Author Archives: admin

Om te huilen

“Denk ich an Deutschland in der Nacht…” H. Heine

 

 

 

Eén van de ideeën waarmee de knuffelsociaaldemocraat Thijs Wöltgens (1943-2008) ooit mijn hart stal, was de gedachte om Nederland als deelstaat te laten toetreden tot de Duitse Bondsrepubliek. Los van het onrealistische karakter ervan, vind ik de achtergrond van dit gedachte-experiment nogsteeds overtuigend. Niet als partner, bondgenoot of tegenspeler van een macht, doch alleen als deel ervan kun je als kleine natie gewicht in de schaal leggen. Niet als een ‘wij’ dat bij een ‘zij’ in het gevlei wil komen, doch als een klein ‘wij’ dat opgaat in een groter ‘wij’, kun je aanzien, respect en invloed krijgen. Daarvoor moet je wel bereid zijn om de schijnsoevereiniteit van een minilandje op te geven en onderdeel te worden van de reële soevereiniteit van een groot land.

Inmiddels is er echter nog minder draagvlak voor deze redenering dan destijds – zo maakt de ‘Europadiscussie’ duidelijk. We koesteren liever de troostprijs van een door ons gekozen, maar machteloze en tandeloze regering, die in internationaal verband met de pet moet rondgaan, dan dat we ook maar willen nadenken over het vormen van een Europese federatie met vergaande bevoegdheden, die op het wereldtoneel respect zou afdwingen en die ons in staat zou stellen een serieus te nemen regering te kiezen. (Alleen al het opschrijven van deze zinnen voelt inmiddels aan als een sneu achterhoedevechtpartijtje. We lijken de kans op het vormen van een respectabele federale Europese staat voorgoed te hebben verspeeld. De regie ligt de komende jaren bij mensen als Poetin en (huiver!) Trump – en bij terroristen die steeds meer hun agenda zullen bepalen.)

Culturele superioriteit

Ik had en heb ook om andere redenen sympathie voor Wöltgens’ idee. Niet alleen op geopolitiek en economisch vlak, maar ook op cultureel vlak ben ik Duitsland steeds meer als de meerdere gaan zien. Juist op dat vlak is Duitsland een land om jaloers op te zijn, een land waar je bij wilt horen. Daarbij doel ik niet op het al dan niet beschikken over een rijker cultureel erfgoed. Ik denk dat er op dat vlak al snel sprake is van gelijk spel. Als we tegen elkaar opbieden of onze bezittingen tegen elkaar wegstrepen, eindigt de strijd ongetwijfeld onbeslist. De Duitsers hebben een taal en een literatuur van internationale allure, maar wij hebben onovertroffen schilders. De Duitsers hebben talloze operahuizen, maar wij hebben het beste symfonieorkest ter wereld, om nog maar te zwijgen van andere ensembles (voor zover ze nog niet zijn wegbezuinigd onder druk van politieke partijen die zich als beschermers van ons erfgoed opwerpen). De Duitsers bakken beter brood, wij maken betere sigaren en jenever. Zo kun je wel doorgaan met het tegenover elkaar plaatsen van onze ‘canones’.

Met culturele superioriteit bedoel ik echter niet het beschikken over een voortreffelijke canon. Waarin zij m.i. bestaat kan ik het beste aanduiden aan de hand van een voorbeeld of een incarnatie van deze superioriteit. Het is de intellectueel en schrijver Navid Kermani. Als ik moet uitleggen wie hij is, wat hij vertegenwoordigt en betekent, zoek ik vergeefs naar Nederlandse equivalent. Ik ken tenminste geen Nederlander van enig kaliber met een vergelijkbare doorleefde eruditie van zowel oosterse als westerse cultuur. Ik ken geen landgenoot die zich, zoals Kermani, zonder krampachtige correctheid of gekunstelde distantie verdiept in zowel de Islam (die Kermani belijdt) als het christendom (waarmee hij sympathiseert) als het literaire en wijsgerige humanisme  – en die daarvan in het publiek getuigt en zo bruggen bouwt.

Kermani vertegewoordigt als persoon iets wat wij, voor zover ik weet, niet kennen (tenzij Aboutaleb in het geheim een wijsgerige roman van 1000 bladzijden aan het schrijven is). Daardoor kon hij in oktober 2015, toen hij in Frankfurt de Friedenspreis des Deutschen Buchhandels in ontvangst nam, ook een bewonderenswaardige daad stellen. Ik heb zijn dankrede twee maal gelezen en werd beide malen tot tranen geroerd. In deze toespraak verbindt Kermani namelijk, tegen de achtergrond van de crisis in het Midden-Oosten, islamitische en westerse zelfkritiek met bewondering voor een priester die in Syrië zo lang mogelijk trouw bleef aan zijn gemeenschap en aan de dialoog met moslims – totdat IS hem zijn project (en bijna zijn leven) onmogelijk maakte. Het hoogtepunt van de rede is het slot, als Kermani afziet van strijdvaardige taal maar oproept tot gebed voor de door IS ontvoerde christenen – waarbij hij de niet-gelovigen in de zaal vraagt, om in elk geval met hun wensen en gedachten bij de slachtoffers te zijn.

Verdachte tranen

Hoe authentiek waren mijn tranen? Was ik in de retorische val van Kermani getrapt en had ik me laten meeslepen door sentimentaliteit? Ik betwijfel het, al hebben cynici als ik een neiging tot compenserende sentimentaliteit. In elk geval was er meer aan de hand. Ik huilde ook tranen van jaloezie: jaloezie op een geseculariseerd buurland waar een spreker een publiek, samengesteld uit de intellectuele bloem der natie, zonder blikken of blozen uitnodigt tot gebed. Kunt u zich een literaire prijsuitreiking in Nederland voorstellen, waar zo onbekommerd bruggen worden geslagen, in woorden en daden, in gedachten en rituelen?

