Author Archives: admin

Frames

Ik ben erg beïnvloedbaar. Beeldvorming en framing kunnen makkelijker greep krijgen op mijn gedachten, dan mij lief is – of liever: op mijn reflexen en drijfveren. Zo betrap ik me er wel eens op, dat donkere gekleurde mensen bij mij een onberedeneerde achterdocht oproepen – en dat terwijl ik donateur ben van zo’n beetje alles wat antiracistisch is. Via één of andere paplepel is die reflex bij mij naar binnen geslopen. Nu kan ik dit nog enigszins goedpraten. Tegen datgene wat je in je jongste jaren tot je neemt, ben je niet weerbaar. En onbeheersbare gevoelens maken je nog niet tot racist: het gaat erom, of en hoe je je gedrag erdoor laat bepalen.

Het wordt echter verontrustender als ik vaststel, dat het gekrakeel in de media en de waan van de dag als sluipwespen bij mij als volwassene binnendringen. Achter mijn fel verlichte, politiek correcte etalage ligt een winkel die grossiert in vooroordelen en aversies. Tegen allochtonen, bijvoorbeeld, die wel heel erg assertief zijn en best wel eens een toontje lager mogen zingen. Tegen vluchtelingen die onbehouwen staan te rammelen aan de hekken van Europa, in plaats van netjes aan te bellen. Tegen die gelukzoekers met hun telefoontjes, hun eisenpakketten en hun intimiderende gescandeer.

De framing van de vluchteling als parasiet doet goed haar werk in de kronkels van mijn ziel, hoewel ik mezelf zo beschaafd vind. Die beschaving zit blijkbaar vooral in de buitenste laagjes van mijn hersenschors. Diep daarbinnen hebben mededogen en inlevingsvermogen geen plaats. Zelfs de foto van het Jongetje-Op-Het-Strand raakte me niet op gevoelsniveau, doch bracht slechts moreel onberispelijke gedachtenreeksen bij me op gang. Mijn gevoelens werden te zeer bepaald door de afkeer van volwassen mannen met gebalde vuisten.

Dat deze framing zo snel vat op me heeft, hangt misschien toch weer samen met opvoeding. Iets in me vindt dat mensen geen eisen mogen stellen, alles netjes moeten vragen en hun beurt moeten afwachten. Dat leerde mijn moeder mij immers. Datzelfde iets vindt, dat mensen mededogen moeten verdíenen. Er ontstaat bij mij een spanning – psychologen noemen dat cognitieve dissonantie – zodra een noodlijdende met de vuist op tafel slaat. Door een vergelijkbare reflex is het voor mij als filosemiet moeilijk om te accepteren dat er onder Joden ook vervelende en nare persoonlijkheden rondlopen. De mensen met wie ik me solidariseer en met wie ik sympathiseer, moeten bescheiden en onberispelijk zijn – en als ze dat niet zijn, bekoelen ofwel mijn gevoelens ofwel sluit ik mijn ogen voor hun feilen.

Als ‘mijn god’ me opdraagt om ‘mijn naaste’ – de noodlijdende voorop – ‘lief te hebben als mezelf’, is dat misschien wel een oproep om de spanning vol te houden en niet op te lossen door één van de spanningspolen los te laten. De berooide mens die een appèl op me doet, hoeft geen schatje te zijn. Dat zij of hij nood lijdt, moet voldoende zijn om mijn geweten wakker te schudden. Zelf ben ik immers ook niet gemaakt uit één stuk.

 

***

 

Deze column verscheen eerder op de website van de remonstranten.

Zonder vorm geen inhoud

Met moeite had ik in Leipzig nog een exemplaar verworven van het nieuwste boek van Navid Kermani, de drager van de Friedenspreis des Deutschen Buchhandels 2015. Met deze prooi onder mijn arm betrad ik deThomaskirche, om daar een diepe buiging te maken voor het graf van Johann Sebastiaan Bach. Er was juist een middagdienst gaande. Toen een sentimenteel hedendaags gezang werd aangeheven wisselden mijn reisgenoot en ik een blik van smartelijke verstandhouding. In deze heilige ruimte, waar ooit de even complexe als meeslepende werken van de Thomascantor in première gingen, klonken nu de eendimensionale en oppervlakkige gezangen uit de oecumenische hitparade. Ik voelde de grond onder mijn voeten trillen. Bach had zich omgedraaid.

Dat ik juist hier en nu Kermani’s boek bij me had, kon geen toeval zijn. Deze Duitser van Iranese afkomst, oriëntalist en kenner van de Duitse cultuur, belijdend moslim en open geest, romancier en essayist: deze allesweter kan lyrisch worden over christelijke kunst en is daardoor des te vatbaarder voor de pijnlijke confrontatie met het gebrek aan schoonheidszin bij sommige christenen. Hij is een pleitbezorger van de aandacht voor de vorm, die zijns inziens door katholieken en protestanten steeds meer stiefmoederlijk wordt behandeld.

In dat laatste moet ik hem helaas gelijk geven. In onze liturgie en inrichting van gebouwen bijvoorbeeld heeft het overbrengen van de boodschap de hoogste prioriteit en het ‘bereiken van de mensen’ de grootste urgentie. Om dit doel te bereiken zijn we bereid tot vergaande concessies als het gaat om de vorm. Die mag, ja: moet zich voegen naar datgene wat wij zien als de ‘inhoud’. In zichzelf is zij irrelevant. We nemen daarom veel amateurisme voor lief. We zijn ook bereid om teksten en rituelen uit de traditie – die volgens ons niet passen bij onze boodschap – te verminken. Zolang onze inhoud maar overkomt is alles geoorloofd.

