kunst boven de aantrekkingskracht van het aardse.

Iemand die zichzelf graag als door de Muzen in dienst genomen knecht ensceneerde, was de Duitse schrijver Thomas Mann (1875-1955). De voor zijn werk gereserveerde uren en zijn werkkamer waren hem heilig. Zijn gezin moest daar op kousenvoeten omheen lopen. De asociale keerzijde permitteerde hij zich ook: afstandelijk was hij, genadeloos en meedogenloos. Hij liet ten aanzien van zijn eigen kinderen onmiskenbaar voorkeuren en afkeren blijken, liet zich zelden tutoyeren en maakte mensen uit zijn omgeving af, door in zijn romans karikaturen van hen te maken of door in brieven en dagboekaantekeningen sneren uit te delen.

Mythes zijn er om te worden ontmaskerd. Gelukkig verschijnen er dan ook telkens weer nieuwe biografieën over Thomas Mann en diens dynastie en komen er ook met enige regelmaat nieuwe documenten aan het licht – zoals recentelijk via Tilmann Lahmes familiebiografie. Thomas Mann wordt er menselijker van. Aan de ene kant wordt het hogepriesterlijke beeld bijgesteld. De schrijver liet zich graag fêteren en voelde zich bijvoorbeeld eerder thuis in de showbizzjetset dan in de etherische sferen van de universiteiten. Aan de andere kant blijkt het ook wel mee te vallen met de contactgestoordheid van vader Mann. Thomas Mann was soms meelevender en invoelender dan het leek. Ook zijn ‘schaduwzijde’ blijkt deels een mythe te zijn.

Natuurlijk was Mann narcistisch. Dan dienen we dit begrip echter wel in de juiste, paradoxale zin te gebruiken. Narcisme is – anders dan het dagelijks gebruik soms suggereert – geen zelfingenomenheid en kritiekloze tevredenheid met zichzelf. Integendeel: de narcist is ten diepste ontevreden met zichzelf, heeft een lage dunk van zichzelf en heeft van anderen vooral veel bevestiging nodig. Hij poseert niet voor de ander omdat hij weet wat hij waard is, maar wil in de ogen van die ander de waardering en achting zien, die hij zichzelf niet kan geven. Narcissus kijkt niet in de spiegel om van zijn eigen schoonheid te genieten, maar hoopt vooral van de spiegel te horen dat hij de mooiste van het land is. Dat hij daardoor meer met zichzelf bezig is, dan met anderen, is helaas maar al te waar.

De muur die Mann optrok tussen zichzelf en de anderen, was een façade van waarachter hij hunkerde naar de liefde van die anderen. Zijn eigen genadeloosheid verborg het inzicht dat een mens niet zonder genade kan. Uiteraard zegt zijn oeuvre hierover meer, dan welke biografie ook. Zijn werk kan worden beschouwd als één grote verzameling van Belijdenissen á la Augustinus, waarin de genade van de lezer wordt afgesmeekt – en dan niet de empirische lezer, maar de Lezer met hoofdletter, de ‘fictieve Ander’ tot wie de schrijver zich op zijn knieën richt. Niet toevallig schreef Mann tijdens de Eerste Wereldoorlog een uitgebreide apologie, eindigt ‘Doktor Faustus’ met de apotheose van de genade en gaat het ogenschijnlijk frivole ‘De uitverkorene’ over een boetvaardige aartszondaar.

Mann karakteriseerde niet voor niets Kafka’s ‘Slot’ als een zoektocht naar genade: het werk van de cultuur-lutheraan Mann zelf is één lange omschrijving van Martin Luthers vraag: “Hoe krijg ik een genadige God?” Mann wilde de show stelen, maar wilde vooral het hart veroveren van zijn Lezer. Dat maakt hem tot een religieuze schrijver pur sang. De vergelijking met een boetende kluizenaar, waarmee ik begon, is in zijn geval dus zo gek nog niet.

***

Tilmann Lahme, Die Manns – Geschichte einer Familie. S. Fischer, Frankfurt am Main.

De bovenstaande column verscheen eerder op De Bezieling.

Uit het lood gebracht

Mensen houden van symmetrie en evenwicht. Zo zijn wij ook in de wieg gelegd, blijkens de bijna volmaakte symmetrie van ons lichaam. Ik schrijf bewust ‘bijna’, want iedereen kent wel de oefening die erin bestaat, een foto te maken van één helft van ons gezicht en die dan te spiegelen. Dat levert een vervreemdend beeld op. Links en rechts wijken namelijk, hoe marginaal ook, van elkaar af. Onze inwendige organen ontberen de symmetrie overigens volstrekt en je mag al blij zijn als je hart op de goede plek zit, namelijk links. Onder de motorkap ziet het er altijd wat rommeliger uit. Bovendien: je lichaam mag er dan symmetrisch uitzien, maar het functioneert wel asymmetrisch. We gebruiken één hand om te schrijven en de mannen onder ons hebben een consequente voorkeur voor links of rechts als het de comfortabele ligging van hun edele delen betreft.

Maar goed: dat alles neemt niet weg dat onze ogen van symmetrie houden. Een te asymmetrisch gezicht, een scheve mond of schelende ogen roepen een ongemakkelijk en ontregelend gevoel op. Lichamelijke schoonheid vraagt om zo veel mogelijk symmetrie. Deze voorkeur uit zich ook in onze materiële cultuur. We ontwerpen pleinen en parken graag op een symmetrische manier. Paleizen en theaters, tempels en kerken zijn vaak ontworpen vanuit een strak geprojecteerde middellijn. Muziekkenners wijzen bovendien op gecentreerde structuren in de partituren van Bach. De voorkeur voor het gecentreerde bouwen lijkt overigens vooral in de religie en de esoterie te heersen. Het Goethianum in Dornach slaat wat dit betreft alles.

Ook onze motoriek zoekt naar balans. In de genoemde symmetrisch ontworpen ruimtes bewegen, staan of zitten we graag gecentreerd. Als we in een kerk gaan zitten om tot rust te komen, te mediteren of te bidden, nemen we graag een symmetrische lichaamshouding in, zoals ook de priester achter het perfect gecentreerde altaar symmetrische gebaren maakt. Daarbij maken we onszelf wijs, dat dit ons innerlijke evenwicht ten goede komt. Blijkbaar wil ook onze ziel – waar die ook zit – worden gecentreerd. Het streven naar symmetrisch handelen blijft echter niet beperkt tot rituele contexten. In het algemeen ‘doen’ we graag symmetrisch. Als we spreken met onze handen zijn links en rechts elkaars spiegelbeeld. Een kaarsrechte houding bij het zitten of staan ervaren we als comfortabel, ongeacht de setting.

En toch… het doorbreken van symmetrie lijkt wel een ding te zijn van de evolutie. Niet alleen is rechts- of linkshandigheid een eigenaardigheid van ons mensen als ‘hogere soort’. Ook naarmate we ons als homines sapientes cultureel verder ontwikkelen, gaat dat gepaard met asymmetrie. Tafelmanieren zijn streng op dit punt. En het besturen van een auto of het beoefenen van muziek kan bijna niet zonder een consequent onderscheid tussen links en rechts. Viool en piano kun je onmogelijk symmetrisch bespelen en een dirigent met symmetrische gebaren schept alleen maar verwarring.

De meesterwerken in de mode, de beeldende kunst en de architectuur lijken ook per definitie asymmetrisch. Bij de grote gotische, ogenschijnlijk perfect gecentreerde kathedralen is er alles aan gedaan om de symmetrie te doorbreken, te beginnen bij ongelijke ‘tweelingtorens’. De getordeerde sculptuur wordt gezien als een vooruitgang ten opzichte van het primitieve statische beeld. Een gebouw dat door zijn onevenwichtige ontwerp uitnodigt om er eindeloos omheen te lopen en er steeds nieuwe aspecten in en aan te ontdekken, zoals Dudoks Raadhuis in Hilversum, verkiezen gezonde mensen vele malen boven de kitsch van Steiners hobbithol in Dornach, dat na aanvankelijke verbazing slechts een schouderophalend gebaar opwekt – een volmaakt symmetrisch gebaar overigens. Onze ziel wordt blijkbaar toch graag uit het lood gebracht.

***

De bovenstaande column verscheen eerder op De Leunstoel. De afbeelding toont T. van de Vorsts ‘Lilith’ (1979), te zien in het Scheveningse museum Beelden Aan Zee.

Van Rome naar Amsterdam

Toen ik onlangs terugkeerde van een korte reis naar Rome, werd mij gevraagd ‘als wat’ of ‘waarvoor’ ik ginds was geweest. Deze vraag wordt niet zo snel gesteld na andere stedentrips. Rome echter doet als geen andere stad een beroep op uiteenlopende identiteiten. Je vertoeft er als pelgrim of als toerist, als kunstliefhebber of als oudheidkundig geïnteresseerde. Je verblijft er voor studie of bezinning, zonaanbidding of werk – of voor een combinatie van één en ander. Zelfs als je je beperkt tot één dimensie, bijvoorbeeld de kunst, heb je daarbinnen nog de keuze uit uiteenlopende focussen. Rome is bij uitstek een veelstemmige stad, die zich laat lezen als een partituur met vele lagen, vanaf de oudheid tot en met de moderniteit. Je komt in aanraking met haarscherpe antieke mozaïeken; met vrolijke en vriendelijke vroegchristelijke kerken, zo onovertroffen op menselijke maat gebouwd; met de bescheiden pasteltinten van renaissancefresco’s; met intimiderend-uitbundige barok; met 19e-eeuwse serieproductie en ten slotte met hedendaags-rechtlijnige architectuur en zijn zorg om de leefbaarheid van de ruimte.

Ik ben niet vaak in Rome. En als ik er ben is het meestal kort. Ik moet dan dus keuzes maken, hetgeen niet meevalt als je zelf even veelstemmig van identiteit bent als de oneindig gelaagde stad. Er is echter één kunstenaar die ik nooit links zal laten liggen en dat is Caravaggio, met zijn onmiskenbare clair-obscur. Omdat Caravaggio’s schilderijen over de hele stad verspreid hangen, kun je er ook nauwelijks omheen. Dit keer kon ik de Roeping van Mattëus (1600) in de kerk van S. Luigi dei Francesi bekijken – en bewonderen, want licht- en lijnenspel versterken in dit werk de dramatiek in de opstelling van de figuren.

carravaggio roeping

Merkwaardig genoeg brengt Caravaggio mij in gedachten altijd terug naar Nederland en naar de Hollandse meesters in het spelen met licht en schaduw, Rembrandt voorop. De Roeping van Matteüs riep dit keer echter associaties op met een kunstwerk dat in het Amsterdamse Rijksmuseum in de schaduw van Rembrandt hangt en dat ik pas afgelopen voorjaar ‘ontdekte’. Het was een openbaring. Kan van de 17e-eeuwer Rembrandt nog worden gezegd, dat hij in de traditie van Caravaggio staat en deze verfijnt: voor De Roeping van Johannes tijdens de Bruiloft van Kana van J. C. Vermeijen geldt dit niet. Het schilderij stamt uit 1530. Des te frappanter is het doeltreffende gebruik van het toen nog volstrekt ongebruikelijke clair-obscur.

Anders dan bij Caravaggio en de Hollandse meesters uit de Gouden Eeuw, wordt de toeschouwer hier overigens niet in de gelegenheid gesteld om het tafereel ongezien te bespioneren. Het tweedimensionale vlak wordt als het ware naar voren uitgeklapt. De kijker is daardoor geen voyeur, maar staat zelf in de denkbeeldige ruimte die het werk oproept. De getuige wordt zelf betrapt, zij het op een vriendelijke manier, en betrokken in de ongeruste zoektocht naar de wijn.

vermeijen-web

Waarvan zijn we echter precies getuige? Volgens commentaren ligt aan dit werk de legende ten grondslag, dat op de bruiloft van Kana het huwelijk werd gevierd tussen Johannes de Evangelist en Maria Magdalena. Door het befaamde wonder zagen beide personen echter af van hun relationele voornemens. Zoals water in wijn veranderde, zo kreeg ook hun levensbestemming een nieuwe richting: die van de navolging. Anders dan bij Caravaggio’s weergave van Matteüs’ ommekeer, komt de roeping van het bruidspaar niet tot stand door een dwingend handgebaar, doch door de onbekommerde en terloopse wonderhandeling van Jezus. Een handeling die begint – en dat is wel de grootste verrassing van dit schilderij – met de hulpeloos opgehouden, lege handen van Jezus.

Wat een Hollander in Rome niet allemaal kan ontdekken aan rijkdommen in zijn eigen land.

***

Het bovenstaande verscheen eerder op De Bezieling.