Natuurlijk heeft Kermani’s rede ook discussie en verontwaardiging opgeroepen. Hem werd verweten religie te instrumentaliseren en zich andere tradities toe te eigenen. Hem werd verweten niet-gelovigen in een gelovige val te lokken en in de publieke ruimte de grens tussen religie en seculiere maatschappij te schenden etc. Ondanks alle kanttekeningen bleef het ontzag echter overeind voor deze culturele vredestichter.

In commentaren werden bovendien vraagtekens geplaatst bij de euforie van christenen die (innerlijk) juichend opsprongen bij Kermani’s redevoering, omdat hij in het hol van de seculiere leeuw het christendom zo’n opsteker gaf. Deze kritiek geeft mij te denken en maakt me alsnog argwanend jegens mijn tranen. Is mijn ontroering misschien gewoon een uiting van deze ordinaire euforie? Voel ik alleen maar in mijn christelijke chauvinisme bevestigd, zonder dat ik het wil toegeven, of opgelucht omdat hier door een maatschappelijke autoriteit de secularisatie een halt wordt toegeroepen?

Zonder me zelf beter voor te doen dan anderen, meen ik toch dat dit niet het geval is. Bij ongelovige vertegenwoordigers van de culturele elite, die onverwacht toenadering zoeken tot het christendom (zoals postuum Joost Zwagerman), voel ik namelijk meestal eerder onbehagen. Na aanvankelijke euforie en dankbaarheid, onderga ik in tweede instantie verwarring en irritatie. Het lijkt alsof iemand aan de haal gaat met iets wat niet van hem is en goede sier maakt met andermans (i.c. mijn) veren. Als ik Kermani’s rede zou hebben ervaren als een adhesiebetuiging voor ‘mijn’ religie, zou de vreugde daarover van korte duur zijn geweest.

In een scherpe analyse wijst de voortreffelijke theologische website Feinschwarz.net er overigens op, dat de hier geschetste ontreddering misschien wel het beste is wat christenen kan overkomen. Het is namelijk een fikse streep door de rekening van hen die de exploitatie het geloof monopoliseren. Het draagt bij aan de zo broodnodige ‘kenosis’ van het christendom, als het zijn alleenvertoningsrecht verliest. Komt mijn ontroering dan misschien voort uit euforie over het feit dat Kermani mij helpt bij het doorstaan van dit onthechtingsproces? Nee. Ik ben niet zo masochistisch om Kermani juist hiervoor te bedanken – al is het maar omdat hij intiem is bevriend met de ultrakatholiek Martin Mosebach.

Ik houd het er maar op dat ik ben geraakt doordat Kermani in en met zijn rede een onorthodoxe en dappere daad heeft gesteld: een daad waarin hij tegenstellingen en verschillen overbrugde zonder een politiek correcte roze bril op te zetten. Hij deed hier iets wat hij in zijn hele (jammer genoeg niet altijd even toegankelijke) werk en zijn hele leven heeft gedaan. Waarom kan dit in Duitsland – en hier niet? Dat is toch om te huilen?

***

Kermani, Navid – Friedenspreis des Deutschen Buchhandels. Ansprachen aus Anlass der Verleihung. – Frankfurt am Main 2015.

(Deze uitgave bevat de Duitse teksten met Engelse vertaling, mitsgaders een volledige lijst van Kerman’s werken.)

 

Aanraken alstublieft!

Er zijn twee soorten kunstenaars: de onaanraakbaren en degenen die zich laten aanraken.

Tot de onaanraakbaren horen natuurlijk de eerbiedwaardige oude meesters, die terecht met veiligheidsmaatregelen worden omgeven. Voorts zijn er de levende kunstenaars die over hun broze en kwetsbare producten zorgvuldig laten waken door conservatoren. De materiaalkeuze speelt daarbij som een rol: een pindakaasvloer, een zijden plastiek of een zandtapijt is natuurlijk erg kwetsbaar. Maar zelfs kloeke stalen kubussen worden soms behoed als een zuigeling.

De onaanraakbaren vinden we ook veel in de uitvoerende kunsten. Tot deze groep hoort de musicus of acteur die van de wijs raakt door hoesters, de dirigent die van slag is als er ‘tussen de delen’ wordt geklapt of de barokmusicus die paniekerig op de vlucht slaat als een fuga van Bach niet ‘authentiek’ wordt uitgevoerd. Dan zijn er ook nog de schrijvers en toondichters die in elk citaat plagiaat zien en architecten die naar de rechter stappen als een jaloezietje de uitgebalanceerde vlakverdeling in hun gevel verstoort.

Tegenover deze kruidje-roer-me-niets staan degenen die het allemaal niet zo nauw nemen, de raak-me-aans. Ze nodigen het publiek uit om hun werk te betasten of erover heen te lopen – met als bekend voorbeeld Jean Dubuffet met zijn Jardin d’émail in de beeldenruin van het Kröller-Müller-Museum. De podiumartiesten onder hen juichen het toe als het publiek zijn enthousiasme uit door voortijdig applaus. De schrijvers zien het als een eer en een uitnodiging tot gesprek, als hun woorden worden geciteerd en als anderen op hun werk variëren en voortborduren.

Al is de eerste categorie wellicht al te angstvallig of te krampachtig en kan de tweede categorie misschien wat slordig of gemakzuchtig overkomen: beide groepen hebben ergens gelijk. Dit heeft te maken met een fundamentele paradox die eigen is aan kunst – en die de kunst gemeen heeft met symbolen, rituelen en religieuze teksten. Een kunstwerk verwijst naar een mysterie: het mysterie van het object dat wordt verbeeld en van het subject dat zich erin uitdrukt. Dit mysterie is volstrekt aangewezen op dat kunstwerk. Zonder vorm vervliegt de inhoud. In het broze vat van de vorm schuilt het kostbare goed van de inhoud, die niet los verkrijgbaar is. Daarom omgeven we het vat met zorg. Aan de andere kant is het kunstwerk is ook relatief. Het valt niet samen met het mysterie waarnaar het verwijst. Het verwijst er ‘slechts’ naar, het is ‘slechts’ een vat, een vorm. De inhoud trekt zich terug zodra het zich vertoont, het verhult zich du moment dat het zich onthult. Daarom is het kunstwerk als zodanig niet heilig en kan het zichzelf niet al te serieus nemen.

