Author Archives: admin

De kunstenaar als kluizenaar

Kunstenaars zijn kluizenaars. Ze trekken zich terug in hun atelier, achter hun bureau of vleugel, waar ze zich onderwerpen aan ijzeren discipline. Als galeislaven van de Muzen ontzeggen ze zichzelf lichamelijke gemakken en de vreugde van de omgang met medemensen. In ieder geval is dit een veel voorkomende mythe. De artiesten cultiveren op hun beurt maar al te graag deze mythe. Zij legitimeert namelijk de sociale gemakzucht die kunstenaars zo ongenietbaar maakt: ongenaakbaar, genadeloos en narcistisch. De dienst gaat immers voor het meisje, de eisen van de kunst boven de aantrekkingskracht van het aardse.

Iemand die zichzelf graag als door de Muzen in dienst genomen knecht ensceneerde, was de Duitse schrijver Thomas Mann (1875-1955). De voor zijn werk gereserveerde uren en zijn werkkamer waren hem heilig. Zijn gezin moest daar op kousenvoeten omheen lopen. De asociale keerzijde permitteerde hij zich ook: afstandelijk was hij, genadeloos en meedogenloos. Hij liet ten aanzien van zijn eigen kinderen onmiskenbaar voorkeuren en afkeren blijken, liet zich zelden tutoyeren en maakte mensen uit zijn omgeving af, door in zijn romans karikaturen van hen te maken of door in brieven en dagboekaantekeningen sneren uit te delen.

Mythes zijn er om te worden ontmaskerd. Gelukkig verschijnen er dan ook telkens weer nieuwe biografieën over Thomas Mann en diens dynastie en komen er ook met enige regelmaat nieuwe documenten aan het licht – zoals recentelijk via Tilmann Lahmes familiebiografie. Thomas Mann wordt er menselijker van. Aan de ene kant wordt het hogepriesterlijke beeld bijgesteld. De schrijver liet zich graag fêteren en voelde zich bijvoorbeeld eerder thuis in de showbizzjetset dan in de etherische sferen van de universiteiten. Aan de andere kant blijkt het ook wel mee te vallen met de contactgestoordheid van vader Mann. Thomas Mann was soms meelevender en invoelender dan het leek. Ook zijn ‘schaduwzijde’ blijkt deels een mythe te zijn.

Natuurlijk was Mann narcistisch. Dan dienen we dit begrip echter wel in de juiste, paradoxale zin te gebruiken. Narcisme is – anders dan het dagelijks gebruik soms suggereert – geen zelfingenomenheid en kritiekloze tevredenheid met zichzelf. Integendeel: de narcist is ten diepste ontevreden met zichzelf, heeft een lage dunk van zichzelf en heeft van anderen vooral veel bevestiging nodig. Hij poseert niet voor de ander omdat hij weet wat hij waard is, maar wil in de ogen van die ander de waardering en achting zien, die hij zichzelf niet kan geven. Narcissus kijkt niet in de spiegel om van zijn eigen schoonheid te genieten, maar hoopt vooral van de spiegel te horen dat hij de mooiste van het land is. Dat hij daardoor meer met zichzelf bezig is, dan met anderen, is helaas maar al te waar.

De muur die Mann optrok tussen zichzelf en de anderen, was een façade van waarachter hij hunkerde naar de liefde van die anderen. Zijn eigen genadeloosheid verborg het inzicht dat een mens niet zonder genade kan. Uiteraard zegt zijn oeuvre hierover meer, dan welke biografie ook. Zijn werk kan worden beschouwd als één grote verzameling van Belijdenissen á la Augustinus, waarin de genade van de lezer wordt afgesmeekt – en dan niet de empirische lezer, maar de Lezer met hoofdletter, de ‘fictieve Ander’ tot wie de schrijver zich op zijn knieën richt. Niet toevallig schreef Mann tijdens de Eerste Wereldoorlog een uitgebreide apologie, eindigt ‘Doktor Faustus’ met de apotheose van de genade en gaat het ogenschijnlijk frivole ‘De uitverkorene’ over een boetvaardige aartszondaar.

Mann karakteriseerde niet voor niets Kafka’s ‘Slot’ als een zoektocht naar genade: het werk van de cultuur-lutheraan Mann zelf is één lange omschrijving van Martin Luthers vraag: “Hoe krijg ik een genadige God?” Mann wilde de show stelen, maar wilde vooral het hart veroveren van zijn Lezer. Dat maakt hem tot een religieuze schrijver pur sang. De vergelijking met een boetende kluizenaar, waarmee ik begon, is in zijn geval dus zo gek nog niet.

***

Tilmann Lahme, Die Manns – Geschichte einer Familie. S. Fischer, Frankfurt am Main.

De bovenstaande column verscheen eerder op De Bezieling.

Uit het lood gebracht

Mensen houden van symmetrie en evenwicht. Zo zijn wij ook in de wieg gelegd, blijkens de bijna volmaakte symmetrie van ons lichaam. Ik schrijf bewust ‘bijna’, want iedereen kent wel de oefening die erin bestaat, een foto te maken van één helft van ons gezicht en die dan te spiegelen. Dat levert een vervreemdend beeld op. Links en rechts wijken namelijk, hoe marginaal ook, van elkaar af. Onze inwendige organen ontberen de symmetrie overigens volstrekt en je mag al blij zijn als je hart op de goede plek zit, namelijk links. Onder de motorkap ziet het er altijd wat rommeliger uit. Bovendien: je lichaam mag er dan symmetrisch uitzien, maar het functioneert wel asymmetrisch. We gebruiken één hand om te schrijven en de mannen onder ons hebben een consequente voorkeur voor links of rechts als het de comfortabele ligging van hun edele delen betreft.

Maar goed: dat alles neemt niet weg dat onze ogen van symmetrie houden. Een te asymmetrisch gezicht, een scheve mond of schelende ogen roepen een ongemakkelijk en ontregelend gevoel op. Lichamelijke schoonheid vraagt om zo veel mogelijk symmetrie. Deze voorkeur uit zich ook in onze materiële cultuur. We ontwerpen pleinen en parken graag op een symmetrische manier. Paleizen en theaters, tempels en kerken zijn vaak ontworpen vanuit een strak geprojecteerde middellijn. Muziekkenners wijzen bovendien op gecentreerde structuren in de partituren van Bach. De voorkeur voor het gecentreerde bouwen lijkt overigens vooral in de religie en de esoterie te heersen. Het Goethianum in Dornach slaat wat dit betreft alles.

Ook onze motoriek zoekt naar balans. In de genoemde symmetrisch ontworpen ruimtes bewegen, staan of zitten we graag gecentreerd. Als we in een kerk gaan zitten om tot rust te komen, te mediteren of te bidden, nemen we graag een symmetrische lichaamshouding in, zoals ook de priester achter het perfect gecentreerde altaar symmetrische gebaren maakt. Daarbij maken we onszelf wijs, dat dit ons innerlijke evenwicht ten goede komt. Blijkbaar wil ook onze ziel – waar die ook zit – worden gecentreerd. Het streven naar symmetrisch handelen blijft echter niet beperkt tot rituele contexten. In het algemeen ‘doen’ we graag symmetrisch. Als we spreken met onze handen zijn links en rechts elkaars spiegelbeeld. Een kaarsrechte houding bij het zitten of staan ervaren we als comfortabel, ongeacht de setting.

En toch… het doorbreken van symmetrie lijkt wel een ding te zijn van de evolutie. Niet alleen is rechts- of linkshandigheid een eigenaardigheid van ons mensen als ‘hogere soort’. Ook naarmate we ons als homines sapientes cultureel verder ontwikkelen, gaat dat gepaard met asymmetrie. Tafelmanieren zijn streng op dit punt. En het besturen van een auto of het beoefenen van muziek kan bijna niet zonder een consequent onderscheid tussen links en rechts. Viool en piano kun je onmogelijk symmetrisch bespelen en een dirigent met symmetrische gebaren schept alleen maar verwarring.

De meesterwerken in de mode, de beeldende kunst en de architectuur lijken ook per definitie asymmetrisch. Bij de grote gotische, ogenschijnlijk perfect gecentreerde kathedralen is er alles aan gedaan om de symmetrie te doorbreken, te beginnen bij ongelijke ‘tweelingtorens’. De getordeerde sculptuur wordt gezien als een vooruitgang ten opzichte van het primitieve statische beeld. Een gebouw dat door zijn onevenwichtige ontwerp uitnodigt om er eindeloos omheen te lopen en er steeds nieuwe aspecten in en aan te ontdekken, zoals Dudoks Raadhuis in Hilversum, verkiezen gezonde mensen vele malen boven de kitsch van Steiners hobbithol in Dornach, dat na aanvankelijke verbazing slechts een schouderophalend gebaar opwekt – een volmaakt symmetrisch gebaar overigens. Onze ziel wordt blijkbaar toch graag uit het lood gebracht.

***

De bovenstaande column verscheen eerder op De Leunstoel. De afbeelding toont T. van de Vorsts ‘Lilith’ (1979), te zien in het Scheveningse museum Beelden Aan Zee.

Van Rome naar Amsterdam

Toen ik onlangs terugkeerde van een korte reis naar Rome, werd mij gevraagd ‘als wat’ of ‘waarvoor’ ik ginds was geweest. Deze vraag wordt niet zo snel gesteld na andere stedentrips. Rome echter doet als geen andere stad een beroep op uiteenlopende identiteiten. Je vertoeft er als pelgrim of als toerist, als kunstliefhebber of als oudheidkundig geïnteresseerde. Je verblijft er voor studie of bezinning, zonaanbidding of werk – of voor een combinatie van één en ander. Zelfs als je je beperkt tot één dimensie, bijvoorbeeld de kunst, heb je daarbinnen nog de keuze uit uiteenlopende focussen. Rome is bij uitstek een veelstemmige stad, die zich laat lezen als een partituur met vele lagen, vanaf de oudheid tot en met de moderniteit. Je komt in aanraking met haarscherpe antieke mozaïeken; met vrolijke en vriendelijke vroegchristelijke kerken, zo onovertroffen op menselijke maat gebouwd; met de bescheiden pasteltinten van renaissancefresco’s; met intimiderend-uitbundige barok; met 19e-eeuwse serieproductie en ten slotte met hedendaags-rechtlijnige architectuur en zijn zorg om de leefbaarheid van de ruimte.

Ik ben niet vaak in Rome. En als ik er ben is het meestal kort. Ik moet dan dus keuzes maken, hetgeen niet meevalt als je zelf even veelstemmig van identiteit bent als de oneindig gelaagde stad. Er is echter één kunstenaar die ik nooit links zal laten liggen en dat is Caravaggio, met zijn onmiskenbare clair-obscur. Omdat Caravaggio’s schilderijen over de hele stad verspreid hangen, kun je er ook nauwelijks omheen. Dit keer kon ik de Roeping van Mattëus (1600) in de kerk van S. Luigi dei Francesi bekijken – en bewonderen, want licht- en lijnenspel versterken in dit werk de dramatiek in de opstelling van de figuren.

carravaggio roeping

Merkwaardig genoeg brengt Caravaggio mij in gedachten altijd terug naar Nederland en naar de Hollandse meesters in het spelen met licht en schaduw, Rembrandt voorop. De Roeping van Matteüs riep dit keer echter associaties op met een kunstwerk dat in het Amsterdamse Rijksmuseum in de schaduw van Rembrandt hangt en dat ik pas afgelopen voorjaar ‘ontdekte’. Het was een openbaring. Kan van de 17e-eeuwer Rembrandt nog worden gezegd, dat hij in de traditie van Caravaggio staat en deze verfijnt: voor De Roeping van Johannes tijdens de Bruiloft van Kana van J. C. Vermeijen geldt dit niet. Het schilderij stamt uit 1530. Des te frappanter is het doeltreffende gebruik van het toen nog volstrekt ongebruikelijke clair-obscur.

Anders dan bij Caravaggio en de Hollandse meesters uit de Gouden Eeuw, wordt de toeschouwer hier overigens niet in de gelegenheid gesteld om het tafereel ongezien te bespioneren. Het tweedimensionale vlak wordt als het ware naar voren uitgeklapt. De kijker is daardoor geen voyeur, maar staat zelf in de denkbeeldige ruimte die het werk oproept. De getuige wordt zelf betrapt, zij het op een vriendelijke manier, en betrokken in de ongeruste zoektocht naar de wijn.

vermeijen-web

Waarvan zijn we echter precies getuige? Volgens commentaren ligt aan dit werk de legende ten grondslag, dat op de bruiloft van Kana het huwelijk werd gevierd tussen Johannes de Evangelist en Maria Magdalena. Door het befaamde wonder zagen beide personen echter af van hun relationele voornemens. Zoals water in wijn veranderde, zo kreeg ook hun levensbestemming een nieuwe richting: die van de navolging. Anders dan bij Caravaggio’s weergave van Matteüs’ ommekeer, komt de roeping van het bruidspaar niet tot stand door een dwingend handgebaar, doch door de onbekommerde en terloopse wonderhandeling van Jezus. Een handeling die begint – en dat is wel de grootste verrassing van dit schilderij – met de hulpeloos opgehouden, lege handen van Jezus.

Wat een Hollander in Rome niet allemaal kan ontdekken aan rijkdommen in zijn eigen land.

***

Het bovenstaande verscheen eerder op De Bezieling.

Onverschilligheid als remedie tegen de oververhitting

Het zal ooit wel een evolutionair voordeel hebben gehad: anders dan andere dieren winden wij ons op over het geestesleven van onze soortgenoten. Wij benaderen medemensen niet alleen als potentiële vijanden en rivalen, maar zijn ook als de dood voor hun dwalingen –  of die nu liggen op het gebied van het ware, het goede of het schone. Dat hun gedachten en gevoelens niet sporen met de onze, vinden wij onverteerbaar. In elk geval vergaat het mij zo. Ik kan me opvreten over – wat ik zie als – gedweep met musicals, blinde volgzaamheid jegens esoterische charlatans of overspannen polemiek in de zogenaamde zwartepietdiscussie.

Deze ergernis is natuurlijk onredelijk, maar ook ongezond. Het komt onze bloeddruk niet ten goede en onze sociale contacten evenmin. Zodra deze irritatie overslaan op het publieke debat, zijn de gevolgen nog groter. Ze leidt tot polarisatie, virtueel geweld, bedreigingen en soms reëel geweld. Dankzij de social media wordt één en ander extra opgeblazen en explosief. Waarom laat ik me hierin zo meeslepen, bijvoorbeeld bij de zwartepietdiscussie, vraag ik me dan af? Waarom erger ik me aan de argumenten van beide kanten? Waarom vind ik dat ik iets moet vinden van wat men vindt, hoe overtrokken en gezocht die mening ook mag zijn?

Het moge zo zijn dat de tegenpolen in de genoemde discussie de kwestie opblazen, door er onnodig van alles bij te halen en door een onnozel, op zichzelf staand fenomeen (“verklede man speelt mal typetje”) te voorzien van een bomgordel van ideologische context (enerzijds het met ons VOC-verleden verweven, alom tegenwoordig geachte racisme, anderzijds ons identiteitsbepalende, culturele erfgoed). De vraag blijft, waarom ik me toch zo veel aantrek van de discussie over iets, wat in mijn ogen een non-issue is. Ervaar ik – evolutietheoretisch uitgedrukt – de gedachten van anderen, als ze niet sporen met de mijne, als indringers? Is ons geestesleven inderdaad een soort territorium? Vechten we vijandschap en stammentwisten uit op mentaal vlak? Of is het juist omgekeerd zo, dat we anderen juist zo veel mogelijk willen beschouwen als onze familie en dat ze ons daarom meer schelen dan ons lief is? Zijn we van huis uit ‘verschilliger’ dan we denken?

Waar onze ergernis ook vandaan komt: we moeten volwassen ermee kunnen omgaan en er bóven kunnen staan. We moeten bereid zijn en blijven tot zindelijke discussies, tot gesprekken waarin we openstaan voor diverse gezichtspunten en degelijke argumenten inbrengen – en in elk geval in staat zijn om tot tien te tellen. De behoefte echter om iets te vinden van de ander, om de ander over te halen naar mijn kant of anders maar te verjagen van mijn mentale voortuin: deze aandrang zal altijd blijven smeulen – en soms oplaaien tot een onredelijke discussie.

Misschien kunnen we daar ook iets aan doen, door gewoon niet meer zo veel te willen vinden met en van elkaar. We zouden in elk geval bij irrelevante of – zoals de Duitsers zo mooi zeggen – ‘gegenstandslose’ kwesties (zoals Zwarte Piet) of bij kwesties van smaak (zoals de interne gebruiken van de Islam of welke religie dan ook) een schouderophalende tolerantie moeten ontwikkelen t.o.v. andermans geestelijke interieur. (Het zou uiteraard veel oefening vergen, want er zijn altijd mensen die ons chanteren door hun eigen issues hyper-relevant te verklaren.) We zouden op dit punt terug moeten keren naar een koel, verlicht liberalisme en zowel het vóórmoderne stammendenken als de ‘verschillige’ mens- en maatschappijvisies van de ‘zachtere’ maatschappelijke en politieke stromingen achter ons moeten laten.

Met andere woorden: Wat zou er tegen zijn als we, omwille van een vreedzaam samenleven en onze eigen gemoedsrust, gewoon wat meer onverschillig zouden zijn? Het maatschappelijk klimaat zou aangenaam afkoelen.

Muziek viert zichzelf.

Het is een staaltje van deftige, Nederlandse folklore.

In een praatprogramma op de televisie komt een BN-er vertellen, dat hij of zij een bewonderaar is van Bach. Dit gebeurt veelal in de tijd rond Pasen. Meestal zijn in het hetzelfde programma nog andere, nog beroemdere Bachminnende BN-ers aanwezig – Paul Witteman bijvoorbeeld – om als éénoog-in-het-land-der-blinden hun duit in het zakje te doen. Ook komt het wel voor dat de betreffende BN-er op Radio Vier in de gelegenheid wordt gesteld, om iets over zijn of haar ‘passie’ voor Bach te vertellen in het kader van een ultrakorte ‘rubriek’ waarvan hij of zij heel even de gastpresentator mag zijn.

Belangrijk voor het slagen van dit mediale optreden is, is dat ‘je het van deze persoon nooit zou hebben verwacht’. Hij of zij moet een stil water zijn, waarin nu plotseling diepe muzikale gronden zichtbaar worden, of juist een luidruchtige ruwe bolster, waarin deze blanke pit der Bachliefde schuilgaat.

De typisch Nederlandse folklore bestaat er nu in, dat de genoemde Bachminnaar, voordat hij of zij van wal steekt, de kijkers of luisteraars op het hart drukt dat hij weliswaar van Bach houdt, ‘maar zeker niet gelovig is’. Dat moet er met nadruk bij worden gezegd, omdat de tophits van de Thomascantor uit Leipzig vrijwel altijd afkomstig zijn uit een passie, een cantate of mis. En je kunt dan wel in vervoering raken door de muziek: de tekst eronder krijg je natuurlijk als BN-er niet over de lippen. Dat voorbehoud moet dan uitdrukkelijk op de mondelinge bijsluiter worden vermeld.

Hoewel ik verzot ben op rituelen als ‘nobele verveling’, is het hierboven beschreven ritueel mij gaan tegenstaan. Het informatieve gehalte van de bezwering is gering. In elk geval is het geen antwoord op een vraag die bij mij leeft, zodra de BN-er in beeld komt of haar stem verheft. Ik vind het ook nogal irrelevant. Als iemand zichzelf ‘out’ als liefhebber van Couperus of Reve, ben ik ook niet geneigd me af te vragen of hij latente homoseksuele gevoelens koestert. Mij interesseren kwesties als smaak, stilistische voorkeuren en muzikale inzichten. In dit geval echter word ik lastig gevallen met too much information. Ik heb niet gevraagd naar de gelovige identiteit van de spreker – en heb daar ook niets mee te maken, zomin als ik dat heb met iemands seksuele voorkeur.

Ik vind het bovendien jammer dat mensen zich ongevraagd menen te moeten verontschuldigen, zodra ze in het openbaar in verband worden gebracht met cultuuruitingen die zijn ontstaan in een religieus milieu, of – erger nog – dat Bach zelf indirect moet worden verontschuldigd voor het feit dat hij religieus was. Gelovigheid lijkt een verdenking, waarvan je je moet vrijwaren. Als je gelovig bent is dat blijkbaar zo abject of barbaars, dat het niet eens in aanmerking komt als een guilty pleasure – tenzij voor dat handjevol BN-ers die van de weeromstuit het geloof ‘herontdekken’ als iets chics, als een statusverhogend retro-object. Waarom maken we er niet gewoon een kwestie van smaak van? Dat hebben we toch inmiddels ook gedaan met seksuele voorkeuren, om dezelfde vergelijking nog eens te maken?

Uiteraard is Bach een gelovig componist. Nog nauwkeuriger gezegd: zijn muziek is gelovige muziek. De beroepsdistantieerders hebben echter eventueel gelijk, als ze met hun voorbehoud bedoelen dat Bach geen exclusief eigendom is van een bepaalde gezindte. Als ik het heb over gelovige muziek, bedoel ik ook iets anders dan het religieuze geloof dat door de vaak drakerige lutherse teksten wordt gearticuleerd, die Bach gebruikte. Bachs muziek gaat niet over die teksten, maar over zichzelf. Zij gelooft niet in een of andere belijdenisinhoud, maar in zichzelf. Zij verwijst naar zichzelf als iets wat onze realiteit verrijkt en verheft, overstijgt en opent. Zij is haar eigen transcendentie en raakt in vervoering daarvan. Bachs muziek – zoals iedere goede muziek – viert zichzelf. En zo wekt zij ons geloof – in haarzelf.

Vrijheid zonder het gevaar van een verdrinkingsdood

“Een soort ondergrondse om innerlijke vrijheid te vergaren, een geestelijke gemeenschap, iets dergelijks; zonder grensoverschrijding, zonder vlucht, zonder verdrinking. Geen geringe illusie, eerder een volslagen waandenkbeeld, die zeer treurig stemt, zoals u wellicht begrijpt.”

Sinds de boekenweek weten we weer, dat we toch wat vaker een Duits boek moeten lezen. Dat schijnen we te weinig te doen. Misschien is onze distantie deels te wijten aan de zwaarte van de Duitstalige (en met name Duitse) literatuur. Rechtstreeks of indirect bevat elk boek de verwerking van de eigen geschiedenis (i.c. het Nazi- en sinds kort tevens het DDR-verleden). Ter compensatie staat hier tegenover vaak een zalige speelsheid. Volop wordt de taal als een vluchtweg benut. Het ‘huis van de taal’ is voor de schrijver een toevluchtsoord, een oase, een weldadige speelruimte in een zich gewelddadig opdringende samenleving.

In de prijswinnende, inmiddels in het Nederlands vertaalde roman Kruso (2014) van Lutz Seiler komen beide aspecten samen. Hoewel Seiler in interviews met stemverheffing heeft bezworen dat Kruso ‘verdomme geen Wende-roman’ is, kan de lezer het boek beter waarderen als hij weet wat er in de zomer en het najaar van 1989 gebeurde in Oost-Duitsland. De roman gaat wel degelijk over de nadagen van de DDR. Aan de andere kant is het boek bewust poëtisch gestileerd en dromerig geschreven. Deze spanning tussen historisch realisme en gedachtevlucht is tegelijk ook één van de vele thema’s van Kruso.

Het Oostzee-eiland Hiddensee – om het decor te schilderen van de roman – was in de DDR-tijd een min of meer gedoogde vrijplaats. De alternatieve gemeenschap leefde zich hier ‘s zomers uit en beleefde onder het toeziend oog van de veiligheidsdiensten een illusie van vrijheid. Men leefde van vakantiebaantjes en vierde feest aan het strand, op het uiterste randje van de DDR, met uitzicht op de eindeloze zee. Achter deze geënsceneerde vrijheid lag een duistere werkelijkheid. Velen probeerden vanaf Hiddensee zwemmend of op geïmproviseerde vaartuigen Denemarken te bereiken. De vele gearresteerde, gedode of verdronken vluchtelingen vormen één van de vele zwarte bladzijden in de DDR-geschiedenis.

Ook Sonja raakte op deze wijze vermist. Ze was de zus van het titelpersonage van Seilers roman. De kleine Kruso werd ooit op het eiland in de steek gelaten door zijn oudere zusje en stond nog dagenlang op het strand te wachten. Geleidelijk ontdekt de lezer, dat deze ervaring Kruso noopte om anders na te denken over vrijheid. Concreet: er moet een vrijheid zijn, waarvoor je je leven niet op het spel hoeft te zetten. Zo wordt hij de leider van een geheimzinnige commune die elke zomer op een rituele manier de vrijheid in scene zet. Een vrijheid waarvoor je niet hoeft te verdrinken. Zijn entourage bestaat uit aan lager wal geraakte ‘dichters en denkers’ die vluchten in poëzie en in Kruso’s utopie van de innerlijke vrijheid.

Eén van hen is de student Edgar, die in 1989 op Hiddensee aanbelandt. Ook hij treurt en rouwt. Ook hij is stug en gesloten. Er ontstaat een zwijgzame vriendschap die leeft van indirecte communicatie. Kruso schuift Ed een beduimelde foto van Sonja toe, waarin Ed zijn dodelijk verongelukte geliefde lijkt te herkennen. Samen lezen ze het gedicht Sonja van Georg Trakl. Samen tasten en kloppen ze via de poëzie de taal af naar woorden voor het onzegbare.