Hoewel wij lang geleden het ‘platoonse’ dualisme tussen ziel en lichaam afzwoeren, spookt dit nog steeds rond in de gedaante van het frame dat vorm en inhoud tegenover en boven elkaar plaatst. Zoals eertijds de ziel tegenover en boven het lichaam werd geplaatst, zo plaatsen wij nu de inhoud boven de vorm. Zoals ooit het lichaam werd gekastijd en uitgeteerd omwille van de ziel, zo parasiteert de inhoud nu op de vorm. De inhoud is immers de kern, de vorm slechts verpakking. Dat ze innerlijk verweven zijn wordt miskend – en dus ook het gegeven dat hij die aan de vorm komt, ook aan de inhoud komt. Vertalers weten daar alles van.

In zekere zin echter – en dat is de paradox bij dit alles – laat de vorm ons niet koud, maar zijn we erdoor geobsedeerd, zij het op een negatieve manier. Krampachtig houden we haar in bedwang. Wij eisen dat zij zich volstrekt onderwerpt aan de boodschap, dat zij naadloos erop aansluit, zich ernaar voegt en zit als gegoten. Dat de vorm ook haar eigen rechten heeft en eisen stelt, willen we niet weten. Ze wordt gereduceerd tot een middel om uit te drukken wat wij vinden, voelen, denken. De vorm moet een spiegel zijn waarin wij – op collectief en individueel niveau – ons eigen beeld willen herkennen. En zo ontpopt het inhoud-vorm-dualisme zich als een uiting van narcisme.

Wat dit betreft zijn Navid Kermani’s beschouwingen over het theater leerzaam. Toneelspelers willen tegenwoordig helemaal samenvallen met hun rol en personage, zegt hij. Dit is anders in het voormoderne theater of in het passiespel van de Sjiitische traditie. Daarin zijn de acteurs de nederige dragers van hun rol. Ze geven in hun wijze van acteren voortdurend te kennen dat zij niet het personage zijn of ermee samenvallen, wiens tekst zij uitspreken, maar slechts een bescheiden tussenpersoon. Door die nederigheid komt de tekst en de ermee verweven inhoud tot zijn recht.

Dit kunnen wij progressieve gelovigen moeiteloos toepassen op de liturgie en andere vormen van zielzorg. Als we onszelf slechts als bemiddelaars zien van teksten, beelden en gebaren, hoeven we niet wakker te liggen van de gedachte, dat we ons daarmee niet kunnen identificeren en dat ze niet uitdrukken hoe wij ons voelen en wat wij denken. Zolang we echter denken dat wij boven de vormen staan, staan we de echte inhoud, die onlosmakelijk is verweven met de overgeleverde vormen, alleen maar in de weg.

Navid Kermani, Zwischen Koran und Kafka. West-östliche Erkundungen. Hanser, München 2014 enUngläubiges Staunen. Über das Christentum, Beck, München 2015.

De bovenstaande column verscheen eerder op De Bezieling.

 

 

Ook voorstanders zijn burgers.

De grootste vijand van de democratie is de democratie. Daarover kunnen hele naties meepraten. In een democratie kan een meerderheid een minderheid het leven onmogelijk maken. De democratie kan zelfs zichzelf afschaffen. Allemaal langs democratische weg. Daarom is het zo belangrijk dat een democratie altijd is ingebed in rechtsstatelijke structuren – zoals te onzent anno 2015. Deze waarborgen dat ze zich niet tegen zichzelf keert en dat mensenrechten ongeschonden blijven. Daarmee lijkt dit gevaar in ons werelddeel tot het verleden te behoren.

Tegenwoordig ligt het gevaar echter elders. Een democratie is namelijk ook kwetsbaar voor het misbruik van haar eigen begrippen. Er bestaat een democratische retoriek, die de echte democratie verlamt en ondermijnt. Dat gebeurt als een minderheid, zodra ze aanvoelt dat ze aan het kortste politieke eind gaat trekken, moord en brand schreeuwt over gebrek aan ‘draagvlak’ of over het ontbreken van inspraak van de ‘basis’. Vooral bij ingrijpende veranderingsprocessen is de boze minderheid erg luidruchtig. Ze bestaat vrijwel altijd uit mensen die tegen verandering zijn en legt de democratische bewijslast bij de bestuurders die nieuwe plannen willen realiseren.

De conservatieve, op democratisch denken parasiterende retoriek kennen we allemaal van moeizaam verlopende processen in verenigingen en gemeenschappen. Helaas betrap ik zelfs ‘weldenkende’ groeperingen wel eens op een vleugje hiervan als het gaat om ingrijpende veranderingen. Misschien is het niet eens verwonderlijk dat ook en juist zij er zo vatbaar voor zijn, want democratie is bij deze categorie (terecht) een heilig huisje en een gevoelige snaar geworden. En vaak domineert in de genoemde groeperingen een oudere generatie die zich kwetsbaarder voelt bij onrust en turbulentie.

Op nationaal en politiek niveau wordt de retoriek gehanteerd door populisten. Hoewel deze slechts een (soit: flinke) minderheid vertegenwoordigen, beweren ze dat zij spreken namens ‘de burgers’ en eisen ze stampvoetend dat er ‘eindelijk’ eens naar die burgers moet worden geluisterd. Ze roepen soms op tot referenda. Die zijn vooral bedoeld om iets tegen te houden en vrijwel nooit om steun te krijgen voor een fris idee. Zodoende maken de door zichzelf benoemde volkstribunen van de democratie een karikatuur.

Door op het quasi-democratische sentiment te spelen, zetten de populisten de echt democratische bestuurders – die een meerderheid vertegenwoordigen – op achterstand in de discussie. Deze bestuurders staan dan met hun mond vol tanden, mompelen iets beteuterds en doen allerlei concessies. Misschien wordt het tijd dat de meerderheid, die haar vertrouwen heeft gegeven aan de bestuurders, ook eens wat duidelijker het woord neemt en zegt: ‘Wij zijn het draagvlak en ook wij zijn burgers!’