Onverschilligheid als remedie tegen de oververhitting

Het zal ooit wel een evolutionair voordeel hebben gehad: anders dan andere dieren winden wij ons op over het geestesleven van onze soortgenoten. Wij benaderen medemensen niet alleen als potentiële vijanden en rivalen, maar zijn ook als de dood voor hun dwalingen –  of die nu liggen op het gebied van het ware, het goede of het schone. Dat hun gedachten en gevoelens niet sporen met de onze, vinden wij onverteerbaar. In elk geval vergaat het mij zo. Ik kan me opvreten over – wat ik zie als – gedweep met musicals, blinde volgzaamheid jegens esoterische charlatans of overspannen polemiek in de zogenaamde zwartepietdiscussie.

Deze ergernis is natuurlijk onredelijk, maar ook ongezond. Het komt onze bloeddruk niet ten goede en onze sociale contacten evenmin. Zodra deze irritatie overslaan op het publieke debat, zijn de gevolgen nog groter. Ze leidt tot polarisatie, virtueel geweld, bedreigingen en soms reëel geweld. Dankzij de social media wordt één en ander extra opgeblazen en explosief. Waarom laat ik me hierin zo meeslepen, bijvoorbeeld bij de zwartepietdiscussie, vraag ik me dan af? Waarom erger ik me aan de argumenten van beide kanten? Waarom vind ik dat ik iets moet vinden van wat men vindt, hoe overtrokken en gezocht die mening ook mag zijn?

Het moge zo zijn dat de tegenpolen in de genoemde discussie de kwestie opblazen, door er onnodig van alles bij te halen en door een onnozel, op zichzelf staand fenomeen (“verklede man speelt mal typetje”) te voorzien van een bomgordel van ideologische context (enerzijds het met ons VOC-verleden verweven, alom tegenwoordig geachte racisme, anderzijds ons identiteitsbepalende, culturele erfgoed). De vraag blijft, waarom ik me toch zo veel aantrek van de discussie over iets, wat in mijn ogen een non-issue is. Ervaar ik – evolutietheoretisch uitgedrukt – de gedachten van anderen, als ze niet sporen met de mijne, als indringers? Is ons geestesleven inderdaad een soort territorium? Vechten we vijandschap en stammentwisten uit op mentaal vlak? Of is het juist omgekeerd zo, dat we anderen juist zo veel mogelijk willen beschouwen als onze familie en dat ze ons daarom meer schelen dan ons lief is? Zijn we van huis uit ‘verschilliger’ dan we denken?

Waar onze ergernis ook vandaan komt: we moeten volwassen ermee kunnen omgaan en er bóven kunnen staan. We moeten bereid zijn en blijven tot zindelijke discussies, tot gesprekken waarin we openstaan voor diverse gezichtspunten en degelijke argumenten inbrengen – en in elk geval in staat zijn om tot tien te tellen. De behoefte echter om iets te vinden van de ander, om de ander over te halen naar mijn kant of anders maar te verjagen van mijn mentale voortuin: deze aandrang zal altijd blijven smeulen – en soms oplaaien tot een onredelijke discussie.

Misschien kunnen we daar ook iets aan doen, door gewoon niet meer zo veel te willen vinden met en van elkaar. We zouden in elk geval bij irrelevante of – zoals de Duitsers zo mooi zeggen – ‘gegenstandslose’ kwesties (zoals Zwarte Piet) of bij kwesties van smaak (zoals de interne gebruiken van de Islam of welke religie dan ook) een schouderophalende tolerantie moeten ontwikkelen t.o.v. andermans geestelijke interieur. (Het zou uiteraard veel oefening vergen, want er zijn altijd mensen die ons chanteren door hun eigen issues hyper-relevant te verklaren.) We zouden op dit punt terug moeten keren naar een koel, verlicht liberalisme en zowel het vóórmoderne stammendenken als de ‘verschillige’ mens- en maatschappijvisies van de ‘zachtere’ maatschappelijke en politieke stromingen achter ons moeten laten.

Met andere woorden: Wat zou er tegen zijn als we, omwille van een vreedzaam samenleven en onze eigen gemoedsrust, gewoon wat meer onverschillig zouden zijn? Het maatschappelijk klimaat zou aangenaam afkoelen.

Muziek viert zichzelf.

Het is een staaltje van deftige, Nederlandse folklore.

