Tag Archives: baudet

Uil van Minerva of sluier van Maya? – Over het rad, dat ons voor ogen wordt gedraaid

Op de muzikale smaak van de leider van Forum voor Democratie heb ik op zich niets aan te merken. Integendeel. Iemand die de late pianomuziek van Brahms graag speelt, moet diep in zijn hart deugden. Des te meer frappeerde mij, samen met vele anderen, een tweet die hij een tijd geleden plaatste. Daarin sprak hij zijn weerzin en ontzetting uit over de zogenaamde atonale muziek, die hij hoorde zodra hij Radio Vier had aangezet. Voor Baudet is deze muziek blijkbaar een verschrikking en het summum van decadentie.

Ik weet niet welke muziek Baudet precies hoorde. Het kan niet heel wereldschokkend zijn geweest, want Radio Vier is over het algemeen erg behoedzaam in zijn programmering. De zender is wars van extremen en brengt bij voorkeur de grote middenmoot van het repertoire ten gehore. Het kan natuurlijk zijn, dat Baudet muziek hoorde van één van de toondichters, die honderd jaar geleden de vertrouwde toonsoorten en toonladders loslieten, om een nieuwe muzikale taal te ontwikkelen. De kans is groot dat het Alban Berg was, want diens hypermoderne vioolconcert is zelfs bij het grote publiek geliefd. Of wellicht was het de goede oude Arnold Schönberg*, de uitvinder van de nieuwe muziek en evenals als Baudet een groot fan van de pionier Brahms.

Misschien zou Baudet verbaasd zijn als hij zou vernemen, dat Schönberg en de zijnen eigenlijk hetzelfde beoogde als hij – tenminste: als datgene waarvan hij bewéért dat hij het wil: het ten val brengen van dominante en verstikkende tradities en instituten. Dat streven was er rond 1900 op tal van terreinen: de wijsbegeerte en de literatuur, de wetenschap, de architectuur en de kunst. Vooral Wenen, de bakermat van de ‘atonale muziek’, was het brandpunt van uiteenlopende revolutionaire bewegingen. Ze hadden één ding gemeen: ze zochten naar een nieuwe taal op de genoemde vakgebieden, vanuit het besef dat hun voorgangers aan het eind van hun Latijn waren gekomen. Alles wat in de oude taal werd uitgedrukt, klonk ongeloofwaardig. Die taal werkte eerder versluierend dan onthullend, eerder onderdrukkend dan uitdrukkend. De drift om uit dit keurslijf te breken was kenmerkend voor de nieuwe filosofie, de psychoanalyse, het expressionisme, het Bauhaus – en dus ook voor de nieuwe muziek.

Niet toevallig is het grootste en belangrijkste niet-tonale werk de opera ‘Mozes en Aaron’ van Schönberg. De opera gaat precies over de artistieke problematiek, zoals de componist die ervoer en zag: het verstommen en afstompen van de oude taal. Het verhaal van Mozes en Aaron bleek daarvoor een uiterst geschikte parabel. Mozes, de getuige van de verborgen God, vertegenwoordigt het besef van het niet zegbare, het niet toonbare, het onvatbare. Aaron daarentegen, die het ongeduldige volk tegemoet komt door het gouden stierenbeeld te laten maken, representeert de poging om het onbegrijpelijke te vatten en vast te leggen. In de opera is hem een welluidende  partij toegekend, terwijl Mozes het moet doen met een ongrijpbaar mengsel van zingen en spreken. Mozes erkent dat hij het instrumentarium ontbeert, om te zeggen wat hij zou willen en moeten zeggen. Zijn laatste woorden in deze (onvoltooid gebleven!) opera zijn een verzuchting: ‘O woord, dat mij ontbreekt!’

Schönberg en de zijnen experimenteerden. Dat leverde veel mooie muziek op en indringende werken als Mozes en Aaron. Uiteraard was ook veel van hun werk gedoemd, om het exclusieve onderzoeksterrein van muziekwetenschappers te worden of te blijven. Tegelijk hebben zij de generaties na hen – inclusief degenen die in beginsel trouw bleven aan de geijkte toontaal – uitgedaagd om binnen dat kader de grenzen op te zoeken en om zo creatief en avontuurlijk mogelijk te zijn. Schönberg en zijn volgelingen hebben samen met anderen mede bijgedragen aan het besef, dat we niet altijd kunnen blijven voortgaan op de gebaande wegen – of het nu is in de kunst, de wetenschap, de religie of de politiek. Wie dat wel doet, riskeert onoprechtheid en ongeloofwaardigheid, ideologische afstomping en ééndimensionale voorstellingen van zaken. Wie krampachtig vasthoudt aan de oude categorieën, kan geen recht doen aan een complexe werkelijkheid die altijd in beweging is. Wie, onder het mom van vernieuwing, zweert bij het oude en vertrouwde, creëert een dwazenparadijs. De voorbijvliegende schim van de uil van Minerva, waarna hij zelfgenoegzaam wijst, blijkt dan de sluier van Maya te zijn.