De virtuele utopie van Kruso’s virtuele ‘eiland van de gelukzaligen’ wordt achterhaald door de feiten. De DDR wordt poreus en valt uiteen. De echte vrijheid is niet langer onbereikbaar. Kruso’s gevolg dunt uit en smelt weg. Edgar blijft. Na Kruso’s dood zet Edgar als lotgenoot en plaatsvervanger Kruso’s zoektocht naar de verloren Sonja voort.

De historische realiteit, waarop Kruso is gebaseerd, maakt het tot een indringend boek. Met name de epiloog, die beschrijft hoe Ed in Denemarken bij forensische en wetenschappelijke instanties op zoek gaat naar de sporen van de verdwenen Sonja, gaat juist door het documentaire karakter ervan door merg en been. Toen ik het boek dit voorjaar herlas, betrapte ik me bovendien op een associatie waardoor Kruso ongewild brandend actueel wordt. De beelden van de wanhopige DDR-burgers, die zwemend, surfend of roeiend de kust van Denemarken wilden bereiken, vloeiden voor mijn geestesoog samen met die van de Syrische vluchtelingen op gammele bootjes van mensensmokkelaars en van aangespoelde lijken.

En dan is er Kruso’s illusie van innerlijke vrijheid, zijn naar binnen gekeerde verzetsdaad tegen de vergeefse dood van Sonja. Dit verzet vertoont een zekere parallel met de wanhoop van de Syrische vluchteling, die begin maart in Die Zeit een open brief schreef aan Bondskanselier Merkel. Hij verbleef in Duitsland, in afwachting van toelating en vervolgens gezinshereniging. Het kwellende gesol met mensen in vluchtelingenkampen, de ervaring politiek en bureaucratisch aan het lijntje te worden gehouden, de moordende onzekerheid, de groeiende verwijdering van zijn gezin: dit alles leidde er uiteindelijk toe dat de man ervoor koos om terug te keren. Ook voor deze Arif Abbas was de barre tocht naar het westen vergeefs en onnodig riskant geweest. Zijn alternatief – en daarmee houdt de vergelijking op – is echter geen innerlijk vluchtoord, zoals bij Kruso, maar een minstens even hachelijke terugtocht. Omdat er geen alternatief is – zelfs niet in een virtueel bestaan.

Lutz Seiler, Kruso. Uitgeverij Meridiaan 2016.

***

Het bovenstaande verscheen eerder op De Leunstoel en in een aangepaste versie op De Bezieling.

Wij bestaan uit duizend kleine dingen.

IM  Jules Schelvis (1921-2016)

Op 3 april overleed Jules Schelvis. Voortaan moeten we het op 4 mei doen zonder zijn geheugensteun. In de herdenkingsdagen luisterde ik vaak naar zijn verslag van de deportatie naar Sobibor, getiteld Er reed een trein naar Sobibor. De directheid van het persoonlijke getuigenis van een overlevende, gecombineerd met de krachtsinspanning die het hem kostte om zich de gruwelen steeds weer voor ogen te halen, maakte grote indruk. Bovendien was hier een man aan het woord, wiens geloof in de humaniteit niet was geknakt. De schoonheid van de muziek bijvoorbeeld was voor hem tijdens en na de Holocaust een houvast gebleven  – en niet ontmaskerd als een leugen. Bewust koos hij voor live uitgevoerde fragmenten uit de westerse klassieke muziek als ondersteuning van zijn voordracht.

Vooral de invalshoek van Er reed een trein naar Sobibor maakte het verhaal aangrijpend. Schelvis koos voor een minutieuze beschrijving van de reis die voorafging aan het ‘verblijf’ in het kamp. Niet pas in de kampen immers begonnen de ontering en ontmenselijking van de slachtoffers: deze kwamen reeds op gang bij de administratieve en logistieke operaties vooraf. Reeds de weg naar de vernietiging was verlagend en ontluisterend, in al zijn banale details: het instappen in de trein in Westerbork; het vechten om ruimte en het zoeken van een houding om te zitten; de worsteling om elementair gemak en decorumbehoud; het gevecht met honger en slaap; de irritaties tussen de inzittenden, inclusief spanningen in huwelijken; het verlies van kleine, maar dierbare bezittingen.

Gruwelen treden ook op – zo toonde Schelvis’ verhaal – in de vorm van inbreuken op dagelijkse waarden. Deze zijn immers de wezenlijke bouwstenen van ons leven. Zelfs ogenschijnlijke bijzaken (zoals in dit geval bijvoorbeeld een verzorgd uiterlijk en privacy bij het toiletbezoek) doen er toe, één voor één. Wij bestaan uit duizend ‘kleine dingen’. Het afbreken van een mens begint dan ook niet met een mediagenieke marteldood, maar met de vele kleine stappen daaraan voorafgaand. Ontmenselijking is gecontroleerde destructie. Dit doet ons ook beseffen dat vernedering en dehumanisering dagelijks op de loer liggen – en voor kwaad willenden binnen handbereik.

Wat geldt voor het afbreken van een mens, geldt ook voor het opbouwen. Schelvis’ voordracht was ook een eerbetoon aan de muziek: de belangrijkste bijzaak van het leven. Die had hij zich nooit laten afnemen. En hij kon deze schat bewaren op een plaats, die onbereikbaar was voor de bewakers en beulen die hem bij aankomst in Sobibor beroofden van zijn bezittingen en geliefden: in zijn geheugen, zijn hart, zijn hoofd, zijn mond. Neuriënd en fluitend hield hij de verbinding met de muziek levend. Dit droeg mede bij aan zijn veerkracht – of liever: aan zijn ongebroken waardigheid. Niet alleen het afbreken, maar ook het in stand houden of weer opbouwen van de humaniteit begint dus met ogenschijnlijke bijzaken, met zaken als kunst en schoonheid. Dit moet de intuïtie zijn geweest van Churchill toen hij, op voorstellen om drastisch op kunst te bezuinigen omdat men in de oorlog wel wat anders te doen had, reageerde met de woorden: ‘Waarvoor vechten we dan in godsnaam!?’ Jules Schelvis heeft in elk geval zijn leven lang gevochten: tegen de vergetelheid en voor de menselijkheid. Dat deed hij door met ons zijn afgrondelijke ervaringen te delen. En door ons naar Bach te laten luisteren.

***

De bovenstaande column verscheen eerder op De Bezieling. Op 8 mei werkte ik elementen ervan uit in mijn preek voor de remonstrantse gemeente Eindhoven. De tekst hiervan vindt men hier: EC, preek RGE 8 mei.