De boze minderheid hoeft in onze rechtstaat echt niet te vrezen dat ze van haar rechten wordt beroofd. Ze krijgt gewoon niet altijd haar zin. Zo werkt democratie nu eenmaal.

Geloven ad interim

Stug en uitbundig: als zodanig heb ik afgelopen zomer het eiland Sicilië leren kennen. Aan de ene kant is er de ontoegankelijkheid van het landschap, dat zich lijkt af te spiegelen in de kort aangebonden omgangsvormen van de Sicilianen in het dagelijks verkeer. Aan de andere kant zijn er de her en der onverwacht opduikende spilzieke uitingen van schoonheid en levenslust in de natuur, de monumenten en de religie. Tussen deze uitersten bracht ik mijn vakantie door.

De stugheid en ontoegankelijkheid uitte zich onder andere in het soms maanachtige landschap, in het ondoorgrondelijke gewoonterecht in het verkeer en in de labyrintische infrastructuur die je als reiziger soms doet wanhopen. Die hindernissen overwonnen hebbende en de oester moeizaam opengetrokken hebbende, stuit je echter op kleine en grote parels van kunst en natuurschoon.

De spilzieke uitbundigheid uit zich in de rijke vegetatie op de hellingen van de Etna, de barokke architectuur in sommige steden, de opeenstapeling van kunstperiodes in opgravingen en kerken en in losbandige religieuze gebruiken. Wat dat laatste betreft was ik de getuige van de processie met het beeld van de heilige Calogero door de stegen van Agrigento. Met veel masculien musculair vertoon werd dit loodzware beeld door de smalle straatjes getorst. Tijdens de onderbrekingen van deze tocht werd het innig omhelsd gezoend door jonge en oude mensen, die uit dit fysieke contact met de heilige hoop leken te putten voor hun tijdelijke en eeuwige heil. Het was een orgie van vroomheid.

Een van de genoemde pareltjes, die ik opdook, lag diep verborgen in de door een verkeerschaos omgeven binnenstad van Palermo. Het is de Annunciatie van Antonello da Messina uit 1476. De aard van dit bijna onooglijke paneeltje, in bezit van een vervallen museum, staat in groot contrast tot de beschreven wilde vroomheid, die ook aan andere religieuze gebruiken op Sicilië eigen lijkt te zijn. Het lijkt alsof de stugge ontoegankelijkheid van het eiland zich hier nog eens laat gelden, maar op een milde manier, in de vorm van een ingetogen en raadselachtige zwijgzaamheid.

Hier zien we niet de sprookjesachtige taferelen die we kennen van de Vlaamse primitieven of van de fresco’s in Florence, laat staan de appelflauwte van de overweldigde moeder Gods van de barok of de romantiek. Hier zien we een vrouw die…. ja wat zien we? Door de titel weten we dat het gaat om de aankondiging van Jezus’ geboorte aan Maria van Nazareth. Maar op welk moment is zij betrapt door de schilder? Op het moment dat ze achter zich een ongenode de kamer hoort binnenkomen? In het ogenblik dat de indringer met zijn grootspraak haar stoort bij de Bijbellezing of het gebed? Zien we haar hier in gedachten verzonken nadat zij de boodschap heeft gehoord en de engel haar in verwarring heeft achtergelaten? Maant zij ons tot stilte, opdat zij het gehoorde kan ontwarren, ordenen en doorgronden?

De kunstenaar laat alles in het midden: door de manier waarop hij Maria portretteert, door de concentratie op haar starende ogen en haar afwerende vingers, door de ingetogenheid en de soberheid van kleuren- en lijnenspel. Hij lijkt bewust te kiezen voor onrechtstreeksheid, zodat wij als kijkers eeuwig zullen gissen waarvan wij hier eigenlijk ooggetuigen zijn. De mantel van discrete liefde bedekt datgene waaraan ons verlangen naar eenduidigheid zich zou kunnen vastklampen. Zo houdt kunst ons alert en autonoom.

Zelfs als we zeker zouden weten dat we Maria hier aantreffen tijdens het moment suprême van de annunciatie: haar ogen en gebaren tonen haar in een secundaire, reagerende rol; niet in versmelting met het moment, doch in een na-denken erover of in een zich gereedmaken voor wat er nog meer komt. Het schilderij van deze meester laat zien dat geloof niet samenvalt met datgene wat of waarin wordt geloofd, maar altijd secundair is. Geloof is het luisteren naar een echo, een antwoord op een wegstervende roep, een zich schrap zetten voor wat komt. We geloven ad interim. God zelf is immers ook niet zo direct.

De bovenstaande column verscheen eerder op De Bezieling.

Postscriptum

In het KSI in Bad Honnef trof ik onlangs het onderstaande werk aan van Ewald Mataré (1887-1965), de leraar van Josef Beuys. Zijn weergave van Jozefs droom vertoont parallellen met het hierboven besproken werk.

Mataré Josef

Olifantenpaadjes, shortcuts en identiteit

“Was hilft’s dass man den Weg verkürzt!“

J.W. von Goethe, Faust I, 3840.

In de scene ‘Walpurgisnacht’ in Goethes Faust komt een kenmerkend verschil tussen Faust en Mephistopheles naar voren. Bij herhaling dringt Mephisto erop aan, om de weg over het Harzgebergte af te korten door middel van magische middelen (een vliegende bezemsteel, een magische sprong die de zwaartekracht buiten spel zet), terwijl Faust de voorkeur eraan geeft, om al slenterend de omgeving in zich op te nemen. Faust is, hoewel reeds reddeloos verloren, mentaal nog niet helemaal in de ban van zijn sinistere gids. Hij weet dat je shortcuts duur moet betalen-  hoezeer ook zijn tragische lot en dat van de door hem in het verderf gestorte Margarete te danken is aan zijn ongeduld als gefrustreerrde wetenschapper en gemankeerde womanizer. Faust wijst hier, zij het rijkelijk laat, shortcuts van de hand. Mephistopheles is er een meester in.