In een praatprogramma op de televisie komt een BN-er vertellen, dat hij of zij een bewonderaar is van Bach. Dit gebeurt veelal in de tijd rond Pasen. Meestal zijn in het hetzelfde programma nog andere, nog beroemdere Bachminnende BN-ers aanwezig – Paul Witteman bijvoorbeeld – om als éénoog-in-het-land-der-blinden hun duit in het zakje te doen. Ook komt het wel voor dat de betreffende BN-er op Radio Vier in de gelegenheid wordt gesteld, om iets over zijn of haar ‘passie’ voor Bach te vertellen in het kader van een ultrakorte ‘rubriek’ waarvan hij of zij heel even de gastpresentator mag zijn.

Belangrijk voor het slagen van dit mediale optreden is, is dat ‘je het van deze persoon nooit zou hebben verwacht’. Hij of zij moet een stil water zijn, waarin nu plotseling diepe muzikale gronden zichtbaar worden, of juist een luidruchtige ruwe bolster, waarin deze blanke pit der Bachliefde schuilgaat.

De typisch Nederlandse folklore bestaat er nu in, dat de genoemde Bachminnaar, voordat hij of zij van wal steekt, de kijkers of luisteraars op het hart drukt dat hij weliswaar van Bach houdt, ‘maar zeker niet gelovig is’. Dat moet er met nadruk bij worden gezegd, omdat de tophits van de Thomascantor uit Leipzig vrijwel altijd afkomstig zijn uit een passie, een cantate of mis. En je kunt dan wel in vervoering raken door de muziek: de tekst eronder krijg je natuurlijk als BN-er niet over de lippen. Dat voorbehoud moet dan uitdrukkelijk op de mondelinge bijsluiter worden vermeld.

Hoewel ik verzot ben op rituelen als ‘nobele verveling’, is het hierboven beschreven ritueel mij gaan tegenstaan. Het informatieve gehalte van de bezwering is gering. In elk geval is het geen antwoord op een vraag die bij mij leeft, zodra de BN-er in beeld komt of haar stem verheft. Ik vind het ook nogal irrelevant. Als iemand zichzelf ‘out’ als liefhebber van Couperus of Reve, ben ik ook niet geneigd me af te vragen of hij latente homoseksuele gevoelens koestert. Mij interesseren kwesties als smaak, stilistische voorkeuren en muzikale inzichten. In dit geval echter word ik lastig gevallen met too much information. Ik heb niet gevraagd naar de gelovige identiteit van de spreker – en heb daar ook niets mee te maken, zomin als ik dat heb met iemands seksuele voorkeur.

Ik vind het bovendien jammer dat mensen zich ongevraagd menen te moeten verontschuldigen, zodra ze in het openbaar in verband worden gebracht met cultuuruitingen die zijn ontstaan in een religieus milieu, of – erger nog – dat Bach zelf indirect moet worden verontschuldigd voor het feit dat hij religieus was. Gelovigheid lijkt een verdenking, waarvan je je moet vrijwaren. Als je gelovig bent is dat blijkbaar zo abject of barbaars, dat het niet eens in aanmerking komt als een guilty pleasure – tenzij voor dat handjevol BN-ers die van de weeromstuit het geloof ‘herontdekken’ als iets chics, als een statusverhogend retro-object. Waarom maken we er niet gewoon een kwestie van smaak van? Dat hebben we toch inmiddels ook gedaan met seksuele voorkeuren, om dezelfde vergelijking nog eens te maken?

Uiteraard is Bach een gelovig componist. Nog nauwkeuriger gezegd: zijn muziek is gelovige muziek. De beroepsdistantieerders hebben echter eventueel gelijk, als ze met hun voorbehoud bedoelen dat Bach geen exclusief eigendom is van een bepaalde gezindte. Als ik het heb over gelovige muziek, bedoel ik ook iets anders dan het religieuze geloof dat door de vaak drakerige lutherse teksten wordt gearticuleerd, die Bach gebruikte. Bachs muziek gaat niet over die teksten, maar over zichzelf. Zij gelooft niet in een of andere belijdenisinhoud, maar in zichzelf. Zij verwijst naar zichzelf als iets wat onze realiteit verrijkt en verheft, overstijgt en opent. Zij is haar eigen transcendentie en raakt in vervoering daarvan. Bachs muziek – zoals iedere goede muziek – viert zichzelf. En zo wekt zij ons geloof – in haarzelf.