 

 

 

Bezinning als openheid voor de chaos

“Je staat, individuele ziel, tegenover de overmaat.” – Adam Zagajewski

 

 

Omdat mij nimmer het ongemakkelijk knagende gevoel loslaat, dat ik werkzaam ben in de windhandel, voel ik me extra verantwoordelijk om er het beste van te maken. Dat is zeker het geval wanneer ik, zoals onlangs, het verzoek krijg om een spreekbeurt te houden over het erg algemene en daarmee vrijblijvendheid riskerende begrip ‘bezinning’.

Toen ik me voorbereidde op de lezing die ik moest houden, dook ik dus mijn boekenkast in en inventariseerde ik enkele degelijke en gezaghebbende benaderingen van dit onderwerp *. Aan de hand van de ‘trage vragen’ van Harry Kunneman, de ‘presentiebenadering’ van Andries Baart, de ‘kairotische’ tijdsbeleving van Joke Hermsen, de ‘wetende liefde’ van Martha Nussbaum en – last but not least – de ‘verwondering’ van Cornelis Verhoeven wist ik de vinger te leggen op de kern van bezonnenheid en bezinning. Deze kern bestaat erin dat we in staat en bereid zijn om de oneindige complexiteit en grenzenloze meerduidigheid van de werkelijkheid tot ons toe te laten. Dat we in staat en bereid om die werkelijkheid tot ons te laten spreken en uitspreken, in staat en bereid om ons door haar te laten leiden en verrassen. En dat dit leidt tot een nooit eindigende beweging, tot een nooit voltooide ontdekkingstocht in de onuitputtelijk rijke realiteit.

Bezinning is daarmee weliswaar een kwestie van ‘een pas op de plaats maken’, maar alles behalve passiviteit of vrijwillige hersendood – een dezer dagen veel geprezen houding, die in de traditie echter terecht wordt verfoeid als quiëtisme. Bezinning veronderstelt juist inspanning en discipline. Ze vereist geduld en eerbied, toeleg en aandacht. Geduld met de ons razend makende ‘ingewikkeldheid’ van vraagstukken en eerbied voor de sfinxachtige zwijgzaamheid van problemen. Toeleg om de vele vertakkingen van de taal en het denken te volgen. Waakzame aandacht voor het gevulde moment dat op ons toekomt wanneer het zichzelf daartoe rijp en rijk genoeg acht. – Dat we deze door en door actieve houding verwarren met passiviteit, hangt er waarschijnlijk mee samen dat ze een rem zet op onze aandrang om snel diagnoses te stellen en op basis daarvan te handelen – met het risico de werkelijkheid te reduceren tot een binaire karikatuur van zichzelf  en vanuit de heup erop los te schieten**.

Wat echter vooral een openbaring voor mij was, was het volgende. Terwijl ik mijn lezing voorbereidde, maar vooral toen ik in gesprek was met het uitnodigende gezelschap***, kwam een paradoxaal inzicht naar boven. Anders dan we geneigd zijn te denken, zijn bezonnenheid en bezinning geen middelen om de chaos van ons leven te beteugelen, laat staan te ontvluchten. Bezonnenheid en bezinning is de gereedheid om deze chaos – in de zin van de zaligmakende meerduidigheid van de werkelijkheid – onder ogen te zien. De wilde en ontregelende visioenen van de kluizenaars, die iconische personificaties van bezinning, zoals onder andere verbeeld door Jheronimus Bosch, getuigen van dit inzicht. Wie zich bezint duikt dus niet weg, maar is op zijn qui-vive voor de wild woekerende werkelijkheid die hem omgeeft. Bezinning is: de krampachtige behoefte om vanuit het ik orde aan te brengen loslaten en zich overgeven aan de wanorde.

Bezonnenheid en bezinning zijn mede om die reden – ook hier weer een paradox – ook geen vormen van introvertheid, ingekeerdheid. Ze zijn bij uitstek manieren om onszelf ‘binnenste buiten’ te keren, om extravert te zijn. Om onszelf te laten bevrijden uit de strikken van het verstikkende ik. Bezonnenheid en bezinning zijn geen methode om onszelf vol te zuigen – zoals het modieus versleten woord inspiratie suggereert (zie mijn vorige column). Ze zijn de gereedheid om ons binnenste gastvrij open te stellen voor het vreemde en de ander, die onophoudelijk en in steeds nieuwe gedaanten bij ons zullen blijven aankloppen – veelal om ons uit te nodigen ons veilige huis te verlaten en met hen het labyrint van de werkelijkheid te verkennen.

Noten

* Al denkende verruimde ik het onderwerp tot het begrippenpaar ‘bezinning en bezonnenheid’, waarbij het eerste woord verwijst naar het ‘doen’ en het tweede naar de ‘deugd’ die ten grondslag ligt aan dit doen of, met andere woorden, naar de bereidheid en gereedheid tot bezinning.

** Dit uit zich in de onverkwikkelijke ‘discussies’ rond het vluchtelingenvraagstuk. Dit punt is m.i. ook de kern van de fundamentele kritiek op de Levenseindekliniek, zoals die zichzelf presenteerde in de naar haar genoemde TV-documentaire, die enkele weken geleden werd uitgezonden.

*** Het betrof een groep mensen die trouw twee maal per maand bij elkaar komt om elkaar en de minder bedeelden in woord en daad van dienst te kunnen zijn, kortom: een toonbeeld van bezonnenheid en bezinning.

Inspiratie als stoplap

Gij zult u laten inspireren. Dit is het nieuwste gebod van de marketinggoeroes – als ik tenminste moet afgaan op de reclame-uitingen over tentoonstellingen, voorstellingen en nieuwe boeken. In één op de twee advertenties of spotjes over zo’n cultureel product komt het woord inspiratie of een afgeleide daarvan voor. Volgens de marketeers kan en moet de museumbezoeker of toeschouwer, de lezer of luisteraar zich door de kunst laten inspireren. Mijn ziel reageert enigszins kregel op het tomeloze gebruik van dit begrip. Misschien omdat het de verdenking oproept, dat inspiratie een gemakzuchtige en vage kreet is geworden, die zo ongeveer elke aangename sensatie lijkt te betekenen. Het is zo iets als ‘mieters’ of ‘heftig’ of ‘gewoon lekker’ – in elk geval weinig specifiek.