De onaanraakbaren en aanraakbaren hebben beide een aandeel in deze paradoxale waarheid. De onaanraakbaren nemen de kunst serieus, voor zover ze serieus moet worden genomen. Ze wapenen ons tegen relativisme en tegen het trivialiseren van de vorm die zo innig is verstrengeld met de inhoud. Uiteraard lopen ze het gevaar om werken en hun makers onnodig heilig te verklaren. De raakbaren op hun beurt zien kunst daarom terecht in perspectief en relativeren haar. Ze genezen ons van contactvrees en laten ons ondervinden dat er niets kan gebeuren als we kunst aanraken. Dit heeft overigens ook te maken met het besef dat goede kunst wel tegen een stootje kan. De raakbare kunstenaar stelt zich niet ‘kwetsbaar’ op, zoals het cliché zegt, maar juist zelfbewust.

We zullen uiteraard ons erfgoed moeten blijven beschermen tegen de slordigheid van het publiek – en zeker tegen cultuurbarbaren. Los daarvan ga ik echter, in deze narcistische en opvliegerige tijd, steeds meer sympathiseren met de raakbaren. Ze sluiten zich niet op in hun ivoren toren, nemen zichzelf niet al te serieus – en het publiek daarentegen des te meer. Dit dwingt meer respect af dan het zichzelf omgeven met de bomgordel van taboes.

***

De bovenstaande column verscheen eerder op De Bezieling.

Leve de PvdA!

Over het ingewikkelde leven van een PvdA-lid en de hoop op het doorbraak-DNA

De partij waarvan ik lid ben is jarig en wordt zeventig jaar. Nu ben ik een slapend lid van de PvdA. Dat zal vooral komen doordat ik in een milieu ben opgegroeid, waarin mij de allergie voor deze politieke stroming met de paplepel werd ingegeven, zodat er altijd een ambivalent gevoel jegens haar zal blijven bestaan – een milieu bovendien waarin aan lidmaatschappen niet snel een activistische invulling werd gegeven.

Een katholieke opvoeding
Wat dat laatste betreft: het vakbondswerk van mijn vader bleef ertoe beperkt, dat hij jaarlijks naar een voor zijn medegezinsleden in nevelen gehulde bijeenkomst toog van de UNIE BLHP – of van de voorganger van deze non-descripte belangenorganisatie. Het was de enige dag in het jaar dat mijn vader zonder zijn echtgenote buitenshuis overnachtte. Vóór zijn vertrek trok mijn moeder dan ook met extra veel aandacht de knoop in zijn stropdas recht en drukte zij hem met dichtgeknepen keel op het hart, zich vooral niet te laten ‘strikken’ voor een kaderfunctie. (De vraag of sublimering van een andere vrees in het spel was, stelde ik me overigens pas veel later, vooral als het beeld van de door moeder de vrouw onbewust-demonstratief vastgehouden stropdas voor mijn geestesoog verscheen en bij mij freudiaanse associaties opriep.) Daarna zagen wij kinderen mijn vader aan de einder verdwijnen, de wijde wereld in. (Die lag in dit geval overigens in het bosrijke conferentie-oord Woudschoten, geen plaats waar grote gevaren voor geloof en zeden of anderszins voor de stabiliteit van het gezinsleven op de loer lagen, zoals ik later ondervond.)

Ook voor het overige gaven mijn ouders niet een zeer militante invulling aan hun lidmaatschap van het middenveld, i.c. de katholieke zuil. Die laatste hielden ze overeind door de KRO-Gids te ontvangen en bij verkiezingen op de KVP, resp. het CDA te stemmen. Dat mijn broer en ik naar een katholieke basisschool gingen, kan nauwelijks het gevolg van een bewuste keuze worden genoemd. Wij gingen als katholieke dubbeltjes gewoon naar de dichtstbijzijnde onderwijsinstelling voor katholieke dubbeltjes, uiteraard geplaatst onder het patronage van Sint Jozef, de heilige van de gewone man – om later overigens dankzij het voortreffelijke, door Franciscanen geleide Bernardinuscollege alsnog op te klimmen tot kwartjes (en helaas niet tot PvdA-kopstuk, zoals anderen).

Een geheime voedingsbodem
Terug naar de PvdA… nu toch de woorden ‘gewone man’ zijn gevallen. Helemaal afwezig was de partij niet in ons milieu. Gaandeweg ben ik erachter gekomen dat er onterfde, verstoten of in elk geval angstvallig uit de buurt gehouden achterneven van mijn vader bestonden, die zich voor de partij verdienstelijk maakten in Maastricht, de geboortegrond van de Nederlandse sociaaldemocratie. Bovendien waren mijn ouders ballingen, als Maastrichtenaren ontheemd hun dagen slijtend in de oostelijke mijnstreek. Daardoor waren ze blij met ieder contact met medeballingen en leefden ze op vriendschappelijke voet met de buren, die uit een verstokt Winterswijks SDAP-milieu stamden en dit niet onder stoelen of banken staken. Op de plek waar bij ons een crucifix hing, hing bij hen een koperen bas-reliëf dat Willem Drees voorstelde.

Al met al was en is mijn innerlijk niet gespeend van een dunne voedingsbodem waarop ik rond 1995 het prille plantje van het PvdA-lidmaatschap plaatste – nadat ik het in mijn studententijd balorige aangegane Groen-Links-lidmaatschap had opgegeven. Hartelijk en warm is mijn band met de PvdA, zoals gezegd, echter nooit geworden. Dat lag en ligt aan mij, maar misschien ook aan mijn aangeboren afkeer van gaar gekookte spruitjes en – je moet de schuld soms ook bij de ander kunnen leggen – van het ostracisme waaraan de partij zich steeds weer leek te bezondigen, vooral op landelijk niveau, en dat haar het verwijt van regentesk of bestuurlijk-elitair optreden opleverde.