Nu zijn shortcuts niet per se verdacht en demonisch. Ze bestaan ook in de sympathieke, alledaagse vorm van zogenaamde ‘olifantenpaadjes’ (zie www.olifantenpaadjes.nl) . Iedereen kent wel zulke informeel tot stand gekomen onverharde paadjes door grasveldjes, braakliggende terreinen of weilanden, waarmee vroeger de weg naar school werd afgekort en tegenwoordig de weg naar de bushalte of de winkel.

Dergelijke olifantenpaadjes zijn een goede metafoor voor tal van verschijnselen uit het dagelijks leven. In een organisatie worden door werknemers complicerende regels of vertragende routines omzeild en zodoende nieuwe routines ontwikkeld die binnen de kortste keren inslijten. In de religie of de kunst creëren mensen nieuwe vormen en werkwijzen, die op gespannen voet staan met de door het gezag of het gilde uitgestippelde wegen en die nieuwe stromingen in het leven roepen. Deze figuurlijke olifantenpaadjes zijn een vorm van ‘demopraxie’, een verschijnsel dat op zichzelf een shortcut is: het ‘volk’ bewandelt geen formele wegen om alternatieven te bewerkstelligen (dat is democratie), maar creëert gewoon feiten, al doende, al praktiserende.

Los van het sympathieke karakter dat dergelijke anarchistische verschijnselen hebben, heeft het figuurlijke olifantenpaadje uiteraard ook keerzijden. Het kan, bij alle voordelen op korte termijn, op lange termijn schade aanrichten (dan is de shortcut een kortsluiting). Een minderheid kan door olifantenpaadjes zijn wil aan de meerderheid opleggen. Een organisatie kan zijn transparantie – voorwaarde voor rechtszekerheid en democratie – verliezen. Er zijn overigens letterlijke olifantenpaadjes die ronduit schadelijk zijn, bijvoorbeeld als het ‘volk’ een plantsoen tot een vuilstortplaats maakt – en ook dit kan een metafoor zijn voor destructieve praktijken in organisaties.

Alles heeft twee kanten, zo ook het olifantenpaadje of de shortcut: het kan vernieuwend en creatief zijn, maar ook ondermijnend en destructief.

***

Misschien zijn de ongeduldige, ambivalente shortcuts van onze samenleving wel bijverschijnselen van datgene wat de Duitse wijsgeer Ralf Konersmann aanduidt als de ‘onrust van deze wereld’. In zijn recente boek over dit thema probeert hij de wortels – of beter: de genese – van deze structurele ongedurigheid van onze cultuur op het spoor te komen. De onrust is een alles doordringende en bepalende mythe, die onlosmakelijk is verbonden met de mythe van de rust, waarvan zij de keerzijde is.

De mythe heeft vele gezichten. Soms wordt de onrust ervaren als een vloek en is zij het gedreven terugverlangen naar de verloren rust van het paradijs. Soms wordt zij ervaren als een zegen, juist omdat zij ons aandrijft om te werken aan het herstel van dat paradijs. Soms echter lijkt zij een doel in zichzelf te zijn. Haar keerzijde, de rust is in dat geval een gevaarlijke verleiding – zoals bij Goethes Faust, die gezworen heeft nooit op zijn lauweren te gaan rusten. Het lijkt erop dat juist onze rationele en zelfreflexieve cultuur wordt gedreven door de mythe van de ‘Unruh’ (in het Duits ook de aanduiding voor de veer in een uurwerk).

***

Bij die ‘onrust’ hoort ook de onhandigheid waarmee we als enkelingen en groepen omgaan met het verschijnsel ‘identiteit’. Aan de ene kant drijft ons ongeduld ons tot de shortcut-redenering, dat we het als persoon, groep of natie niet kunnen stellen zonder een heldere en eenduidige identiteit en dat we die desnoods op een geforceerde manier moeten proclameren – ook als er geen grondslag voor bestaat. Dit leidt tot conformisme en uniformisme in organisaties, opvoeding en overheidsbeleid. Aan de andere kant zijn wij als postmodernen, vanuit een soort gemakzucht, geneigd om identiteit te zien als een illusie: alles is vloeibaar en in beweging en wij mensen zijn onbeperkt kneedbaar.

Beide uitersten wijst Konersmann af. Identiteit hebben we nodig, juist om stabiel en betrouwbaar te blijven in de onrust van onze wereld. Identiteit is een rol in een serieus spel. Ze is relatief, maar van levensbelang. Ze regelt ons verkeer en maakt ons toe medemensen op wie men kan rekenen. Ze is echter wel iets wat voortdurend op het spel staat, iets wat steeds opnieuw moet worden gecreëerd, provisorisch en hypothetisch. Dit vraagt inspanning en relativeringsvermogen. Dit is iets anders dan een berekenende, absolutistische identiteitskramp, waarmee op drift geraakte organisaties, ongeruste opvoeders en paniekerige politici zich van bepaalde zaken af willen maken.

Konersmann, Ralf: Die Unruhe der Welt. Fischer Verlag 2015.

Het bovenstaande verscheen eerder op De Leunstoel.

Geloven is geen troosteten.