Er is echter meer aan de hand. Dit gebruik van het woord inspiratie is nogal verwarrend. Nog niet zo lang geleden immers zeiden we dat kunstwerken waren geïnspireerd – of beter nog: de kunstenaars. Inspiratie was iets wat de kunstenaar in het atelier of het podium overkwam – uiteraard altijd na een fase van toewijding, toeleg en discipline. De gewone sterveling stond, vervuld van ontzag en dankbaarheid, bewondering en verbazing, toe te kijken en te luisteren terwijl de kunstenaar (kwistig of kwellend gedoseerd) uitdeelde wat hij of zij dankzij de moeizaam veroverde muzenkus had geschapen. De inspiratie zelf echter bleef een geheim. De lezer, luisteraar of toeschouwer ving hooguit nog een laatste zuchtje op van de inspiratie – dat heette kippenvel – maar had verder het nakijken. Inspiratie: dat was iets van de ander en in het ander. Iets waarover je met fluisterzacht respect sprak.

Hoe komt het dat de betekenis nu 180 graden is omgekeerd? Dat ‘wij’ als kunstgenieters de geïnspireerden (moeten) zijn? Vermoedelijk hangt het samen met wat Lipovetsky en Serroy de ‘esthetisering van de wereld’ noemen. Bij elke stap die wij moderne westerlingen zetten in het maatschappelijke, economische en culturele verkeer vragen wij ons af of onze zintuiglijkheid voldoende aan haar trekken komt. Deze esthetisering is totaal en totalitair. Elke fase van het consumptieproces dient de zinnen te prikkelen en ons te amuseren: de reclame-uiting op zich is een kunstwerkje; het verrichten van de aankoop of transactie dient ‘fun’ te zijn (‘shoppen’); het product is zowel qua inhoud als qua vormgeving en verpakking een bron van verrukking; tenslotte krijgen we een ‘kick’ als we kunnen uitdragen dat we de trotse bezitters van dit product zijn. Het bezit van de zaak is slechts een deel van het vermaak.

Bij een ambitieuze thematentoonstelling – zoals enkele jaren geleden de Rothko-expositie in Den Haag – is dit patroon goed te zien. Rond de expositie wordt via marketing en vrije publiciteit (met als hoogtepunt het TV-programma De Wereld Draait Door) een sfeer van collectief genot en vermaak gecreëerd. Het bezoek van de tentoonstelling zelf, inclusief het veel te dure museumrestaurant, is een sensatie en de merchandise in de museumwinkel – variërend van hondenjasjes tot koelkastmagneetjes – staat garant voor zintuiglijke nazorg. Kunst moet in deze ‘zintuiglijkheidscultuur’ ‘iets met ons doen’, ons strelen en sterken.

Als deze diagnose enigszins klopt, werpt dat ook een verhelderend licht op de omkering van het begrip ‘inspiratie’. Het concept van de ‘geësthetiseerde’ cultuur lijkt in elk geval te verklaren, waarom wij de inspiratie naar ons toebuigen. Wij laten ons niet in de ban brengen en in onze baan houden door de ster van het kunstwerk met zijn eigen zwaartekracht: we staan zelf in het middelpunt. We genieten niet van de inspiratie van de kunstenaar als de ander, maar zuigen hem leeg. We luisteren en kijken niet ademloos naar kunst, maar snuiven haar op. We zetten onze ziel niet op het spel in de overgave aan het kunstwerk, doch onttrekken energie aan dat laatste voor ons gulzige ik. We willen geen extase, doch bevrediging; geen verrukking doch vervulling. We willen niet buiten adem raken in het gevecht met de overmacht van het schone, doch worden beademd. Kortom: we willen worden geïnspireerd.  Kunst als inspiratie: het is de voortdurend brommende luchtpomp voor ons naar adem happende, poreuze ik.

Of zou het begrip ‘inspiratie’ gewoon wat onhandig worden gebruikt door de marktkooplui? En betekent het nu juist, dat we nog steeds ontzag kunnen en willen opbrengen voor datgene wat ons boven het schedeldak gaat? Het is immers zo’n transcendent-erig woord. Ter geruststelling denk ik maar aan al die mensen die op Palmzondag weer vier uur lang hun zitvlees tuchtigen voor de Mattheuspassie. Dat zegt veel.

Te koop in de museumshop van het Van Gogh Museum in Amsterdam: en Van-Gogh-jasje voor uw poedel.

Te koop in de museumshop van het Van Gogh Museum in Amsterdam: een Van-Gogh-jasje voor uw poedel.

Om te huilen

“Denk ich an Deutschland in der Nacht…” H. Heine

 

 

 

Eén van de ideeën waarmee de knuffelsociaaldemocraat Thijs Wöltgens (1943-2008) ooit mijn hart stal, was de gedachte om Nederland als deelstaat te laten toetreden tot de Duitse Bondsrepubliek. Los van het onrealistische karakter ervan, vind ik de achtergrond van dit gedachte-experiment nogsteeds overtuigend. Niet als partner, bondgenoot of tegenspeler van een macht, doch alleen als deel ervan kun je als kleine natie gewicht in de schaal leggen. Niet als een ‘wij’ dat bij een ‘zij’ in het gevlei wil komen, doch als een klein ‘wij’ dat opgaat in een groter ‘wij’, kun je aanzien, respect en invloed krijgen. Daarvoor moet je wel bereid zijn om de schijnsoevereiniteit van een minilandje op te geven en onderdeel te worden van de reële soevereiniteit van een groot land.

Inmiddels is er echter nog minder draagvlak voor deze redenering dan destijds – zo maakt de ‘Europadiscussie’ duidelijk. We koesteren liever de troostprijs van een door ons gekozen, maar machteloze en tandeloze regering, die in internationaal verband met de pet moet rondgaan, dan dat we ook maar willen nadenken over het vormen van een Europese federatie met vergaande bevoegdheden, die op het wereldtoneel respect zou afdwingen en die ons in staat zou stellen een serieus te nemen regering te kiezen. (Alleen al het opschrijven van deze zinnen voelt inmiddels aan als een sneu achterhoedevechtpartijtje. We lijken de kans op het vormen van een respectabele federale Europese staat voorgoed te hebben verspeeld. De regie ligt de komende jaren bij mensen als Poetin en (huiver!) Trump – en bij terroristen die steeds meer hun agenda zullen bepalen.)

Culturele superioriteit

Ik had en heb ook om andere redenen sympathie voor Wöltgens’ idee. Niet alleen op geopolitiek en economisch vlak, maar ook op cultureel vlak ben ik Duitsland steeds meer als de meerdere gaan zien. Juist op dat vlak is Duitsland een land om jaloers op te zijn, een land waar je bij wilt horen. Daarbij doel ik niet op het al dan niet beschikken over een rijker cultureel erfgoed. Ik denk dat er op dat vlak al snel sprake is van gelijk spel. Als we tegen elkaar opbieden of onze bezittingen tegen elkaar wegstrepen, eindigt de strijd ongetwijfeld onbeslist. De Duitsers hebben een taal en een literatuur van internationale allure, maar wij hebben onovertroffen schilders. De Duitsers hebben talloze operahuizen, maar wij hebben het beste symfonieorkest ter wereld, om nog maar te zwijgen van andere ensembles (voor zover ze nog niet zijn wegbezuinigd onder druk van politieke partijen die zich als beschermers van ons erfgoed opwerpen). De Duitsers bakken beter brood, wij maken betere sigaren en jenever. Zo kun je wel doorgaan met het tegenover elkaar plaatsen van onze ‘canones’.

Met culturele superioriteit bedoel ik echter niet het beschikken over een voortreffelijke canon. Waarin zij m.i. bestaat kan ik het beste aanduiden aan de hand van een voorbeeld of een incarnatie van deze superioriteit. Het is de intellectueel en schrijver Navid Kermani. Als ik moet uitleggen wie hij is, wat hij vertegenwoordigt en betekent, zoek ik vergeefs naar Nederlandse equivalent. Ik ken tenminste geen Nederlander van enig kaliber met een vergelijkbare doorleefde eruditie van zowel oosterse als westerse cultuur. Ik ken geen landgenoot die zich, zoals Kermani, zonder krampachtige correctheid of gekunstelde distantie verdiept in zowel de Islam (die Kermani belijdt) als het christendom (waarmee hij sympathiseert) als het literaire en wijsgerige humanisme  – en die daarvan in het publiek getuigt en zo bruggen bouwt.

Kermani vertegewoordigt als persoon iets wat wij, voor zover ik weet, niet kennen (tenzij Aboutaleb in het geheim een wijsgerige roman van 1000 bladzijden aan het schrijven is). Daardoor kon hij in oktober 2015, toen hij in Frankfurt de Friedenspreis des Deutschen Buchhandels in ontvangst nam, ook een bewonderenswaardige daad stellen. Ik heb zijn dankrede twee maal gelezen en werd beide malen tot tranen geroerd. In deze toespraak verbindt Kermani namelijk, tegen de achtergrond van de crisis in het Midden-Oosten, islamitische en westerse zelfkritiek met bewondering voor een priester die in Syrië zo lang mogelijk trouw bleef aan zijn gemeenschap en aan de dialoog met moslims – totdat IS hem zijn project (en bijna zijn leven) onmogelijk maakte. Het hoogtepunt van de rede is het slot, als Kermani afziet van strijdvaardige taal maar oproept tot gebed voor de door IS ontvoerde christenen – waarbij hij de niet-gelovigen in de zaal vraagt, om in elk geval met hun wensen en gedachten bij de slachtoffers te zijn.

Verdachte tranen

Hoe authentiek waren mijn tranen? Was ik in de retorische val van Kermani getrapt en had ik me laten meeslepen door sentimentaliteit? Ik betwijfel het, al hebben cynici als ik een neiging tot compenserende sentimentaliteit. In elk geval was er meer aan de hand. Ik huilde ook tranen van jaloezie: jaloezie op een geseculariseerd buurland waar een spreker een publiek, samengesteld uit de intellectuele bloem der natie, zonder blikken of blozen uitnodigt tot gebed. Kunt u zich een literaire prijsuitreiking in Nederland voorstellen, waar zo onbekommerd bruggen worden geslagen, in woorden en daden, in gedachten en rituelen?

Natuurlijk heeft Kermani’s rede ook discussie en verontwaardiging opgeroepen. Hem werd verweten religie te instrumentaliseren en zich andere tradities toe te eigenen. Hem werd verweten niet-gelovigen in een gelovige val te lokken en in de publieke ruimte de grens tussen religie en seculiere maatschappij te schenden etc. Ondanks alle kanttekeningen bleef het ontzag echter overeind voor deze culturele vredestichter.

In commentaren werden bovendien vraagtekens geplaatst bij de euforie van christenen die (innerlijk) juichend opsprongen bij Kermani’s redevoering, omdat hij in het hol van de seculiere leeuw het christendom zo’n opsteker gaf. Deze kritiek geeft mij te denken en maakt me alsnog argwanend jegens mijn tranen. Is mijn ontroering misschien gewoon een uiting van deze ordinaire euforie? Voel ik alleen maar in mijn christelijke chauvinisme bevestigd, zonder dat ik het wil toegeven, of opgelucht omdat hier door een maatschappelijke autoriteit de secularisatie een halt wordt toegeroepen?

Zonder me zelf beter voor te doen dan anderen, meen ik toch dat dit niet het geval is. Bij ongelovige vertegenwoordigers van de culturele elite, die onverwacht toenadering zoeken tot het christendom (zoals postuum Joost Zwagerman), voel ik namelijk meestal eerder onbehagen. Na aanvankelijke euforie en dankbaarheid, onderga ik in tweede instantie verwarring en irritatie. Het lijkt alsof iemand aan de haal gaat met iets wat niet van hem is en goede sier maakt met andermans (i.c. mijn) veren. Als ik Kermani’s rede zou hebben ervaren als een adhesiebetuiging voor ‘mijn’ religie, zou de vreugde daarover van korte duur zijn geweest.

In een scherpe analyse wijst de voortreffelijke theologische website Feinschwarz.net er overigens op, dat de hier geschetste ontreddering misschien wel het beste is wat christenen kan overkomen. Het is namelijk een fikse streep door de rekening van hen die de exploitatie het geloof monopoliseren. Het draagt bij aan de zo broodnodige ‘kenosis’ van het christendom, als het zijn alleenvertoningsrecht verliest. Komt mijn ontroering dan misschien voort uit euforie over het feit dat Kermani mij helpt bij het doorstaan van dit onthechtingsproces? Nee. Ik ben niet zo masochistisch om Kermani juist hiervoor te bedanken – al is het maar omdat hij intiem is bevriend met de ultrakatholiek Martin Mosebach.

Ik houd het er maar op dat ik ben geraakt doordat Kermani in en met zijn rede een onorthodoxe en dappere daad heeft gesteld: een daad waarin hij tegenstellingen en verschillen overbrugde zonder een politiek correcte roze bril op te zetten. Hij deed hier iets wat hij in zijn hele (jammer genoeg niet altijd even toegankelijke) werk en zijn hele leven heeft gedaan. Waarom kan dit in Duitsland – en hier niet? Dat is toch om te huilen?

***

Kermani, Navid – Friedenspreis des Deutschen Buchhandels. Ansprachen aus Anlass der Verleihung. – Frankfurt am Main 2015.

(Deze uitgave bevat de Duitse teksten met Engelse vertaling, mitsgaders een volledige lijst van Kerman’s werken.)