En toch: vertrouwen in de doorbraakgedachte
Dat ik lid ben gebleven is echter meer dan bij gebrek aan beter. Ik was, ben en blijf ervan overtuigd dat de PvdA in haar kern de enige partij is met een weerbestendig, op het midden koersend denkkader – dat in de praktijk helaas steeds wordt verdrongen door extreme ideologische uitschieters naar links of door cynisch-pragmatische uitschieters naar rechts. Ik vertrouw echter nog steeds in die sociaal-liberale kern, een kern overigens die zich open en inclusief verhoudt ten opzichte van diverse levensbeschouwelijke, ook religieuze stromingen. Kortom: de doorbraakgedachte blijft voor mij klassiek en duurzaam. Los van het amateurisme waarmee de partij zich telkens weer stort in een avontuur met een mediagenieke partijleider die in de hitte van de strijd door de mand valt; los van de barre peilingen; los van de onhandigheid waarmee ze reageert op het gejen door de PVV – los van dat alles geloof ik dat het moet lukken om die doorbraakgedachte weer te verzilveren. Dan moet de PvdA echter consequent haar doorbraak-DNA in praktijk brengen en daarin stug volhouden.

Dat wil vandaag de dag onder andere zeggen: zich niet laten verleiden om uit electorale paniek populistisch-links af te slaan of juist neoliberaal pragmatistisch te verharden. Dat wil ook zeggen: niet de categorieën uit het verleden toepassen op de maatschappelijke problemen en politieke impasses van vandaag (ook en zeker niet het jaren-dertig-frame) etc.

Positief uitgedrukt bestaat de uitdaging er o.a. in om een gezond universalisme te tonen als het gaat om rechten, waarden en normen – waarbij het respect voor de waardigheid van vrouwen en homo’s meer is dan een kwestie van cultuurbepaalde smaak of etiquette, waaraan de gast zich uit beleefdheid dient te conformeren, zoals dezer dagen nogal eens wordt gesuggereerd – en dit dan weer in het besef dat de ‘particuliere’ levensbeschouwelijke stromingen in de erkenning van die universele rechten convergeren en dat dus een krampachtig laïcisme niet aan de orde is, evenmin als een verlamd-machteloos zwijgzame non-reactie op misstanden bij religieuze of etnische groeperingen. Dat betekent doorbraakdenken. En veel meer.

Die laatste zin was te lang. Maar zo ingewikkeld is het allemaal ook, als je als argeloos PvdA-lid probeert dit lidmaatschap voor jezelf te verantwoorden – en als je je hoop op deze in haar kern gezonde en vitale stroming stelt.

Vergeten geluk – naar aanleiding van Marcia Luytens nieuwste boek

Ik ben opgegroeid in een kleine, beschutte wereld. Die wereld heette Zuid-Limburg. Om precies te zijn groeide ik op in Heerlen. Mijn ouders kwamen uit Maastricht. Ons gezin was slecht geassimileerd. Het vormde op zijn beurt een nog kleinere wereld binnen de microkosmos van de Mijnstreek, een schulp binnen een schulp, een cocon binnen een cocon. Dit coconkarakter of – om met Midas Dekkers te spreken – de ‘thigmofiele’ neiging van Zuid-Limburg uit zich op een complexe manier.

De Zuid-Limburger ziet zichzelf als verliezer of slachtoffer van historische en maatschappelijke processen. Hij ziet zichzelf als een hardnekkig dubbeltje dat nooit een kwartje kan worden en legt de verantwoordelijkheid daarvoor bij het noodlot, God of hogere machten in de samenleving. Dit levensbesef stemt hem niet militant, doch eerder bitter en melancholiek (ook in de letterlijke betekenis ‘zwartgallig’). Tevens geeft hij aan die melancholie een positieve draai door te schuilen in invented traditions, volksvroomheid, folklore, dialectcultuur,  kleine en grote verhalen van dapperheid en vroomheid etc. Deze nostalgische fenomenen vormen een warme schuilplaats en een innerlijke burcht en vestigen en bevestigen een identiteit.

Tegenstrijdigheden dringen zich echter op. Zuid-Limburg behoort tot de streken in Nederland waar modernisering, industrialisering en secularisering als eerste toesloegen. Al vroeg raakte Zuid-Limburg los van God en de voorouders. Gezongen en vertelde verhalen die een idyllische sfeer bezweren van bronsgroen eikenhout, kneuterige kapelletjes en door bossen en beemden slingerende beekjes en rivieren, zijn vaak eerder compensatie dan een weergave van de feitelijkheid. Dat zelfde geldt voor het romantiseren van het verleden van boeren en arbeiders en voor de heroïsering van de mijnwerkers. Uiteraard staat tegenover de romantiek ook een sociaal-realistische traditie in de literatuur, de popmuziek en de geschiedschrijving. Dit realisme schiet soms door in negatieve mythevorming en demonisering – zoals bijvoorbeeld rond de persoon van keramiekkoning Petrus Regout.

Het nieuwe boek van Marcia Luyten, Het Geluk van Limburg, is in dit opzicht verhelderend. Luyten laat in vogelvlucht de geschiedenis van de mijnstreek zien, waarbij ze inhoudelijk weinig toevoegt aan datgene wat er bekend was, maar dit gekende knap verbindt met het perspectief van één persoon en diens levensverhaal: dat van de Kerkraadse kleinkunstenaar Jack Vinders (1949). Het boek presenteert zichzelf niet als biografie – pas al lezende kom je erachter dat Vinders de hoofdrolspeler is. Dit procedé benadrukt dat het gaat om geschiedenis en niet om een levensverhaal van een buitenbeentje. Heel Bijbels: het verhaal van de enkeling is een hologram waarin de grote geschiedenis zich afspiegelt.

Aan de hand van Vinders’ levensverhaal dringen zich de genoemde tegenstrijdigheden op. Zo was er enerzijds in de mijnstreek een ‘van bovenaf’ gestimuleerde  en ‘van onderaf’ gekoesterde heldencultus rond de ondergrondse werker. Anderzijds werd het vooruitzicht om levenslang de diepte in te moeten door veel jongens ervaren als een vloek. Vinders slaagde er door geluk en volharding in, om aan dit lot te ontkomen. Luyten beschrijft deze ‘ontworsteling’. Des te wonderlijker is het dat Vinders de laatste jaren is gaan horen tot de vertolkers van het genre van nostalgische dialectballads. De liedjes uit dit genre vertellen niet alleen verhalen van strijd en victorie over het noodlot, maar ook van weemoed en het treuren over verloren gegaan of misgelopen klein geluk.