Op mijn column over de Kosmische Knuffelbeer kwam, behalve veel uitingen van bijval, kritiek en verbazing, ook menige uitdagende vraag. Een van die vragen was, of ik helemaal uitsluit dat geloven ook een bron van troost kan zijn? Is er alleen maar sprake van aanstoot en confrontatie? En als dat zo is: wat betekent dit dan voor pastoraat? Kan de zielzorger alleen maar een boeman zijn? En wie zit er dan nog op haar of hem de wachten? Deze vraagstelling mondt soms zelfs uit in een gewetensvraag. Wat breng ik zelf dan te berde in het vertrouwelijke gesprek of op de kansel? Zit er dan geen woord van bemoediging in?

Om maar meteen met dat laatste te beginnen: eerlijkheidshalve moet ik toegeven dat bij mij theorie en praktijk op gespannen voet staan met elkaar.

Als theoloog kan ik god niet anders zien dan een zwerfkei, waarop de ploeg van ons verstand en ons gevoel stukbreekt en waaraan wij schaafwonden en kneuzingen oplopen. Onze vragen en behoeften ketsen op hem af – laat staan dat we kunnen hopen op antwoord of vervulling. Geloven is geen verwen-arrangement en bidden geen troosteten. Het gaat bij het geloof niet om ons geluk, maar om zijn heerschappij en heerlijkheid. (Nee, ik ga hier nu eens géén aanhalingstekens plaatsen en ga eens niet de woordkeuze nuanceren of in verzachtend perspectief plaatsen uit ‘horror voor het concrete’, om het met Barth te zeggen.)

Aan de andere kant ben ik op gezette tijden gesprekspartner of predikant voor mensen met – vergeef me de technische term, want meer is het niet – zogenaamde ‘zinvragen’. Dan ontkom ik er niet aan, om me te verplaatsen en in te leven in degene die tegenover me zit met dat gapende gat in haar of zijn ziel. Ik stel me dan wel degelijk tot doel die ander te bemoedigen en te troosten. Ik zie niets liever dan mensen die na een gesprek of een preek fluitend hun leven hervatten. Wie ben ik om haar of hem moedwillig te desillusioneren? Dan ‘geef’ ik mensen liever hun ‘zin’.

Ben ik nu een gespleten persoonlijkheid of – erger nog – een opportunist? Misschien wel… Misschien ben ik echter gewoon te eigenwijs om koste wat kost te proberen om een ‘cognitieve dissonantie’ op te lossen. Niet alleen houd ik van onbehaaglijkheid in de theologie zelf. Ik cultiveer ook het ongemak dat is gelegen in de spanning tussen die theologie enerzijds en het dagelijks leven anderzijds. Ik wil god niet domesticeren omwille van de mensen, zoals ik mensen niet op de pijnbank wil leggen omwille van mijn theologie. God is god en mensen zijn mensen. (Jezus kon het blijkbaar tegelijk zijn, althans volgens het concilie van Chalcedon – maar niemand heeft hem dat nog nagedaan.)

***

Nu we toch zo ontboezemend bij elkaar zijn, geef ik toe dat er intussen in mijn brein wel degelijk druk wordt  geschakeld en gekoppeld om de disharmonie enigermate op te lossen. Kunnen de theoloog en de ‘zingever’ in mij elkaar ergens vinden? Een wapenstilstand lijkt me inderdaad wel haalbaar. Hieronder leest u de condities. Ze vragen om verdere uitwerking.

Ik blijf van mening dat god zelf niet een bron van troost is en dat we hem niet moeten instrumentaliseren als zodanig. Bronnen van troost zijn er al te over: in de liefde en de vriendschap, in de kunst en de wetenschap, in goed eten en drinken, in alles wat ons lichamelijk en mentaal deugd doet. Het getuigt wel erg van een verwend karakter, als we de gever willen verslinden omdat we de gaven beneden onze stand achten. Zelfs of bij uitstek de mystiek zegt dat god er niet is om van te genieten of opdat wij worden vervuld, maar dat het erom gaat om ons te ontledigen en plaats te maken voor hem of om door hem te worden verslonden.

Hetgeen niet wegneemt dat elke haar op ons hoofd is geteld en de dagelijkse levensbehoefte aan troost god niet ontgaat – naar verluidt. En zoals we in het klassieke daglonersgebed iedere dag weer onze hand ophouden en vragen om ons ‘dagelijks brood’, zo kunnen we ook die behoefte aan troost steeds weer aan hem voorleggen, als behoefte. Het zou wel eens kunnen dat dit niet aan dovemansoren is gericht en dat ons, als bijproduct en onderpand van gods rijk, een dagrantsoen aan troost wordt toegeworpen. God is niet onze troost, maar wil het ons wellicht wel geven. Als die gedachte op zijn beurt een bron van troost is: soit.

En wat het belangrijkste is: we kunnen die troost ook mogelijk maken voor elkaar. Troost is vooral een genot als we het geven. Troost hebben we zelf in de hand.

Tijdmachines

Als er tijdmachines zouden bestaan en het mogelijk zou zijn, om terug te reizen in de tijd, zou ik daar wel een keer gebruik van maken. Ik zou dan bijvoorbeeld teruggaan naar 1910 of 1960. Niet uit nostalgie naar de jaren waarin ‘geluk heel gewoon was’, niet uit nieuwsgierigheid naar het leven van mijn voorouders, doch omdat ik eens deelgenoot zou willen zijn van een bepaald levensgevoel. Ik zou zo graag eens getuige zijn van revolutionaire ontdekkingen of uitvindingen: in kunst en wetenschap, in architectuur en economie, in politiek en religie. Ik zou zo graag eens de avontuurlijke sensatie hebben dat alles nog nieuw en veelbelovend is, wat nu gemeengoed is. Het gevoel dat alles glanst, wat nu flets is geworden en vanzelfsprekend. Het gevoel dat het vuur nog jong is in de idealen die inmiddels zijn achterhaald door betere inzichten of ingehaald door de altijd sterkere stroperigheid van de realiteit.

[…] Lees voor de volledige versie verder op De Bezieling.

Wilde vroomheid

Met de Italiaanse Reis op zak vertrok ik op 1 juli naar Sicilië. Evenals de zevenendertigjarige Goethe – die destijds, wachtend op de gunst van de wind, meerdere dagen bij Napels voor anker lag voor hij kon oversteken naar het eiland – moest ik een geduldproef doorstaan, i.c. mij onderwerpen aan de streng gehandhaafde inchecktijden, wachttijden en controles. De aanblik van een onbeweeglijke waterspiegel moet voor de Duitse schrijver even kwellend zijn geweest als de georganiseerde verveling van de luchthaven voor de huidige reiziger, Goethes zucht van verlichting bij het hijsen van de zeilen even bevrijdend als mijn opluchting bij het boarden.

Bij alle verschillen tussen 1787 en 2015 zou ik tijdens de reis meer van dergelijke vergelijkingspunten ontdekken. Ik noem er enkele. Ondanks of juist dankzij de moderne verkeersmiddelen, is rondtrekken op het eiland nog steeds een riskante en stroperige onderneming. En sommige hotels zorgen, in navolging van de sobere herbergen in 1787, voor onaangename verrassingen zoals stroomuitval of bizar geënsceneerde maaltijden. Tenslotte legden mijn reisgezel en ik toevallig in grote lijnen dezelfde route af als de schrijver.

Onze voorkeuren, observaties en belevingen bleken echter volstrekt verschillend van de zijne. Dat is meer dan een kwestie van historische context: het hangt ook samen met Goethes (soms moedwillig lijkende) eigenzinnige smaak. Met de hedendaagse toerist deelt hij de fascinatie voor antieke tempels. Aan de opmerkelijke kruisbestuivingsarchitectuur van de middeleeuwse kerken maakt de classicist echter merkwaardig genoeg nauwelijks woorden vuil in zijn reisverslag. Wel weidt hij  tot vervelens toe uit over steentjes en plantjes. Op pedante wijze etaleert hij zijn ‘oog voor detail’ ten overstaan van een vaas of een muntstuk – terwijl je snakt naar zijn visie op de mozaïeken in de gewelven en de kapitelen in kloostergangen.

***

Als het gaat om christelijke tradities is Goethe op zijn zachtst gezegd ambivalent. In zijn Siciliaanse ontboezemingen wisselen spotlust en neerbuigende welwillendheid dienaangaande elkaar dan ook af. Jammer genoeg maakte hij niet de opening van de feestweek voor de heilige Calogero in Agrigento mee, zoals mijn reisgezel en ik. We raakten onverhoeds verzeild in de religieuze volkswoede rondom het door de steile stegen van de stad voortgedragen, manshoge en massieve beeld van deze oude kluizenaar.

We waren getuige van een wilde vroomheid, waarbij de plaatselijke politie en clerus machteloos, lijdzaam en berustend toekeek (zie afbeelding) en waarbij de wellust van devotie gepaard ging aan baltsende waaghalzerij. Mensen haalden halsbrekende toeren uit om de kuise kluizenaar in effigie innig te zoenen, waarna snoetenpoetsers hun werk deden en de gebruikte doekjes als relieken een tweede leven konden beginnen. Timing en regie van de processie waren toevertrouwd aan een wanhopig gesticulerende ‘coördinator’, maar lag feitelijk in handen van een niet duidelijk te lokaliserende feeling van de menigte. Deze zorgde ervoor dat de honderd dragers telkens op het goede moment, aangevuurd door huilende blaasmuziek, de schouders eronder zetten en met stierenvechtersstoerheid het loodzware beeld voort torsten. Een en ander maakte de processie van Calogero tot een meeslepende, carnavaleske ervaring.

Verbluft was ik en ontroerd. Het was allemaal erg oprecht. Met oprechtheid bedoel ik dan niet het zelfingenomen vertoon van gevoelens, dat wij authenticiteit zijn gaan noemen; niet de met een grafgezicht geëtaleerde ernst van onze maar al te luidruchtige stille tochten; niet het ostentatieve vertoon van spirituele ‘ingetogenheid’ in de media gedurende de passietijd. In tegendeel: de toewijding was hier geheel gericht op het in goede banen leiden van de moeizame tocht van het loodzware beeld door de smalle straatjes van Agrigento. Er was wel sprake van ernst, doch deze uitte zich in de geconcentreerde en bezwete gezichten en ging op aan torsen en tillen, duwen en trekken, manoeuvreren en sturen. Dit gezwoeg liet geen ruimte en energie over voor gekoketteer met religieuze emoties. Een vette kus recht op de raap van het heiligenbeeld: daarmee moest de religie het doen. Er gebeurden geen wonderen; er vonden geen genezingen en bekeringen plaats; Calogero vertrok geen spier. Een houten beeld en zwetende, zwoegende mensen dansten samen door de straten: dat was het. Ernst met een zichzelf relativerend knipoog.

Wilde vroomheid troffen we ook even verderop aan: in het heiligdom van Onze Lieve Vrouw der Tranen in Siracusa. Aan deze devotie is een foeilelijk betonnen complex gewijd, dat door vormeloosheid, buitenproportionele omvang en de veelheid van zijkapellen eerder het karakter heeft van een religieuze meubelboulevard. Het begon allemaal in 1953, toen een afbeelding van Maria spontaan tranen met tuiten begon te wenen. Soms schijnt de beeltenis nog een huilbui te krijgen en de devotiebeweging aldus in leven te houden – een beweging die de clerus overigens, evenals in Agrigento, moeizaam probeert te kanaliseren door er een keurig, rationeel pastoraal programma aan te koppelen.

