Category Archives: Uncategorized

De vormloosheid als vorm

Ongeveer sinds Aristoteles weten we, dat stof en vorm onafscheidelijk zijn. Zonder het één is het ander niet denkbaar. Als inhoud ontbreekt, implodeert de vorm. Als de vorm ontbreekt, vervliegt de inhoud. Toch leven we in een tijd, waarin we hardnekkig blijven proberen te ‘ont-vormen’: in de samenleving, de cultuur en de religie.

In de samenleving komt dit tot uiting in de dominantie van het informele en de directheid. Daaraan ligt de verwachting ten grondslag, dat we oprechter zijn, als we afzien van de vormen. We koesteren de hoop, dat we de inhoud (van wat dan ook) kunnen blootleggen, zodra we niet meer indirect, niet meer door middel van codes communiceren. In de praktijk leidt dat tot een paradox. Onbewust wordt het informele, het on-gevormde tot een nieuwe vorm en onbedoeld wordt het directe, het on-middel-lijke tot een nieuwe code. We kunnen immers niet anders dan handelen en communiceren dan middels vormen en codes. Het gevolg is mal. Het informele, bijvoorbeeld in kleding, wordt een keurslijf, een verkleedpartij, een travestie. Heel zichtbaar is dit, als volwassen mannen in hun kleding de eeuwige tiener spelen. De vermeende natuurlijkheid slaat om in onnatuurlijkheid.

In de kunst bestaat de drang tot ont-vormen eigenlijk vanouds. Artistieke vernieuwingsbewegingen waren en zijn er altijd op gericht geweest, zich te ontdoen van overgeleverde, formele codes. Sommige bewegingen experimenteerden dan met nieuwe vormen, maar soms werd het vormeloze tot doel in zichzelf. De oprechtheid van het ‘wilde’ en ‘brute’, het onaffe en stijlloze, werd dan toonaangevend – paradoxaal genoeg echter als nieuwe stijl, op het maniëristische af.

Een variant bestond en bestaat erin, dat de vorm tot iets secundairs wordt verklaard en alle nadruk ligt op de vrouw of de ‘vent’ die erachter zit. Heel actueel is dit in de momentele tendens, dat de kunst vooral wordt afgerekend op de correcte inhoud en intentie. De ethiek wordt steeds meer tot maatstaf, terwijl we qua esthetiek veel door de vingers zien. En waar de (politiek) correcte inhoud en intentie ontbreken, is in het uiterste geval een beeldenstorm geoorloofd, ja: geboden.

In mijn eigen vakgebied, de theologie, houdt me de ‘ontvormingsdrang’ al langer bezig. Ook onder gelovigen leeft vaak de illusie, dat we een vitale, beweeglijke, vrije kern kunnen blootleggen, als we de vormen afpellen. Momenteel ligt die illusie ten grondslag aan de tendens tot ‘de-culturatie’ (een begrip dat ik met dank ontleen aan de Franse wetenschapper Olivier Roy), aan de poging om het brandende hart van het geloof te vinden, door het te ontdoen van de culturele lagen (van teksten, rituelen, symbolen, regels etc). Niet zelden wordt daarbij gewezen op het voorbeeld van hervormers en spirituele leiders uit het verleden, pionierende theologen en mystici incluis.

Het bijzondere is echter, dat we juist van die voorgangers kunnen leren, dat ont-vormen een overmoedige, ja hoogmoedige illusie is. Het woord hervormen duidt hier al op. Het is meer dan een woordspel, om in dit woord een grote wijsheid te zien: het inzicht dat we verstarde vormen kunnen vervangen door nieuwe, vitale vormen, maar dat we ons nooit van vormen als zodanig kunnen ontdoen. De protestantse hervorming en de katholieke contrareformatie zijn om die reden vooral ook bewegingen van ‘re-culturatie’ geweest. Mystici hebben er overigens altijd op gewezen, dat we zonder vormen vooral in het duister tasten en niet dichterbij het vuur komen. (Dat volgens hen de ‘liminale’ fase van vormeloosheid als tijdelijke fase een heilzame leerschool kan zijn, is een ander hoofdstuk.)

Niettemin zijn velen – ter linker- en ter rechterzijde, binnen en buiten de traditionele kerken – onvermoeibaar bezig, de religie te ‘de-cultureren’. Overgeleverde vormen worden afgeschaft en de vorm als zodanig wordt als secundair gezien, net zoals in de kunst. De oprechtheid van de (vooral individuele!) beleving en de uiting is primair. Hierbij wordt over het hoofd gezien, dat in feite een nieuwe code wordt ingevoerd, een code die nota bene rechtstreeks wordt ontleend aan de ons omgevende narcistische cultuur.

In feite is de religieuze nadruk op het directe dus een onbeschaamde manier van ‘her-culturatie’. Het gevolg is tragikomisch. Het ogenschijnlijk authentieke is een pose. En net als in de kunst leidt in de religie de pose van oprechtheid maar tot twee dingen: sentimentaliteit en kitsch.

Verder kijken

De oorlog van Rusland tegen de Oekraïne heeft veel vanzelfsprekendheden onderuitgehaald. In Duitsland is men bijvoorbeeld bezig met een herbezinning op de Ruslandpolitiek tijdens de laatste decennia. Gewezen en huidige sociaaldemocratische leiders vallen van hun voetstuk of lopen op zijn minst imagoschrammen op. De een is beter in het toegeven van misrekeningen dan de ander – maar men lijkt het erover eens, dat de Ruslandpolitiek van de afgelopen twintig jaar eraan heeft bijgedragen, dat Poetin steeds vaster in het zadel kwam te zitten en het Westen uiteindelijk schaakmat kon zetten.

Inmiddels is de discussie ook aangekomen bij de positie van ex-bondskanselier Angela Merkel, die afgelopen winter nog met groot eerbetoon het podium kon verlaten. Haar beroemde motto, dat de politiek de kunst van het mogelijke is, wordt steeds sterker aan de kaak gesteld. Zo is de vraag gesteld, of zij zich in filosofische zin eigenlijk wel aan dat motto heeft gehouden. Hebben haar regeringen zich niet vooral laten leiden, ja dicteren door de feitelijkheid en de brute werkelijkheid? Was zij niet vooral gebiologeerd door wat er allemaal juist níet mogelijk leek? Heeft zij dus de mogelijkheid in de eigenlijke zin van het woord wel echt verkend en een kans gegeven? Heeft zij mogelijkheid en werkelijkheid niet verward?

Tegen die achtergrond kwam het oude begrippenpaar van de Oostenrijkse schrijver Musil weer bij me boven. Is er naast een ‘realiteitszin’, zo vroeg deze zich af, niet ook zoiets als een ‘mogelijkheidszin’, een creatief gevoel voor datgene wat er mogelijk is buiten en boven de realiteit? Een zintuig voor de nog niet tot ons doorgedrongen bedoelingen van God met de mensen?

Misschien is geloven, vooral als dat wordt verstaan in de zin van de remonstrantse ‘geloofsbelijdenis’ uit 2006, wel bij uitstek de ontplooiing van deze mogelijkheidszin, de bereidheid tot gedachte-experimenten, de bereidheid tot het spelen met gedachten. Natuurlijk is dit geen vrijblijvend en risicoloos spel. Het is ook spelen met vuur. Het is geen gedagdroom, maar een vorm van ‘wakkerheid’ of waakzaamheid. Het is een vurig, geest-gedreven spel dat ons de stoute schoenen doet aantrekken, om de ‘werkelijkheid’ achter ons te laten, omdat die slechts een voorbijgaande schaduw blijkt te zijn van ‘het koninkrijk dat is en komen zal, waar God voor eeuwig zijn zal: alles in allen.’

Deze column verscheen deze maand in Vensters Open, het maandblad van de Remonstranten in Zuid-Nederland.

Bang voor kleur

Er wordt gebouwd aan de overkant van de straat. Nou ja: gebouwd? Er wordt vooral eerst heel veel afgebroken. Het ging enkele maanden geleden van start. Tot dat moment stond er op de hoek een spierwitte villa in een strakke jaren-vijftig-doorzon-stijl, omgeven door een royale tuin met bomen, rododendrons en wat er verder nog zo groeit en bloeit. Die villa moest echter weg en plaatsmaken voor iets nieuws.

Het begon ermee, dat met de botte bijl alles uit de weg werd geruimd, wat de voer- en werktuigen van de sloper in de weg stond: hagen en schuttingen, te smalle poortjes, boompjes op het trottoir. Alles moest weg! Zo werd de weg geëffend voor de volgende stap: het afbreken van het huis en het rooien van bomen en het omploegen van de tuin. En deze week is men dan begonnen met het aanleggen van een oprit voor het bouwverkeer, het plaatsen van een kraan en een heimachine enzovoorts.

Inmiddels is ook bekend, wat er zal komen in de plaats van de oude villa: een complex met een dertigtal appartementen voor de bovenmodale woningbezitter. Uit de bouwtekeningen blijkt, dat ze zullen worden gebouwd in de stijl die elders in het dorp inmiddels de toon aangeeft: prefabbeton in honderd tinten grijs. De kubusvormige bouwwerken in deze stijl zijn niet per se lelijk, maar ze lijken allemaal op elkaar. Bovendien staan kris en kras verspreid door het stedelijke landschap, zonder enige samenhang met hun omgeving. De stad begint daardoor te lijken op een monopoly-bord waarop iedere spelers zijn huisjes lukraak heeft neergezet. Wat hierbij stoort, is niet de stijl op zich, maar de eentonigheid en de gemakzucht waarmee blindelings erop wordt voortgeborduurd.

Het is een signaal van iets, wat ik verontrustend vind. Momenteel verovert het monotone grijs de wereld: aan de buitenmuren van dit soort nieuwbouw, op de opritten en de voortuinen, waaruit het groen is verbannen onder het motto van onderhoudsvriendelijkheid, maar ook in de woonkamers, die steeds vaker zijn ingericht in een neutrale, ‘prikkelarme’ en kalmerende crematoriumstijl, en ten slotte in de kleding. Weg met de kleur! Leve het zwart-wit en het grijze spectrum ertussen.

In de voorkeur voor deze monochromie herken ik overigens een bepaalde traditie in religieuze kring. Ze is bijvoorbeeld ook aan te treffen in de architectuur van de Bossche school (tweede helft 20e eeuw) en in de voorkeur van veel kerktoeristen voor de zogenaamde soberheid van middeleeuwse kerken – waarbij weinigen weten, dat al die norse romaanse kerken in hun ontstaanstijd alle kleuren van de regenboog vertoonden. Spiritualiteit en inkeer associëren we al sinds geruime tijd met zintuigelijke zuinigheid en ascese. Veelkleurigheid vinden we daarentegen kitscherig en associëren we met oppervlakkig romantisch devotionalisme.

De titel van een bekend kunstwerk parafraserend, vraag ik me af: waarom zijn we bang voor rood, geel, blauw – eigenlijk: voor alle kleuren, voor kleur als zodanig? Misschien omdat het kleurenspectrum een wisselbad is van emoties, een sauna met plotselinge en extreme temperatuurwisselingen? Omdat kleuren uiteenlopende en tegenstrijdige prikkels vormen en emoties oproepen?  Omdat rood overdonderend is en hartveroverend, geel fel en overweldigend, blauw onderkoeld en afwijzend, groen broeierig? Misschien ook omdat kleuren vloeken, dissoneren en chaos veroorzaken?

De angst voor het veelkleurige, voor de ‘bonte kermis’ zit in elk geval diep. We stellen prijs op het veilig-neutrale, het niet verstorende, het onopvallende en het risicoloze – en grijs staat daarvoor borg. Nog anders gezegd: we willen niet worden geraakt en aangedaan. We willen niet in de war worden gebracht. We sluiten de luiken van onze zintuigen, opdat de zon met zijn ‘veelstemmig licht’ (H. Oosterhuis) niet binnen schijnt en ons uit onze tent lokt. We zijn bang voor provocatie en passie. En dan is grijs een feilloze schutskleur. We kunnen blijven zitten waar we zitten: in het risicoloze midden.

Rechtvaardigheid

Er zijn verkiezingen in Duitsland: verkiezingen voor de deelstaat Noordrijn-Westfalen. Duitse deelstaatverkiezingen zijn net zo belangrijk, als de landelijke verkiezingen bij ons. Want deelstaten hebben grote bevoegdheden op belangrijke beleidsterreinen. Ze zijn geen regio’s of provincies, zoals wel eens wordt gedacht. Hun politiek heeft een grote invloed op ieders leven. En zo gaan ze ook over sociale rechtvaardigheid.

Daarom vind ik het onrechtvaardig, dat ik als migrant niet mag meedoen aan de verkiezingen. Maar ach: ik mag nog steeds meedoen aan de landelijke verkiezingen in Nederland. Op verkiezingsdag ben ik zelfs even inwoner van de gemeente Den Haag. Daar sta ik namelijk geregistreerd als kiesgerechtigde. Ook mooi. Maar dit terzijde.

Er hangen affiches in de straat. Zeer leerzaam. Vooral om te ontdekken dat er op zijn minst nog drie communistische partijen in omloop zijn. Die hebben een groot hart. Ze beloven dat alles gratis wordt en dat iedereen meer geld krijgt. Waar doen ze het van? O ja, het staat er ook bij: ‘De rijken moeten maar eens meer betalen!’ ‘Weg met de miljonairs!’

‘Die Linke’, zeg maar de Duitse SP, zingt dit deuntje ook mee. Ze brengen het alleen wat subtieler. Die Linke: dat is ook de partij die vindt, dat bepaalde onderwerpen luxeproblemen zijn. Gender-thema’s bijvoorbeeld. Of burgerrechten. Sociale grondrechten zijn veel belangrijker, zeggen ze de door hen bewonderde volksrepublieken in het Verre Oosten na. Zonder eten heb je niets aan inclusief taalgebruik of gelijke behandeling. En zonder een met Russisch gas verwarmd huis evenmin.

Ik volg het wel. Als ze maar één burgerrecht niet afschaffen. Het recht om te klagen over het gebrek aan sociale grondrechten, het recht om te zeggen dat je honger hebt. U weet wel: dat recht dat arme sloebers aan de periferie van Rusland niet hebben. Met als gevolg, dat ze zich van de honger maar aanmelden bij het leger – om vervolgens naar de Oekraïne te worden gestuurd, waar ze uit wanhoop wandaden plegen en zelf aan stukken worden geschoten.

***

Het bovenstaande werd uitgesproken tijdens de bijeenkomst van de Vereniging Scala op 14 en 15 mei 2022 over het onderwerp ‘sociale rechtvaardigheid’.

De crisis van het goede, het ware en het schone als provocatie

Het goede, het ware en het schone: ze zijn de fundamentele passies en inspiraties van mijn bestaan. Ik bedoel die laatste twee begrippen dan niet in de banale zin, zoals ze godbetert worden gebruikt in de goed-gevoel-industrie, waar het erom gaat het kwijnende en sappelende ik te stabiliseren. Ten diepste duidt passie op een aangedaan zijn, op het feit dat ik ondanks mezelf door iets buiten mezelf wordt geraakt, uit mijn baan gebracht en gedestabiliseerd. En inspiratie duidt erop, dat iets anders bezit van me neemt. Passie en inspiratie geven me geen goed gevoel, maar bezorgen me in het beste geval een slecht geweten en een rusteloze ziel.

Zo zijn ook de passies en inspiraties van het goede, het ware en het schone geen verrijking van mijn geestelijke inventaris (tenzij ze op snobistische wijze worden geïnstrumentaliseerd), maar angels in mijn vlees. Ze vormen een voortdurende drijfveer en onrust. Ze dringen zich op een hinderlijke manier op, vragen te pas en te onpas aandacht. Bij schrijnend onrecht, word ik geprovoceerd om ethisch kleur te bekennen. Bij hemeltergende manipulaties van de waarheid, word ik uitgedaagd om mezelf en de ander te dwingen tot een rationele, argumentatieve discussie. En als kitsch koning kraait, moet ik de altijd weer zo weerloze schoonheid in bescherming nemen.

Deze situaties hebben vaak een existentieel karakter. Als individu sta ik onvoorbereid en ongewapend voor deze provocaties. Gelukkig hebben we ook gemeenschappen en instituties in het leven geroepen, omwille van het goede, het ware en het schone – bijvoorbeeld democratische en rechtsstatelijke structuren, politieke en religieuze bewegingen, wetenschappelijke instituten, kunstinstellingen. Door deze gemeenschappen en instituties, sta ik als individu niet alleen voor de verantwoordelijkheid voor het goede, het ware en het schone. Ze geven structuur en continuïteit aan passie en inspiratie – en aan het handelen dat eruit voortvloeit.

Wat gebeurt echter als deze gemeenschappen en instituten perverteren? Als ze zichzelf ontrouw worden en als hun dynamiek in zijn tegendeel verkeert? Religieuze gemeenschappen blijken onderdak te hebben geboden aan structuren van seksueel misbruik. – Wetenschappers blijken steeds vaker op de loonlijst te staan van dubieuze machthebbers of bedrijven. – Een politieke partij met een integere, ja: heroïsche geschiedenis, de Duitse sociaaldemocratische partij, heeft zich de afgelopen twintig jaar laten inspinnen door Wladimir Poetin – met dramatische gevolgen, zoals nu aan het licht komt. – Kunstinstellingen blijken niet vrij te zijn van intern machtsmisbruik, seksueel geweld en politieke omkoopbaarheid.

In zulke crisissituaties sta ik er als individu weer alleen voor. Het goede, ware en schone zijn dan weer aangewezen op de enkeling – om in bescherming te worden genomen tegen of bevrijd uit de instituties, die in het leven zijn geroepen om hun een onderdak te bieden, maar die tot een gevangenis zijn geworden. Het zijn ‘liminale’ situaties, waarin de passie en de inspiratie voor de grote drie een nieuwe bedding zoeken. Ze markeren het einde van een tijdperk, maar luiden ook het begin in van een hervormingsproces, waarin bezielde en gedreven mensen een nieuw huis bouwen voor het goede, het ware en het schone.

We hadden het kunnen en moeten weten.

“De neiging tot tweedracht en geweld, die in de aard van de mens ligt, is in de loop der geschiedenis alleen maar sterker geworden. Het veroveren van de vrede zal nog lang de grootste opgave blijven – en het zal veel strijd vergen, wil een verzoeningsgezinde mentaliteit de overhand krijgen.

We moeten onophoudelijk alert blijven en handelen. Wie slechts toeschouwt, wacht vergeefs erop, dat er vrede komt. Er komt alleen maar oorlog. De oorlog komt alleen al, als men niets ertegen doet. Niet aanvallen betekent nog niets. De oorlog is er eigenlijk al, zodra zich ergens een nietsontziende nationalistische macht nestelt. Een land dat wordt beheerst door het recht van de sterkste raakt vanzelf verzeild in een conflict. Ten onrechte nemen we aan, dat we moeten afgaan op de naar buiten gerichte uitlatingen van een regiem, om in te kunnen schatten hoe waarschijnlijk het is, dat er uit zijn aard oorlog voortkomt. In tegendeel! Zijn optreden in het binnenland is beslissend.

Als de overheden op dezelfde manier omgaan met hun eigen natie als een overwinnaar met een weerloos land, dan kunnen de buitenlandse toeschouwers op hun vingers natellen, waaraan ze toe zijn. Geen enkele regering kan naar believen haar mentaliteit omschakelen en, al naar gelang, haar eigen mensen op inhumane manier vertrappen, maar zich aan de rest van de wereld fijngevoelig en respectvol voordoen. Als een regering is gebouwd op de haat, dan wil ze met zekerheid ook de wereld in haar macht krijgen. Wie het eigen, gewillige volk voortdurend beliegt, van hem kunnen we ook verwachten, dat hij alles en iedereen beliegt.  De terreur, waarmee een doortrapte machthebber het door hem bedwongen land verziekt, is uiteindelijk ook slechts een teken voor datgene, wat anderen te wachten staat.”

De Duitse schrijver Heinrich Mann (1871-1950) schreef in 1933 de bovenstaande woorden, die werden opgenomen in De Haat, een bundel helderziende en verziende teksten, die de laatste tijd wordt herontdekt en geherwaardeerd. Heinrich Mann had zich al tijdens de Eerste Wereldoorlog van zijn kosmopolitische en pacifistische kant laten zien. Zo had hij met zijn satire De Onderdaan een meedogenloze karikatuur geschilderd van de ja-knikkende carrièrist, die in de Pruisische burgers sluimerde en die de loper uitrolde voor een gewelddadige dictatuur. Zijn broer Thomas (1875-1955) kwam pas in de jaren twintig tot inkeer. Hij was een vurig nationalist geweest, die vanachter zijn schrijftafel het oorlogvoerende keizerrijk had aangemoedigd. Bij hem ging de knop definitief om in de jaren dertig. (Bij veel collega-schrijvers viel de munt in die tijd helaas de andere kant op.) Twee kunstenaars, twee posities ten opzichte van hun land. 

Het feit dat Heinrich Mann in 1933 zo profetisch schreef – en dat ook zijn broer op dat moment de situatie begon te doorzien – was echter juist te danken aan hun kunstenaarschap, of preciezer: hun schrijverschap. Met groot empathisch vermogen en psychologisch inzicht waren ze in staat anderen te doorgronden en te ontmaskeren. Hun gevoel voor de nuances, registers en lagen van de taal, voor retoriek en voor de kwetsbaarheid van de taal, om te worden misbruikt voor propaganda: dat alles maakte hen ‘helderhorend’. Ze lieten zich door het stalen gezicht en de zalvende woorden van dictatoren niet bij de neus nemen. Thomas Mann beweerde zelfs, dat hij Hitler daarom zo goed doorzag, omdat hij zich in hem herkende. Hitler bediende zich immers van hetzelfde wapen als de schrijver: de taal. Met dieven vang je dieven…

In Die Zeit van afgelopen week opent het Feuilleton met de verzuchting: “Hadden we de afgelopen jaren maar beter geluisterd naar de kunstenaars uit Oost-Europa, die ons wakker wilden schudden.” Het is inderdaad te wensen, dat schrijvers en andere kunstenaars, met hun feilloze seismograaf, ons blijven waarschuwen voor naderend onheil – en dat politici en burgers hun signalen dan ook serieus nemen.

Luisteren naar jezelf en de ander gaat nergens over.

In het begin is er het luisteren. Het dagelijkse Joodse gebed begint met het ‘Sjema Jisrael’ (‘Luister, Israel’). Het getijdengebed in de katholieke traditie opent op zijn beurt de dag met Psalm 95, die de hele dag achter het voorteken plaatst van het ‘gehoor geven’. En de moeder van alle kloosterregels, de Regel van Benedictus, inmiddels ook ontdekt door managementgoeroes, begint met de bekende oproep ‘Luister, mijn zoon…’ Zo maar drie tradities, die het leven inkaderen in de oproep en de bereidheid tot luisteren.

De tekst uit Deuteronomium 6, die de kern is van het ‘Sjema Jisrael’, is hierbij onovertroffen in zijn dichtheid. Deze verzen spreken zowel de ruimtelijke als de tijdelijke dimensie aan van het menselijke bestaan. Het Woord dient heel het leven binnen deze dimensies te doordrenken. Daarbij trekt dit Woord als het ware concentrische cirkels. Het middelpunt van de ruimte, voor zover die in beslag wordt genomen door het Woord, is het menselijk lichaam (hoofd en handen), daaromheen wordt de cirkel getrokken van de woning, het huis, het gezin en daaromheen weer de cirkel van het publieke leven: de stadspoort en de openbare weg.

Deze beweging van intiem naar omvattend wordt ook toegepast op de dimensie van de tijd. Iedere dag en elk moment worden onder het regiem van het Woord geplaatst (de gelovige moet ermee opstaan en ermee naar bed gaan, als het ware), maar ook de levensloop en de geschiedenis: het Woord wordt doorgegeven aan de volgende generaties. In dit licht is het ook consequent dat sommige vertalingen in vers zeven spreken over het ‘herhalen’ van het woord. Het luisteren naar het Woord ademt met het leven en geeft er het ritme aan.

Nu is luisteren niet zonder meer onze favoriete bezigheid. Er is een terechte argwaan gegroeid tegen het ‘luisteren’ naar gezaghebbende teksten. We hebben te veel slechte ervaringen gehad met autoritaire gehoorzaamheidsculturen in kerk en samenleving. Als we dan al luisteren, dan liever naar onze ‘innerlijke stem’, onze ‘eigen waarheid’ of naar elkaar. Dat laatste wordt vooral gekoesterd door degenen die zijn gehecht aan begrip, dialoog en verstaan – en die langs die weg willen komen tot een vreedzaam samenleven.