Als ik nu door Heerlen loop, word ik bij mezelf een mengsel van gevoelens gewaar. Ik het gehavende verleden onder ogen, maar treur niet over mijn jeugd, die zich afspeelde in de door crisis geteisterde regio. Ik ben ook dankbaar over kleine plukjes geluk. En ik betreur dat ik jaren lang geen oog heb gehad voor de schoonheid waarop mijn kleinburgerlijke milieu zo schamper reageerde: de schitterende architectuur van Peutz. Zijn sinds tien jaar in oude glorie herstelde ‘Glaspaleis’ of ‘Schunckgebouw’, is in zijn transparantie hopelijk een metafoor voor een Zuid-Limburg dat zich weer opent voor vergezichten en frisse winden en dat zijn geborgenheid zoekt in openheid.

***

De bovenstaande column verscheen eerder op De Bezieling.

Herinneringen aan mijn geheugen – Week van de Poëzie 2016

 

 

 

 

 

Camera Obscura

Mijn geheugen was een schat. Het bracht
me feilloos naar mijn school en loodste mij
langs in plantsoenen en verkeer zich schuil
houdende gevaren, als een engel.

Mijn geheugen was een vat, een on-
begrensde opbergplaats: voor tafeltjes,
grammaticale regels, liedjes, flarden
Mozart, grappen van Toon Hermans en
gedichten die ik voordroeg voor mezelf.

Feilloos fluisterde het in mijn oor
‘t verlossend antwoord bij examens of de
smoes die ik soms nodig had: een redder
in de nood, een trouwe bondgenoot.

Het was destijds ontvankelijk, gevoelig
als een camera, zo jeugdig als
de schoonheid die het stiekem portretteerde:
Onbeschreven blad, de onschuld zelf.
Maar ook gewiekst en lenig kon het zijn,
de feiten te slim af, een boeienkoning.

Levenslang was mijn geheugen partner
in crime. Soms vrees ik echter dat ook ik
zijn doelwit ben en dat het vleiend beeld,
dat ik hier schets, slechts zijn boosaardig werk is,
en dat het mij zijn waar gezicht onthoudt.

Inmiddels is het oud als ik: zo star,
hardleers, weerspannig, dor. De rek en ruimte
zijn er uit. – Ik heb er vrede mee,
zolang het maar de bergplaats blijft voor
één herinnering: die aan zijn eigen
jeugdigheid, al is die ook een leugen.

 

***

Geschreven naar aanleiding van de Week van de Poëzie 2016 met het thema ‘herinnering’.

De ontmythologisering van de liefde

Als er iets in onze cultuur wordt geromantiseerd, dan is het wel de liefde. Of het nu de liefde is tussen partners, tussen ouders en kinderen, tussen vrienden en vriendinnen of tussen God en mens: we voorzien haar van een aureool, vervagen haar contouren met een verzachtend sfumato en overgieten haar met een roze schijn. De liefde wordt vereenzelvigd met een voortdurende extase, die zelfs uit het offer nog genot put en te midden van de grootste turbulentie nog een onverwoestbare innerlijke rust vindt.

Ogenschijnlijk is deze opvatting, die we vinden in de literatuur, de kunst en de religie, van alle tijden. Niettemin heeft ze haar hoogtepunt pas bereikt in de periode die we nu gemakshalve als romantiek aanduiden. De pasteltinten en omfloerste vormen waarmee we de liefde sindsdien steevast portretteren, hebben ons doen vergeten dat ze ook lust, eigenbelang en calculatie kent. Zelfs in de religieuze liefde speelt het berekenende aspect een rol. In de Bijbel bijvoorbeeld  is de liefde tussen God en mensen eerder een veeleisend bondgenootschap, dan de verrukte liefde die de latere spiritualiteit ervan heeft gemaakt.

Het sluiten van de liefde gaat, als we eerlijk zijn, niet zonder een afweging. Ook echter het in stand houden van de liefde kent een ontnuchterend mengsel van motieven. We hebben in de ander geïnvesteerd en de liefde heeft ons het nodige gekost. Of er is een gevoel van plicht in geslopen. Deze berekening en dit plichtsbesef werpen een ontnuchterend schril TL-licht op de liefde. Dat onder de romantische schijn deze wereld van belang en verplichting ligt, kunnen we nooit helemaal verdringen. Dat leidt vroeg of laat tot een gespleten gevoel en schaamte.

De liefde kent nog een andere ambivalentie. Vaak wordt ze overschaduwd door ergernis en verwijt over en weer. Ook daarvoor generen we ons. Vooral ouders geven deze gevoelens van bitterheid maar met moeite toe. Je kind heeft een inbreuk op je leven gemaakt – en doet dat nog steeds. Het heeft je lichamelijk uitgeput tijdens zwangerschap en geboorte en sindsdien niet zelden het bloed onder je nagels vandaan gehaald. Dat is niet altijd te verteren. Maar juist dat bittere gevoel zelf is op zijn beurt ook niet te verteren. Liefde moet totaal zijn en mag geen voorbehoud kennen.

In de kunstgeschiedenis bestaan veel motieven die de absolute en compromisloze liefde vertegenwoordigen – of waarin wij als postromantische mensen haar projecteren. Toen ik onlangs in Madrid door het Prado slenterde, viel mij een dergelijk motief weer eens op: de zogende Maria oftewel de virgo lactans. Veelal wordt deze voorstelling nogal idyllisch uitgewerkt. Uit de naar binnen gekeerde blik van Onze Lieve Vrouw spreekt overgave  en geluk. De op haar schoot gezeten Jezus kijkt haar dankbaar en verzaligd aan – soms ook wat triomfantelijk, maar dat vergeven we een door aandacht verwend, alleswetend nieuwe-tijdskind graag in onze cultuur.

Reymerswaele-Virgo-Lactans-web-groot

Gelukkig zijn er ook schilders als Van Reymerswaele (ca. 1490-1550). Hij geeft moeder en kind uiterst realistisch weer. Zo zit Jezus, zoals het een echte zuigeling betaamt, nog te ruim in zijn geplooide vel en is hij, met zijn op oneindig gerichte blik, één en al honger. Maria vertoont op haar beurt sporen van slijtage. De toegewijde wijze waarop ze haar zoon voedt, laat vermoeidheid doorschemeren over het gevecht dat de bevalling moet zijn geweest. Haar handen verraden een leven van zwoegen, waarin een pasgeboren kind niet alleen maar een geschenk uit de hemel is.

Staande voor dit schilderijtje uit de eerste helft van de zestiende eeuw, sla je een zucht van verlichting over zoveel eerlijkheid en over de ontmythologisering van de liefde tussen een moeder en haar pas geboren kind. Je kunt je zomaar voorstellen, dat Maria haar huilende zuigeling ook wel eens achter het belang heeft willen plakken. Dat is een hele opluchting. En misschien is dit schilderijtje ook wel een icoon van de ware liefde: de liefde die moeite kost en die zich niet schaamt voor haar alledaagse verschijning.

 

***

De bovenstaande tekst verscheen eerder op De Bezieling.

Als kritiek een karikatuur van zichzelf wordt

Het religieuze beeldverbod heeft in de geschiedenis altijd voor trammelant gezorgd. Discussies en ongenoegens liepen geregeld hoog op en ontlaadden zich in iconoclasmes, beeldenstormen en culturele revoluties (lees: terreur) tegen de makers van beelden. Helaas is het drama rond Charlie Hebdo slechts één van de vele voorbeelden van deze duistere geschiedenis. Het beeldverbod kennen we onder ander uit de zogenaamde tien geboden (Exodus 20). En hiermee is het gecompliceerd gesteld.

Op de eerste plaats wordt er een stokje gestoken tegen het in beeld brengen van de Verborgene zelf. Dit behelst meer dan een verbod op het maken van plaatjes. Niet alleen het letterlijk uitbeelden is ongeoorloofd, maar ook het vastleggen van ideeën, opvattingen en dogma’s over de Levende wordt op zijn zachtst gezegd sterk gerelativeerd. God mag en kan niet worden vereenvoudigd en grijpbaar worden gemaakt, door welke betekenaars dan ook: of het nu beelden zijn of woorden, gedachten of gevoelens. In die zin is het beeldverbod het begin van de zelfkritiek van de religie en is het een voortdurende angel in het vlees van de grote theologen en mystici geweest.

Het beeldverbod betreft tevens het maken van wezens om ons heen. Afhankelijk van de traditie waarin men staat, wordt hiermee strikter of ontspannener omgegaan. Ook voor dit aspect van het verbod geldt, dat het verder gaat dan het visuele beeld. Het is ook een oproep om de werkelijkheid om ons heen – de andere mens voorop – niet te reduceren tot stereotypen. Het is het verbod op framing: die verlammende en dodelijke manier om mensen gevangen te houden in onze verwachtingen. In die zin roept het vragen op bij karikaturale clichés over bijvoorbeeld de Koran of het Oude Testament als gewelddadige boeken en over de lezers ervan als achterlijke mensen.

Het beeldverbod heeft nog een implicatie, die vroeg of laat moet opdagen in het hoofd van een modern mens. Als het framen van God en de medemens ongeoorloofd is, dan raakt dit ook het beeld dat we van onszelf creëren en in stand houden. We stileren in ons sociale verkeer voortdurend onszelf – bijvoorbeeld  als hoogstaand en verfijnd, als ontwikkeld en beschaafd, als nuchter en pragmatisch, als rationeel en zakelijk, als authentiek en direct etc. In woord en gebaar, door gedrag en kleding delen we onszelf in bij onze favoriete categorie. Omdat we dat doen om onszelf af te zetten tegen de ander, zetten we onze kenmerken dik aan. Zo creëren we een cliché, waaraan we onszelf voortdurend ijken en worden we geleidelijk een karikatuur van onszelf.

Ik heb met enige verbazing het optreden van Dimitri Verhulst in de media gevolgd. De aanleiding was zijn nieuwe publicatie Bloedboek. De passie, ja het fanatisme waarmee hij de veronderstelde achterlijkheid van de eerste boeken uit het Oude Testament bestrijdt valt me tegen – te meer daar ik een bewonderaar ben van Verhulsts pezige en vlezige stijl. Verhulst doet geen recht aan het feit dat er een lange traditie van Bijbeluitleg bestaat, die de aan de kaak gestelde teksten heeft gematigd. Hij doet geen recht aan het feit dat de Tora met haar beeldverbod juist de zelfkritiek in het leven heeft geroepen en de bakermat is van humaniteit. Door zijn uitlatingen schept hij een karikatuur van een boek, een godsdienst en een groep. Hij kan nog zo hard roepen, dat hij geen antisemiet is: ik zie in zijn uitlatingen geen verschil met het tekenen van gebochelde mannetjes met een kromme neus.

Wat echter het ergste en meest verontrustende is: Verhulst schept vooral een karikatuur van zichzelf en van de groep waartoe hij zich blijkbaar rekent. Hij maakt de religiekritiek belachelijk en draagt eraan bij dat zij niet serieus genomen wordt. Zijn humorloosheid maakt dat laatste nog moeilijker. (Wat dit betreft had hij veel kunnen leren van de inlevende en sympathiserende kritiek van Thomas Manns ‘Jozefromans’.) Er waren en zijn meer volwassen en diepzinnige vormen van bijbelkritiek – te beginnen bij de zelfkritiek in de bijbel en de traditie. En de kern daarvan is even eenvoudig als ongemakkelijk: Gij zult geen karikatuur maken: noch van God, noch van uw naaste, noch van uzelf. Daarmee doe je iedereen tekort.

 

***

 

Deze column verscheen eerder op De Bezieling.

Het terrorisme en de tovenaars

Politieke voorkeur is ook altijd een kwestie van smaak en temperament. Daarom is mijn standpunt, zoals dat van ieder ander, in veel kwesties voorspelbaar, zij het met een zekere bandbreedte. Dat geldt ook voor mijn reactie op het terrorisme in onze Europese steden. Ik hoor tot de politiek correcte stam in dezen. Als u verder leest, bent u een gewaarschuwd mens.

Nu ik dit schrijf realiseer ik me, hoe vreemd het is dat dit thema wordt gepolitiseerd. Terrorisme is immers een volstrekt nihilistisch fenomeen. Het is de meest zuivere, ingedikte, gecondenseerde vorm van zinloos en redeloos geweld. Wat valt daarover of daarvan te ‘vinden’?  Dat doen we bij stormen of overstromingen immers ook niet… hoewel, toegegeven, daarover juist de door en door gepolitiseerde klimaatdiscussie gaat.

Het nihilisme-argument helpt je echter blijkbaar niet om de politieke discussie uit de weg te gaan. Beweren dat terrorisme een vorm van nihilisme is, wordt als zodanig al snel opgevat als een politiek standpunt. Wie de nihilisme-stelling aanhangt, wordt al spoedig bestempeld tot een ‘wegkijker’ die niet de perverse rationaliteit van de boosdoeners onder ogen wil zien.

Er is natuurlijk wel degelijk sprake van een bepaald soort rationaliteit bij zinloos geweld – en daar zit de crux. De daders mogen gespeend zijn van alles wat maar in de buurt komt van betekenisgeving: op een elementair (psychologisch) niveau is er wel degelijk sprake van oorzaken en gevolgen, van blinde motieven en reflexen, van in principe doorgrondbare mechanismen. Op basis van een analyse daarvan kunnen we aan preventie doen. Kortom: we kunnen gewoon ouderwets ons sociologisch huiswerk maken. Uiteraard kunnen daarmee niets garanderen, maar de problematiek wel voor een groot deel indammen. Toveren kunnen we niet.

Dat laatste verklaart wellicht de woede van ‘rechts’ tegen de ‘zachte’ aanpak van hen die de wijken, de moskeeën en de scholen in willen gaan en die de voor jihadisme vatbare jongeren willen behoeden voor het afdwalen naar dit fatale verschijnsel. Je kunt nog zoveel maatschappelijk werkers, buurtcoaches of gematigde geestelijken op deze kinderen afsturen: voor honderd procent garanderen kun je het succes niet. Dat weten de ‘zachten’ goed en dat steken ze niet onder stoelen of banken.

Het punt is echter dat de harde aanpak ook niets kan garanderen. Je kunt de Koran verbieden en alle moskeeën sluiten. Je kunt grenzen dichtgooien en vluchtelingen onder verdenking plaatsen en de toegang tot ons land weigeren. Durven de bepleiters van deze aanpak echter hun hand ervoor in het vuur te steken, dat dit wel werkt? Staan zij ervoor in, dat we op deze manier gevrijwaard blijven voor het demonische geweld?

Stel – bij wijze van gedachte-experiment – dat een rechtse meerderheid dit soort maatregelen (bedoeld als preventie of als sanctie) kan doorvoeren. We kunnen er zeker van zijn, dat er iemand door de mazen van het net glipt en alsnog zijn kans ziet om dood en verderf te zaaien. Ja: het afschrikwekkende beleid zal hem misschien zelfs prikkelen en provoceren. Wat is dan de volgende stap? Ik wil dit eigenlijk niet weten.

Nee, dit is geen retoriek. Nee, ik zeg niet dat Wilders of verwante geesten het terrorisme sterker maken, laat staan veroorzaken. Ik zeg wel dat zij met hun spierballen evenmin kunnen toveren, als de softe politiek correcte elite. Ik zeg wel dat de door hen voorgestane repressie zichzelf in de voet schiet. Ik zeg wel dat de echte wegkijkers diegenen zijn, die niet bereid zijn om samenhangen te analyseren en dus eerlijke preventie (die nooit een restloze risicoreductie is) in de weg staan. Deze kermismagiërs zouden er beter aan doen, om mee te denken over oplossingen. Zolang ze dat niet doen, doen ze bij voorbaat aan kiezersbedrog.

Onbevangen ontmoetingen

De architectuur levert vaak metaforen, waarmee het abstracte en zachte vakgebied van de theologie zich verstaanbaar kan maken. Zo maak ik graag gebruik van Van Reeths beeld van de ‘intelligente ruïne’, als ik probeer onderscheid te maken tussen duurzame en vergankelijke tradities. Een ander beeld is op de theologische markt gebracht door de Vlaamse theoloog Bert Roebben: de narthex. De narthex is dat gedeelte van het kerkgebouw, waarin de overgang wordt gemaakt van het profane naar het sacrale, van de wereld naar het geloof – en andersom. Het is een soort ‘voorgeborchte’, dat je in de stemming brengt voor het betreden van het domein van het allerheiligste of – in omgekeerde richting – waarin je weer kunt wennen aan het licht en de lucht van de buitenwereld.

Als beeld duidt de narthex op het overgangsgebied tussen leven en geloof, het gebied van levensvragen en vermoedens van het heilige. Het is verleidelijk om dit dan te zien als een antichambre, waarin we ons voorbereiden op het heilige hart van het geloof en waarin de geesten rijp worden gemaakt voor de verkondiging. Het overgangsgebied of de denkbeeldige tussenruimte krijgt echter steeds meer waarde en betekenis in zich, aldus Roebben. De narthex in overdrachtelijke zin wordt belangrijker, naarmate we minder duidelijkheid hebben over wat het ‘wezenlijke’ van het geloof nu eigenlijk is. Het zicht op het heiligdom is steeds minder eenduidig, zodat het voorportaal van het geloof een centralere betekenis krijgt. Hier zoeken mensen met hun verschillen elkaar op, proberen ze nieuwe combinaties uit. Zo komen ze tot innovatie van het geloof en innerlijke vernieuwing.

Het portaal werd overigens reeds in 1966 al gebruikt als beeldspraak en wel door Anton van Duinkerken in zijn Festoenen voor een kerkportaal. De ‘sluis van het gemoed’- zo karakteriseerde hij het portaal – is een metafoor voor het overlapgebied tussen kunst en religie, voor de ‘overgangsruimte tussen dichterlijke ontroering en godvruchtige vervoering’. In deze tussenruimte of dit overgangsgebied behouden beide sferen hun eigen aard en recht. Ze gaan elkaar echter ook niet uit de weg en laten zich iets aan elkaar gelegen liggen. Zonder in elkaar op te gaan, hebben de twee sferen een boodschap aan elkaar en verrijken ze elkaar. Zolang ze elkaar echter uit de weg gaan, verschralen ze: ‘Ongevoeligheid voor het magische element in de dichtkunst en voor het musische bestanddeel van de kerkdienst, verschraalt het gemoed’.

Van Duinkerken past hier de beeldspraak specifiek toe op de ontmoeting van de wereldse sfeer van de kunst met de religieuze sfeer. Het doet enigszins gedateerd aan. De autonomie van deze twee sferen lijkt – althans in Nederland – de overhand te hebben genomen. De eigenheid wordt over en weer angstvallig en krampachtig bewaakt. Als een bewonderaar van Bachs passies en cantates te gast is op Radio Vier of bij Podium Witteman, lijkt het protocol voor te schrijven dat hij er bij vertelt dat hij ‘niet gelovig is, hoor!’. En omgekeerd verontschuldigen al die prozaïsche christenen zich zodra ze zich met kunst bezig houden – omdat dit zo elitair en snobistisch is. ‘Doe maar gewoon’ is het elfde gebod. Een fijnbesnaarde gelovige, zoals bijvoorbeeld Bodar, is al snel een zonderling.

Religiositeit en musische interesse kunnen niet worden afgedwongen. Hopelijk komt er wel een keer een einde aan de krampachtigheid waarmee we ons van elkaars levenssfeer distantiëren. Positieve tekenen zijn er. De sacraliteit van de kunst – al is het dan niet per se sacraliteit in christelijke zin – vindt steeds meer belangstelling en erkenning. Denken we maar aan de Rothko-tentoonstelling in Den Haag afgelopen winter – al was die wellicht wat over the top. En wie weet kunnen we iets leren van de onbevangenheid van de Duitse denker en schrijver Navid Kermani, die een even ontspannen als doorwrocht boek schreef met ‘ongelovige’ beschouwingen over christelijke kunst. Het is een bestseller.

Nu wij nog.

Het bovenstaande verscheen onlangs op De Bezieling.

Frames

Ik ben erg beïnvloedbaar. Beeldvorming en framing kunnen makkelijker greep krijgen op mijn gedachten, dan mij lief is – of liever: op mijn reflexen en drijfveren. Zo betrap ik me er wel eens op, dat donkere gekleurde mensen bij mij een onberedeneerde achterdocht oproepen – en dat terwijl ik donateur ben van zo’n beetje alles wat antiracistisch is. Via één of andere paplepel is die reflex bij mij naar binnen geslopen. Nu kan ik dit nog enigszins goedpraten. Tegen datgene wat je in je jongste jaren tot je neemt, ben je niet weerbaar. En onbeheersbare gevoelens maken je nog niet tot racist: het gaat erom, of en hoe je je gedrag erdoor laat bepalen.

Het wordt echter verontrustender als ik vaststel, dat het gekrakeel in de media en de waan van de dag als sluipwespen bij mij als volwassene binnendringen. Achter mijn fel verlichte, politiek correcte etalage ligt een winkel die grossiert in vooroordelen en aversies. Tegen allochtonen, bijvoorbeeld, die wel heel erg assertief zijn en best wel eens een toontje lager mogen zingen. Tegen vluchtelingen die onbehouwen staan te rammelen aan de hekken van Europa, in plaats van netjes aan te bellen. Tegen die gelukzoekers met hun telefoontjes, hun eisenpakketten en hun intimiderende gescandeer.

De framing van de vluchteling als parasiet doet goed haar werk in de kronkels van mijn ziel, hoewel ik mezelf zo beschaafd vind. Die beschaving zit blijkbaar vooral in de buitenste laagjes van mijn hersenschors. Diep daarbinnen hebben mededogen en inlevingsvermogen geen plaats. Zelfs de foto van het Jongetje-Op-Het-Strand raakte me niet op gevoelsniveau, doch bracht slechts moreel onberispelijke gedachtenreeksen bij me op gang. Mijn gevoelens werden te zeer bepaald door de afkeer van volwassen mannen met gebalde vuisten.

Dat deze framing zo snel vat op me heeft, hangt misschien toch weer samen met opvoeding. Iets in me vindt dat mensen geen eisen mogen stellen, alles netjes moeten vragen en hun beurt moeten afwachten. Dat leerde mijn moeder mij immers. Datzelfde iets vindt, dat mensen mededogen moeten verdíenen. Er ontstaat bij mij een spanning – psychologen noemen dat cognitieve dissonantie – zodra een noodlijdende met de vuist op tafel slaat. Door een vergelijkbare reflex is het voor mij als filosemiet moeilijk om te accepteren dat er onder Joden ook vervelende en nare persoonlijkheden rondlopen. De mensen met wie ik me solidariseer en met wie ik sympathiseer, moeten bescheiden en onberispelijk zijn – en als ze dat niet zijn, bekoelen ofwel mijn gevoelens ofwel sluit ik mijn ogen voor hun feilen.

Als ‘mijn god’ me opdraagt om ‘mijn naaste’ – de noodlijdende voorop – ‘lief te hebben als mezelf’, is dat misschien wel een oproep om de spanning vol te houden en niet op te lossen door één van de spanningspolen los te laten. De berooide mens die een appèl op me doet, hoeft geen schatje te zijn. Dat zij of hij nood lijdt, moet voldoende zijn om mijn geweten wakker te schudden. Zelf ben ik immers ook niet gemaakt uit één stuk.

 

***

 

Deze column verscheen eerder op de website van de remonstranten.