 

*) Inmiddels maakte een oplettende lezer mij erop attent, dat het door Baudet verfoeide muziekwerk een werk was van de tonale componist Rudolf Escher (1912-1980).

Het bovenstaande verscheen eerder op de website van De Bezieling.

Liever elitair dan lui

Een beetje ongemakkelijk voel ik me wel bij de manier waarop mede-tegenstanders van rechts-populisme reageren op de terreurdaad in Charlottesville (USA). Door hun snelheid, felheid en inhoud hebben de commentaren in de social media soms een licht triomfantelijke ondertoon: “We hebben het nog zo gezegd!” “Zie je wel: nu toont rechts zijn ware gezicht!” “Rechts rol nu op het hellend vlak eindelijk in de richting van het nazi-putje.” Alsof men toch een beetje hunkerde naar deze bevestiging van eigen gelijk. Alsof men een zekere voldoening voelt over de vaststelling, dat men nu eindelijk Trump en zijn Nederlandse klonen Wilders en Baudet schaakmat kan zetten en dat men hen kan dwingen kleur te bekennen.

Hoe oprecht en zuiver is deze reflex? Echte verontwaardiging en ontzetting uiten zich toch juist in aanvankelijk ongeloof en in het ‘niet willen dat het waar is’? Dus in een tegengestelde reflex? Hoe dan ook: dit soort reacties maken het voor mij moeilijk om mij in de gesprekken te mengen – en ik doe dat dan ook maar mondjesmaat. Het is niet eenvoudig om de kritiek op het rechts-populisme met de nodige scherpstelling onder woorden te brengen zonder in de hoek van de genoemde handenwrijvers te worden gedreven. En het is onder andere door hun soort retoriek geen wonder dat degenen die het opnemen voor populisten – als de vermeende vertolkers van het gevoel en gedenk van de gewone mensen – de kritiek erop kunnen framen als minachting, haat en demonisering.

Wat het mij ook niet makkelijk maakt, is het feit dat de kritiek op ‘rechts’ inmiddels grotendeels is bezet door groepen die spiegelbeeldige posities innemen en zelf geen haar beter zijn. Een doordachte kritische en bezorgde stem gaat verloren in het kakofone koor van de rancuneuze en zich in vermeend slachtofferschap wentelende antizwartepietisten – vergelijkbaar met de manier waarop, in een ander verband, zorgvuldig gekozen woorden en gedachten worden overschreeuwd door de zelfbenoemde antikapitalisten, van wie een aantal onlangs alle gemeenschaps- en privé-eigendommen in Hamburg kort en klein sloeg. Deze extremen ‘van de andere kant’ maken het gotspe mogelijk, dat ook oprechte critici worden bestempeld als ‘even erg’ als degenen die zij bekritiseren.

Blijkbaar roepen groepen met extreme posities hun tegenpolen op, die hun natuurlijke vijanden lijken te zijn. Door deze opstelling over en weer en door de daardoor ontstane beeldvorming lijken we bijna te worden gedwongen tot een binaire keuze – een patroon waarvan historisch gezien de polarisatie tussen fascisme en communisme in de jaren 30 en 40 een verontrustend voorbeeld vormt. En voor je het weet raak je verzeild in een onbedoeld bondgenootschap: als je tegen Wilders bent, ben je ineens voor (of sta je op zijn minst aan de kant van) mensen als Abou Jahjah (de Libanese Baudet), Hamas of DENK (de Turkse PVV). Als je het rechts-populisme verwerpt, moet je van de weeromstuit meegaan met het lange-tenen-taboe op cultuur- en religiekritiek. Als je vraagtekens plaatst bij het kapitalisme, ben je meteen anarchist. Etc. En dat terwijl je juist het onderliggende denkpatroon van beide kampen aan de kaak wilt stellen: een denkpatroon dat wordt gekenmerkt door rancuneuze identiteitspolitiek, door goedkope framing en door de zelfimmunisering tegen kritiek door slachtofferschap.

Ja, ik ben tegen Wilders, