Tag Archives: architectuur

In kunst kun je niet wonen.

Veel vormen van kunst zijn moeilijk toegankelijk en raadselachtig. De schoonheid is dan als een sfinx, die uit de hoogte op ons neerkijkt – tergend geheimzinnig glimlachend – en ons het gevoel geeft dat we heel klein zijn. Soms doen kunstenaars daarbij nogal neerbuigend en belerend: ze willen ons via de kunst verheffen of – zoals het tegenwoordig heet – uitdagen. Al met al lijkt kunst daarmee iets elitairs, slechts voor weinigen weggelegd, iets waarin je je slechts met veel moeite kunt laten inwijden. Dit verwijt wordt uiteraard graag breed uitgemeten door hen die zich opwerpen als woordvoerders van de ‘gewone mensen’.

Zelf heb ik er geen moeite mee als kunst een beetje ambitieus en pretentieus is. Ik wil me graag laten optillen tot een hoger niveau en moeite doen om de schoonheid te puren uit datgene wat ik daar aantref. De moeite wordt immers vrijwel altijd beloond. Als we zijn doorgedrongen in een werk dat zijn geheimen slechts langzaam prijsgeeft valt ons een groot geluk ten deel. Dankbaarheid jegens de kunstenaar is dan op zijn plaats, geen verwijt van arrogantie. Genieten van ‘moeilijke’ kunst is geen snobisme – zoals helaas vaak hoor – maar een kwestie van discipline en nederigheid.

Ik vind het ook om een andere reden geen probleem als schoonheid ‘hard to get’ is. Kunst is immers slechts een beperkt onderdeel van het leven. Ik ben niet verplicht om de hele dag op mijn tenen te lopen om haar te gerieven. Naast kunst en schoonheid zijn er tal van andere zaken, die mijn aandacht opeisen, toeleg vragen en ontspanning en genot bieden – zonder dat ik me daarvoor moet forceren. Kunst is voor speciale tijden en plaatsen, net zoals bezinning en eredienst.

Het wordt uiteraard anders als kunstenaars met hun zendings- en verheffingsdrang heel mijn leven willen bepalen. Dan wordt hun werk regelrecht totalitair. Dit betreft dan met name ontwerpers van landschappen en steden, gebouwen en woningen, interieurs en voorwerpen. Hun werk is immers bepalend voor ons leven van a tot z, van vroeg tot laat, van de wieg tot het graf. Het kan dan ook worden ervaren als zeer opdringerig, als een bouwmeester of designer zijn levensfilosofie aan ons oplegt, als zijn ‘statement’ elk moment van de dag uit de muren tot ons spreekt en als zijn geest rondwaart onder ons dak.

Bij een representatief publiek gebouw, een theater of een kerk is dit nog aanvaardbaar. Dit zijn immers juist de plekken waar we slechts zeer bepaalde tijden doorbrengen. Ze mogen daarom best een pregnant karakter hebben  – al houd ik persoonlijk meer van sobere, dienstbare gebouwen, dan gebouwen die voortdurend iets willen ‘zeggen’. Het wordt echter regelrecht benauwend bij kantoren, woonwijken en huizen. Ik was er ooit getuige van hoe de bezoeker van een abdij, waar de uiterst gestileerde en abstracte vormgeving van elk detail was voorgeschreven, zijn ontzetting uitte. De monniken waren in zijn ogen gereduceerd tot museumstukken. Een vergelijkbaar lot was en is ook de bewoners van veel naoorlogse nieuwbouwwijken beschoren, die het object waren en zijn van ‘social engineering’. Dit drong weer eens tot me door toen ik in de vakantie de door Auguste Perret (1874-1954)  volmaakt vormgegeven binnenstad van Le Havre bezocht – inclusief het bouwkundige ‘commentaar’ erop van Oscar Niemeyer (1907-2012): zijn opdringerige en elk uitzicht belemmerende ‘vulkaan’, een staaltje van de tegenwoordig helaas zo geliefde, infantiliserende ‘organische’ architectuur.

Gelukkig zijn er kleine vormen van passief en schouderophalend verzet. Mensen kunnen het niet laten om op onderdelen hun omgeving op smaak te brengen. Tot ergernis van ontwerpers plaatsen ze ‘truttige’ of ‘burgerlijke’ deuren in de kozijnen van modelwoningen, hangen ze ‘kitschige’ gordijnen voor de ramen of bezaaien ze de voortuin met volkskunst uit het tuincentrum. De monniken in de abdij, waarop ik eerder doelde, creëerden in hun betonnen woestijn letterlijk en figuurlijk ‘niches’ met aansprekende afbeeldingen. Als een straatbloem zoekt de behoefte aan toegankelijkheid en herbergzaamheid overal zijn weg. Ik vind het resultaat vaak foeilelijk. Ik gun het echter iedereen om zijn omgeving op de gewenste gevoelstemperatuur te brengen.

En men gunne mij mij om – als voorbijganger! –  te genieten van utopische nieuwbouwsteden als Le Havre en te dromen van een huis van Dudok.

***

Het bovenstaande verscheen eerder op De Bezieling.

Slimme gebouwen

Eerder geplaatst op De Leunstoel, Internetmagazine voor rustige mensen.

Voor mij als kind hadden gebouwen eeuwigheidskarakter. De gebouwen om mij heen waren oergesteente, waarop mijn leven en dat van anderen was gegrondvest en waarop ik rotsvast kon vertrouwen. Ze waren ouder dan ik en zouden mij overleven. Ik realiseerde me niet dat ik opgroeide in een tijd, waarin de cement van de naoorlogse haastklusbouw nog nauwelijks was opgedroogd en waarin op sommige plaatsen in Europa zelfs nog de kraters en puinhopen onder handen werden genomen.

Soms werd er natuurlijk wel een gebouw met de grond gelijk gemaakt. Dat geurde in de mijnstreek, waar ik woonde, zelfs met toenemende frequentie. Vooral de iconische architectuur en de landmarks – we noemden dat toen natuurlijk nog niet zo – van de mijnindustrie moesten het ontgelden. Dat één van de schoorstenen van de Oranje Nassau I bij de sloop in 1976 ongelukkig terecht kwam, versterkte het traumatische gevoel van tragiek en ondergang dat met dit proces gepaard ging.

Ondanks de feitelijke en symbolische sloop van het mijnlandschap in Zuid-Limburg, werd mijn gevoel voor eeuwigheid echter niet aangetast. Er rezen immers nieuwe gebouwen uit de grond, die een glansrijke en robuuste toekomst in het vooruitzicht stelden. Ik zag in mijn woonplaats Heerlen de kantoren van het ABP oprijzen. Het sombere en sobere treinstation maakte plaats voor een luchtig gebouw met kleurrijke ramen. Het AZM zette in 1972 een provocerend pand neer, dat al snel de bijnaam toeter- of tietengebouw kreeg. Het was het Turks Fruit onder de bouwwerken. Heerlen daagde als het ware topless de toekomst uit en trotseerde bij voorbaat de tand des tijds. De stad was eeuwig jong.

***

En toen gebeurde het. Ik voelde me ineens heel erg oud worden – want ik overleefde datgene waarvan ik altijd had gedacht dat het eeuwig jong was: de bouwwerken. Ik zag de glorie verbleken en de materialen letterlijk afbrokkelen en verslijten. Gebouwen bleken niet eeuwig. Het AZM-pand werd vervangen door een serieuzer gebouw. De ABP-torens waren toe aan een restauratie. En het station bleek uitgediend en wordt inmiddels alweer vervangen. Ook elders zie ik de deconfiture van de ‘eeuwige jeugd’, zoals in mijn huidige woonplaats Eindhoven en in het stationsgebied van Utrecht. Gisteren waren Hoog Catharijne en Vredeburg nog jong. Nu maken ze plaats voor iets nieuws, dat op zijn beurt belooft nu echt de vergankelijkheid aan zijn voeten te krijgen.

Hoe komt het dat gebouwen zo’n korte levenscyclus hebben? Zijn wij zo verwend en blasé? Zijn onze plannenmakers zo gretig om hun stempel op ons stedelijke landschap te drukken door te slopen en nieuwbouw te forceren? Of missen de bouwwerken in kwestie het talent om eeuwig jong te blijven? Is er bij ontwerp en bouw een gen binnen geslopen dat de snelle veroudering veroorzaakt? Het lijkt erop dat vooral architecten met een dwingende ideologie erg gevoelig zijn voor snelle slijtage. En daarvan waren er nogal wat in de naoorlogse decennia*.

***

Het kan ook anders. Bouwwerken die wel eeuwig jong blijven. ‘Intelligente ruïnes’ noemt de Belgische architect Bob van Reeth ze. Het zijn die gebouwen die de tand des tijds glansrijk doorstaan en weerstaan. Iedere generatie van gebruikers kan, met een min of meer eenvoudige ingreep, het bouwwerk aanpassen aan nieuwe functies, eisen en smaken. Op die manier herrezen inmiddels veel modern-klassieke panden uit de as of hun stoflaag – zoals het Schunckgebouw in Heerlen, de Philipsfabrieken in Eindhoven, de Van Nelle Fabriek in Rotterdam en het Haags Gemeentemuseum. Ook bleken middeleeuwse kerken en kloosters, raadhuizen en lakenhallen mee te groeien met hun tijd. Ze huisvesten tot op heden uiteenlopende functies.

De ontwerpers en bouwers van deze ‘intelligente ruïnes’ waren de geschiedenis te slim af. Misschien doordat ze wisten dat het er in hun vak vooral om gaat om vrij baan te geven aan ruimte, licht en bewegingsvrijheid – en niet om tijdgebonden ideologieën in steen te houwen en staal te gieten.

* Men kan tegenwerpen dat de ‘organische’ architectuur uit de esoterische hoek ondanks haar ideologische overbeladenheid blijvend gewaardeerd wordt. Ik vermoed echter, dat zij vooral vanwege haar curiositeit zal overleven en niet vanwege de intrinsieke duurzaamheid. In follies kun je niet wonen.

Een omgeving die ons rechtop door het leven doet gaan – over architectuur

 

“Prometheus (…) kneedde mensen naar het beeld der goddelijke heersers: Waar andere wezens naar de aarde kijken, kop omlaag, schonk hij de mens het hoofd rechtop en schiep hem met de opdracht de lucht te zien, de blik omhoog te richten, sterrenwaarts. Zo kreeg de aarde, kort geleden nog zo leeg en vormeloos, Een ander aanzicht door dat nieuwe leven van de mens.”

Ovidius, Metamorfosen, Boek I, vertaling M. d’Hane-Scheltema

 

Een staaltje evenwichtskunst van Dudok: grote lijnen, zorgvuldige proporties en onderbrekende details

Een staaltje evenwichtskunst van Dudok: grote lijnen, zorgvuldige proporties en onderbrekende details

Hoewel ik in het algemeen een ouderwetse smaak heb en op het gebied van architectuur minder ben dan een amateur, geniet ik erg van de ogenschijnlijk sobere en letterlijk rechtlijnige gebouwen uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Ik houd van bouwmeesters als Loos en Wittgenstein – en in Nederland van Berlage, Van der Laan, Dudok en Peutz. Ik voelde me dan ook als een vis in het water, toen ik de afgelopen weken achtereenvolgens in het Haags Gemeentemuseum was, in het Raadhuis in Hilversum en in het Schunckgebouw in Heerlen.

Voor een niet-meer-als-liefhebber is dit vooral een kwestie van gevoel. Maar gevoel kun je ook verklaren, duiden en herleiden. Als ik dit probeer, blijkt mijn voorkeur alles te maken te hebben met de bovenstaande regels van Ovidius. Het is een scheppingsmythe in de notendop, die een aspect verwoordt dat ook eigen is aan het Bijbelse scheppingsverhaal. Het is niet voor niets de opstandige Prometheus die hier de mensen schept en in hun DNA de bestemming verankert om rechtop door het leven te gaan, de blik gericht op de einder en de sterrenhemel – anders dan de naast verwante dieren, die schichtig over de aarde kruipen en op de grond naar hun kostje zoeken. De homo erectus komt, zoals het in het Duits zo mooi heet, ‘auf gleicher Augenhöhe’ te staan met de goden. Het ‘rechtop’ door het leven gaan is een uiting en metafoor van de waardigheid van de mens – en genetisch gezien wellicht ook de bron ervan.

De omgeving die wij voor onszelf scheppen kan deze waardigheid weerspiegelen en te bevestigen. Daarom voelen we ons ‘groot’ in een gotische kathedraal of in één van de genoemde moderne bouwwerken. In zo’n omgeving ondersteunen de loodrechte lijnen onze kaarsrechte gang en zuigen ze onze blikken naar boven. De horizontale lijnen onderstrepen op hun beurt de gerichtheid van onze ogen op de horizon. Deze architecturale omgeving is ons element.

Hoe aangenaam en knus ik me anderzijds ook voel in een Romaanse crypte of in een ‘organisch’ bouwwerk van Le Corbusier, Hundertwasser of Van Huut – en hoe ‘interessant’ dergelijke objecten ook zijn: op den duur benauwt het me om in deze baarmoederlijke bouwsels rond te dolen. Met hun kromme lijnen en diagonale vlakken doen ze me bukken of ineenduiken als een foetus. Dat doet voor korte tijd veilig en behaaglijk aan – maar allengs ga ik me ook voelen als een garnaal onder een steen aan de kustlijn. Ik word klein en degenereer tot de staat van een verre, amfibische voorouder.

Natuurlijk: de ‘rechte-lijnen-architectuur’ heeft een slechte reputatie. Door het snelle verval, vaak te wijten aan experimentele en ondoordachte materiaalkeuzes, maar tevens aan verwaarlozing of slordig gebruik, verloren modernistische gebouwen vaak hun glorie en veranderden ze in grauwe kolossen. Bovendien associëren we hen met de eentonigheid van het industriële stadslandschap, met de epigonenbouwkunst en met de haastklusbouw van de jaren vijftig en zestig. Daarbij komt dat we vaak alleen de grote lijnen waarnemen en niet de kleine details en subtiele proporties, die het grote gebaar compenseerden met een nuchtere huiselijkheid – iets waarin de evenwichtskunstenaars onder de architecten uitblonken.

Gelukkig zijn veel juwelen van bouwkunst inmiddels aan een tweede leven begonnen. Wie zich aan hun lijnenspel overgeeft, weet zich in zijn element. Maar ze zijn meer dan een aan ons geschonken omgeving, waarbinnen we ons vrij bewegen. Ze zijn tegelijk onze expressie, ons visitekaartje: ze zijn onze trotse bijdrage aan de ordening van een wereld, die anders ‘leeg en vormeloos’ zou zijn.

Een omgeving die ons uitnodigt onze rug te rechten en onze blik op te heffen

Een omgeving die ons uitnodigt onze rug te rechten en onze blik op te heffen