Laten we echter eerlijk zijn: het luisteren naar de innerlijke stem enerzijds en het luisteren naar elkaar anderzijds zijn (op zijn zachtst gezegd) ook geen succesformules. In tegendeel: het obsessief ‘naar zichzelf luisteren’ heeft de laatste tijd alleen maar geleid tot morele bijziendheid, onredelijke gelijk-hebberigheid en gemeenschap ondermijnend gedrag. En het begripvol ‘naar elkaar luisteren’ leidt niet tot oplossingen of een doorbraak uit impasses, als ik daarbij de ander en mezelf niet uitdaag, om de innerlijke burcht van de eigen waarheid te verlaten. Het is bovendien regelrecht een gevaarlijke luxe, als de problemen urgent zijn, als er veel op het spel staat, als de tijd dringt – en als daarbij ook nog evidente feiten worden genegeerd of geloochend.

Het getuigt daarom van een grote wijsheid, als de Joodse en de christelijke traditie het leven plaatsen onder het voorteken van het luisteren naar die éne Ander, naar de Derde. Het luisteren schept dan een temperende driehoeksverhouding. Ik overtroef de naaste niet met een beroep op mijn innerlijke stem. Ik geef de ander ook niet grenzeloos gelijk, omdat dialoog en begrip zo chic en politiek correct zijn. We zwijgen bescheiden en geven eerst het woord aan de Derde, aan de God van Sinaï als waarborg voor de humaniteit. Dat stemt ons enerzijds bescheiden in onze pretenties. We laten anderzijds de uitkomst van het gesprek ook niet onbeslist of in het midden, omdat we in de extase van de dialoog zijn. Er zijn immers zaken, die geen kwestie van smaak zijn en niet voor discussie vatbaar, zoals de humaniteit, vervat in de Tien Woorden of het Gelaat van de Ander.

Luisteren naar jezelf en de ander is leeg zonder de verwijzing naar de Derde. Zonder deze driehoeksrelatie gaat luisteren nergens over.

Dialoog: ja en nee

Achter de lelijke afkorting CCHRC gaat een onderzoeksinstituut aan de Vrije Universiteit in Amsterdam schuil. Géén van de vele C’s staat voor ‘Chinees’. Het zou echter eerlijk zijn geweest, als het zogenaamde Cross Cultural Human Rights Centre de voornaamste sponsor en broodheer zou hebben genoemd in zijn naam. Maar goed, de klokkenluiders en de vooralsnog vrije pers hebben onlangs met succes*) de vinger gelegd op de zoveelste poging van de Volksrepubliek China, om via instituten en bedrijven invloed te krijgen in het Westen. Ik wil hier verder niet ingaan om deze abjecte strategie van China en de naïviteit van de VU, resp. het genoemde onderzoeksinstituut.  Het gaat mij hier en nu om iets anders. Wat mij sinds de berichten vooral bezig heeft gehouden, is dat in de verdediging van het Instituut met de Vele C’s een paar keer het woord ‘dialoog’ viel. Dit maakte me alert.

Van huis uit ben ik een vredelevend mens en gesteld op ‘verbinding’. Misschien ben ikzelf niet altijd tactisch, maar ik bemiddel uiteindelijk graag en zoek ook graag het compromis en, waar dat nodig is, de verzoening. Ik vermijd, als het even kan, polarisatie en escalatie, omdat zij oplossingen van echte problemen vaak in de weg staan en omdat zij conflicten verdiepen en bestendigen. Positief uitgedrukt: ik probeer bij meningsverschillen en belangentegenstellingen zo lang mogelijk de dialoog aan te gaan, te onderhouden en te bevorderen.

In mijn theologische, kerkelijke werk betekent dit bijvoorbeeld, dat ik wars ben van dogmatisme en meestal mijn kaarten zet op de oecumene binnen het christendom en in het religieuze veelstromenland. Ook als personeelsadviseur, een beroep waarin ik soms te maken heb met krakende voegen in organisaties, heb ik een gereedschapskist, waarin het Goede Gesprek bovenaan ligt. Politiek en maatschappelijk sta ik links van het midden en houd ik me verre van alles wat de tegenstellingen op scherp zet. En ten slotte: zerotolerance dient voor mij een laatste middel te zijn en verboden en plichten dienen pas te worden ingezet, als andere vormen van gedragsbeïnvloeding niet meer werken en als er echt schade dreigt te ontstaan. Dialoog is overal de eerste en voor de hand liggende strategie.

Ik heb door schade en schande echter ook geleerd om kritisch te onderscheiden. Het woord dialoog wordt vaak onkritisch, naïef of misschien zelfs moedwillig verhullend gebruikt. Juist op die momenten zouden we oplettend moeten zijn. Ja, dialoog is een middel om het gesprek te starten gaande te houden, zolang en onder voorwaarde dat dit gesprek nog open is en als we aan waarheidsvinding doen. Ja, dialoog is een middel om het samenleven te bevorderen, zolang het waardige leven van individuen niet op het spel staat. Ja, dialoog is de favoriete methode van gesprek, als ze is ingebed in de bereidheid tot rationaliteit.

Dialoog kan echter niet het laatste woord zijn, als onze gesprekspartners mensenrechten labelen als een culturele malligheid van ‘Het Westen’, zoals de bekende Volksdictaturen het zo graag framen. Dialoog is een vorm van beleefdheid en een gespreksopener, maar kan nooit het bepalende kader zijn in gesprekken met mensen, die aperte onjuistheden en onzinnigheden op het gebied van volksgezondheid verkondigen. Dialoog is niet de opperste spelregel in het gesprek met diegenen, die zich bewust niet door experts laten informeren, die zich onterecht kennis aanmatigen en die mij willen verleiden tot een gesprek over iets, waarvan zij noch ik kaas hebben gegeten, zoals virologie.

Dialoog mag, ja moet vaak plaats maken voor een argumentatief gesprek, voor discussie en debat, met als inzet het vinden van de waarheid. En er mogen misschien geen ultieme waarheden bestaan in dit ondermaanse: wie voor zichzelf de weg naar de waarheid resoluut afsluit, is niet serieus te nemen als gesprekspartner. Het is dan haar of zijn eigen keuze, om zichzelf uit te sluiten van het gesprek.

*) Dankzij de publiciteitsgolf is deze financiële navelstreng vooralsnog doorgesneden.

“Je m’accuse.” De progressieve zelfkastijding

“We moeten meer luisteren naar de anderen. We moet meer begrip hebben. We moeten inzien dat wij makkelijk praten hebben. We moeten geduld hebben. We moeten niet polariseren. We moeten niet uitsluiten. We moeten mensen de tijd geven. We moeten niet zo neerkijken op anderen. We moeten mensen niet over één kam scheren. We moeten niet denken dat wij betere mensen zijn. Wij moeten ermee ophouden alles beter te willen weten. We moeten inzien, dat onze mening ook maar een mening is. We moeten de dialoog aangaan.”

***

Progressief geaarde mensen hebben een moraliserende neiging en een moralistisch karakter. Dat wordt hun geregeld verweten. Dit is op zich niet opzienbarend. Het ligt in het aard van een progressief mens, zichzelf sterk te oriënteren aan waarden en normen en anderen daaraan te meten. Dat is bij conservatieve zielen ook enigszins het geval, maar deze zijn veel minder monomaan. Het maakt progressieven al met al niet populair.

Libertairen, hedonisten, bewust ongeïnformeerden, fundamentalisten en identiteitsgedrevenen: die hebben hiervan geen last. En naarmate deze groepen de maatschappelijke en politieke discussies domineren – niet zozeer doordat ze in de meerderheid zijn (dat zijn ze niet), maar doordat ze erg luid en mediageniek zijn – komen die saaie, betweterige progressieven in het nauw – samen met conservatieven, maar in veel sterkere mate.

Progressieven zijn geen gezellige (in de zin van natuurlijk-sociale) mensen. Hun moralisme is – anders dan het genuanceerde moralisme van de conservatief – mateloos en werkt anderen op de zenuwen. Ze zijn op ongepaste momenten bloedserieus en maken eventueel van alles een punt. Ze grijpen op bestraffende wijze in tijdens gesprekken, niet zozeer omdat ze het inhoudelijk ergens niet mee eens zijn, maar vooral omdat ze zich storen aan vormfouten, bijvoorbeeld aan een incorrecte formulering of een valse toonzetting. Ze zijn dan plaatsvervangend gekwetst voor degenen die ze ongevraagd menen te moeten vertegenwoordigen en ze brengen de gesprekspartners in het openbaar de etiketten bij.

Het tragische van progressieve, zichzelf weldenkend achtende mensen is, dat ze zichzelf voor de voeten lopen. Dit heeft te maken met het ongeremde, ja ontremde van hun moralisme.  De progressieve moralist wil immers ‘consequent’ zijn. En dat ‘consequent willen zijn’ ontwikkelt een irrationele paradoxale, zelfdestructieve dynamiek.  Het progressieve moralisme houdt zichzelf niet in de hand. Het brengt niet alleen schade toe aan relaties, maar het keert zich ook tegen de progressieve moralist of de moraliserende progressief zelf. In haar of zijn hypercorrectheid legt zij of hij een knoop in haar op zijn eigen tong en slikt hij of zij zoveel ‘foute’ woorden in, dat zij of hij bijna erin stikt.

Het summum van dit ontsporende moralisme en deze progressieve zelf-afbraak is de verlammende zelfkritiek. De progressief is dan het mikpunt van zijn of haar eigen moralisme. En dan slaat dit moralisme op een paradoxale manier om: de progressief legt zichzelf het zwijgen op, juist en bij uitstek in discussies met mensen die lijnrecht tegenover haar of hem staan. De progressief vervalt in een zelfbeschuldiging en zelfkastijding, waarbij elke stalinistische rechter zijn vingers zou hebben afgelikt. Obsessief en mantra-achtig klinken de hierboven geciteerde zinnen.

Met zulk een overspannen geweten, heeft de progressief geen tegenstanders meer nodig. Zo graaft hij of zij het eigen maatschappelijke graf. Dit mechanisme is structureel ingebakken in het progressieve moralisme, waarin de formele deugd van de consequentheid een meta-waarde is. Kunnen progressieven van anderen, bijvoorbeeld van conservatieven, leren om wat minder consequent te zijn? Het zou de eigenlijke, inhoudelijke waarden, waarvoor ze staan, ten goede komen.

Of maakt deze meta-zelfkritiek het alleen maar erger?

Begrip werkt niet (meer).

In mijn woonland woedt een heftig debat over de invoering van een corona-vaccinatieplicht. Voor een deel is dit een discussie voor fijnproevers, over de juridische, wijsgerige, wetenschappelijke, levensbeschouwelijke en ethische aspecten van de thematiek. In feite is ze vooral een zoveelste fase in een debat over de fundamentele vraag, wat we als samenleving van elkaar mogen vragen. Het gaat om niet meer en niet minder dan om de vraag, of we van elkaar mogen verwachten om rekening te houden met elkaar en om niet te spelen met vuur.

De tegenstanders van een directe of indirecte vaccinatieplicht* zijn veelkleurig. Dominant zijn uiteraard de tegenstanders van vaccinatie als zodanig. Er zijn echter ook anderen, die de redelijk zelve zijn en die zichzelf bijvoorbeeld laten vaccineren, maar die vooral bezorgd zijn over de effecten van het huidige beleid, de aangekondigde vaccinatieplicht incluis. Genoemd worden dan discriminatie of tweedeling en polarisatie of tweedracht. Zelf sta ik nog open in de discussie. Hier wil ik echter stilstaan bij de genoemde argumentatie vanuit de gevolgen.

Discriminatie of tweedeling

Er dreigen inderdaad mensen te worden gediscrimineerd. Ik denk dan aan degenen die niet worden bereikt door de campagnes en de voorlichting, aan de mensen die door armoede andere zorgen aan hun hoofd hebben, aan de mensen die door aanleg of omstandigheden leven van dag tot dag en van de hand in de tand, aan de mensen voor wie daardoor het maken en plannen van een prikafspraak een heidens karwei is. Deze groep verdient inderdaad alle aandacht en mag niet van de regen in de drup worden gebracht. Dat bij de inrichting en de uitvoering van het coronabeleid meer specifieke aandacht nodig is voor deze groep: dat staat als een paal boven water. (Overigens staat deze groep al lang in de kou. Cynisch genoeg wordt ze blijkbaar nu pas ontdekt.)

Het probleem ontstaat voor mij, als er ongespecificeerd wordt gesproken over ‘discriminatie’ en als er een slachtofferrol wordt toegekend aan diegenen, die bewust en moedwillig excentrieke en irrationele standpunten eropna houden en die deze denkbeelden moedwillig en op provocerende aard omzetten in daden. Bij deze groep is er geen sprake van discriminatie, maar gewoon van het automatisme van de gevolgen van eigen handelen. Spreken over een generieke discriminatie is een gotspe. En het helpt de discussie niet verder.

Polarisatie of tweedracht (‘Spaltung’)

Inderdaad bestaat er polarisatie rond het onderwerp corona. Die wordt echter niet veroorzaakt door het coronabeleid van welke regering ook. Ze is er allang. Het is de polarisatie die is ontstaan door onredelijke extreme standpunten van ‘dwarsdenkers’, standpunten die helaas soms ontactische en ongenuanceerde reacties van ‘weldenkenden’ oproepen. Ze is echter geen gevolg van het beleid. Nieuwe fases in het beleid, zoals een eventuele invoering van een vaccinatieplicht, kunnen deze polarisatie wellicht versterken. Dat komt dan echter eerder, doordat de tegenstanders van het beleid elke nieuwe fase als koren op hun molen zien. Ook de verwijzing naar de polarisatie is dus geen vruchtbare bijdrage aan de discussie.

Overigens ben ik inmiddels immuun geworden voor oproepen tot meer begrip, ‘serieus nemen’ en ‘dialoog’  Op zich ben ik een fan van de-escalatie en de-polarisatie. Het dringt echter steeds meer tot me door, dat deze strategie niet (meer) werkt. Bij de bestrijding van extremisme van welke soort ook, is zij in de afgelopen jaren een doodlopende weg gebleken. Begrip leidt er vrijwel nooit toe, dat de polarisatie afneemt, dat agressie wordt getemperd of dat extremisme wordt gematigd. In de meeste gevallen zien de extremisten begrip als een beloning – en dus als aanmoediging – om nog een tandje bij te zetten. Luisterende oren en zachte handen hebben zelfs geleid tot radicalisering en bereidheid tot geweld – op dit moment concreet tot aanslagen op politici.

In het publieke straatgevecht rond het coronabeleid is het zinloos – of in elk geval te laat – om door begrip de gemoederen tot bedaren te brengen. Het enige dat werkt is een rechtstaat die haar grenzen aangeeft en daarbinnen een open en rationele discussie op basis van informatie en argumenten, een discussie die respectvol, geweldloos  en beleefd wordt gevoerd – maar zonder begrip voor datgene, wat in zichzelf niet vatbaar is voor begrip, omdat het moedwillig onredelijk is.

* Onder indirecte plicht of dwang versta ik hier de uitsluiting van ongevaccineerden van bepaalde delen van de collectieve of zelfs publieke ruimte.