***

Aan de beide onverwachte bezoeken hield ik zeer verschillende indrukken en nasmaken over. Waarom kon ik de wenende Madonna van Siracusa gevoelsmatig en verstandelijk niet serieus nemen – en de volksheld Calogero van Agrigento wel? Waarom was ik in Agrigento onder de indruk en ontroerd, terwijl ik in Siracusa slechts onoprechtheid meende te proeven?

Misschien komt het doordat in de laatstgenoemde plaats de dramatiek een grens van smaak, letterlijkheid en uitdrukkelijkheid overschrijdt – een grens waarvoor de Calogero-vereerders discreet halt houden. Misschien komt het doordat de op zich nog sympathieke gekkigheid van de Agrigentijnen in Siracusa wegglijdt in en verwordt tot waanzin. Misschien komt het doordat hier de wildheid ontaardt in hysterie.

Na deze verwarrende ervaringen begrijp ik wel, dat in 1787 een gedistantieerde reiziger uit het noorden meer oog had voor de Dorische zuilen dan voor katholieke monumenten en gebruiken – al vraag ik me tevens af wat zich 2500 jaar geleden wel aan grensoverschrijdend, dionysisch gedrag moet hebben afgespeeld tussen deze zuilen.

Een toeziend oog I

Toeristen en plaatselijke clerus zien lijdzaam toe hoe Calogero door de straten van Agrigento wordt gesleurd.

Een toeziend oog II

De politie heeft ook het toe- en nakijken.

20150706_105113

Het kerkgebouw voor O.LV. der Tranen in Siracusa

Rechtop geloven

Op De Bezieling verscheen deze maand de onderstaande column van mijn hand. Ik ondervond steun en tegenspraak. Voor bijval buig ik bescheiden. Tegenover de kritiek ga ik me niet verdedigen of verontschuldigen. Misschien heeft men gelijk. Hooguit wil ik het volgende kwijt. Ik hoop dat ik niet onder een vlag word geplaatst, waarin ik me niet herken. Het stukje is niet geschreven vanuit een neo-bevrijdingstheologisch moralisme. Evenmin is het een neo-orthodoxe reflex. Het komt, zoals zoveel wat ik schrijf, recht uit het vrijzinnige hart van iemand die streeft naar geloven in volwassenheid, naar ‘rechtop’ geloven, geloven met rechte rug en opgeheven hoofd . EC.

De reclameslogans van de remonstranten (u weet wel: die zinnen die beginnen met ‘Mijn God…’) suggereren een soort intimiteit met het opperwezen die velen aanmatigend of pretentieus in de oren klinkt. Het is alsof iemand zegt: ‘Ik heb het er met mijn God over gehad en hij vindt ook dat…’ Dat mensen op vertrouwelijke voet met God verkeren is echter niet helemaal nieuw. Ikzelf ben opgegroeid in de tijd dat katholieken God nog aanspraken met ‘Onze Lieve Heer’ – of zelfs ‘Onze Lieve Heertje’. De klank van het Limburgse dialect voegde er nog een extra dimensie van tederheid aan toe. En voor Brabanders – gewend aan ‘ons pap’, ‘ons mam’ etc. – moet het ‘onze’ al helemaal familiaal hebben geklonken.

Bij deze aanspreekvormen hoorden ook bepaalde beelden. Het beeld van Gods zoon als herder bijvoorbeeld. Zo werd hij geportretteerd op een prent boven het dressoir in de huiskamer van mijn oma. Of hij was een knapperd die zijn armen wijd opende en een van liefde brandend hart liet zien, waarin plaats was voor ons allemaal. God was één en al liefde. Het was wel een bepaald soort liefde: meegaand en begripvol, troostend en bevestigend. God had uiteraard ook een veeleisende kant. Als je echter door zijn strenge toetsen héén kwam, wachtte je het paradijs van de eindeloze omarming.

Deze gevoelslading is natuurlijk niet bedoeld in de slogans van de remonstranten. Het neemt niet weg dat het beeld van God als grote kosmische knuffelbeer tot op heden een taai leven heeft – ook en juist in progressieve kring. Het leeft voort in het pastorale en spirituele aanbod van kerkelijke gemeenschappen, bezinningscentra en uitgeverijen. Dit aanbod heeft steeds meer het karakter van een houtenspeelgoedwinkel. Men levert ons een God waaraan je je niet stoot en een geloof waaraan je je geen buil valt.

Tekenend is de selectieve Bijbellezing. Passages die gaan over conflict, confrontatie en keuzes worden overgeslagen. Teksten worden zo gelezen dat het beeld van God als grote lieverd overblijft. Opmerkelijk bijvoorbeeld is de populariteit van Psalm 139 – althans een bepaalde interpretatie ervan. De inmiddels gebruikelijke uitleg laat het voorkomen alsof God voor ons een warm bad heeft laten vollopen waarin wij ons kunnen laten glijden. Deze uitleg ziet over het hoofd dat God hier ook wordt afgeschilderd als een stalker, die mensen op de hielen zit en hen hinderlijk herinnert aan hun opdracht – zoals bij Jona.

Ook de mystieke traditie valt aan dit opportunisme ten prooi. We projecteren naar hartenlust onze hedendaagse affectiviteitscultus op deze traditie alsmede de modieuze verachting van de rede. Ons postmoderne ‘gevoel’ is echter niets meer dan een gedaante van ons onverzadigbare ego. Niets staat verder af van de mystiek dan dit claimende ‘ik’ dat greep wil krijgen op de Ander, die Ander in zijn ban wil trekken en aan zich dienstbaar wil maken. Wat dit betreft is het ‘gevoel’ geen haar beter dan de zo verfoeide ratio.

De kerken worden in dit opzicht overigens nog overtroefd door het esoterische circuit. Hier is God een kneedbare Barbapappa, die op verzoek wordt wat wij willen en die ons van dienst is als de uitbater van een spirituele suikerspinnenkraam. Het ietsisme destilleert bovendien het laatste restje niet-vrijblijvendheid weg uit de religie, door God ‘onpersoonlijk’ (en dus monddood) te maken.

Ik zou graag geloven in de Grote Lieverd… maar als dit Godsbeeld de kern zou zijn geweest van de boodschap van Mozes, de Profeten en Jezus: dan zouden de oudtestamentische tirannen en de Romeinen zich niet zo hebben opgewonden over hen. Ze zouden zich kostelijk hebben geamuseerd met die malle verkopers van zoete broodjes. In feite echter werden ze geconfronteerd met een onaangename boodschap: een boodschap over een nieuwe orde die de oude overhoop haalde. Als het bij Jezus en zijn voorgangers al over liefde ging, dan ging het over een liefde die vóórtrok en uitverkoos, meesleurde en opeiste, die niet bevestigde doch losmaakte en iets nieuws wilde vestigen.

Mijn God bevestigt me niet, doch haalt me onderuit en trek me weg uit de warme kussens van mijn goed gevoel. Tenminste… dat denk ik. Voor de zekerheid houd ik er toch maar rekening mee, dat hij op een dag aanklopt en toch blijkt te lijken op die goede herder op de prent boven mijn grootmoeders dressoir. Hij moet immers zelf weten hoe hij zich kenbaar maakt.

God blijft gelukkig onberekenbaar. Daar vertrouw ik op.

De woede van machteloosheid

Er is een populaire vorm van wetenschapskritiek in omloop. De kern daarvan is dat de wetenschap te rationeel en te technisch is. Zij reduceert de werkelijkheid en de mens tot een geheel van oorzakelijke verbanden, die met een beetje mechanisch inzicht kunnen worden bespeeld. De realiteit is toch rijker en complexer? – aldus de criticasters.

Een populair mikpunt van kritiek is de geneeskunde. Ze heeft geen oog voor de aspecten van de mens die niet meetbaar en maakbaar zijn. Het wezenlijke ontgaat haar en is ze blind voor de echte oorzaken van ziektes. Ook maatschappijwetenschappen moeten het ontgelden. Sociologen en economen – en politici die zich door hen laten leiden – krijgen het verwijt ‘technocratisch’ te zijn en te weinig gevoel te hebben voor de psyche van de massa. Zelfs theologen ontkomen niet aan dit soort ongenoegen. Brengen zij het geloof niet terug tot een cerebraal spel met dogma’s en ideeën? Kortom: wetenschap simplificeert de werkelijkheid, verarmt haar aldus en heeft daardoor geen antwoord op de echte vragen.

Als je doorvraagt bij de critici, stuit je op een merkwaardige paradox. Dan ontdek je dat de irritatie niet zo zeer te maken heeft met de reductie of de vereenvoudiging, waaraan de wetenschap zich schuldig zou maken, doch juist met het tegendeel. De frustratie wordt eerder veroorzaakt door het feit dat de wetenschap de zaken ingewikkeld maakt. Wetenschap brengt nuances en grijstinten aan, wijst op complexe wisselwerkingen en op onopgehelderde oorzaken. Zij kan vandaag nog geen antwoorden geven op alle vragen. Ja: er zijn misschien vragen die nooit zullen worden beantwoord en problemen die nooit zullen worden opgelost. Wetenschap vraagt om geduld.

Juist dat is voor veel mensen te veel gevraagd. Het is onverdraaglijk dat een ziekte vandaag, morgen, overmorgen niet is te genezen – of misschien wel nooit. En dus is de arts als boodschapper van het teleurstellende nieuws de boosdoener – en wendt men zich tot de kwakzalver. Het is onverteerbaar dat bepaalde vormen van onveiligheid, overlast en ongelijkheid in onze samenleving blijven bestaan. En dus is de socioloog of econoom, die zegt dat hij of zij het ook niet weet, de vijand van het volk – en wendt men zich tot de populist. Het is onacceptabel dat we geen handzame antwoorden krijgen op onze geloofsvragen en dat bijbelwetenschappers meer twijfel zaaien dan harten onder riemen steken. En dus is de theoloog een spelbederver, die ons hindert om onbekommerd ‘alleluja’ of ‘ohm’ te roepen – en wendt men zich tot de charismatische of esoterische dominee of priester.

Men wil dus niet minder meetbaarheid en maakbaarheid, doch juist meer. De kritiek op de wetenschap komt voort uit machteloosheid, uit woede over het feit dat de realiteit ingewikkelder is en bepaalde problemen niet oplosbaar. Dit wekt ongeduld en onverdraagzaamheid.

Uit deze woede is ook een bekend modern verschijnsel geboren: het verschijnsel van de organisatiegoeroe en de coach. Hij is voor de werkorganisatie en de werkende mens wat de kwakzalver, populist en charismaticus zijn voor de patiënt, de burger en de gelovige. Hij laat je geloven dat je alle problemen in je organisatie en in je werkende leven de baast kunt worden aan de hand van vuistregels die passen op de achterkant van een postzegel.

Als personeelsadviseur en pastor heb ik zelf vaak een coachende rol. Daarin benadruk ik steevast dat er geen eenvoudige problemen zijn en geen gemakkelijke oplossingen. Je kunt de werkelijkheid niet de baas worden en als Mozes bevelen geven aan de zee. Je kunt wel leren zeilen op de onvoorspelbare oceaan van het bestaan. Je kunt wel leren om vriendschap te sluiten met je machteloosheid. Succes en geluk zijn niet te koop.

 

***

 

De bovenstaande tekst verscheen eerder deze maand in Ad Rem, remonstrants maandblad.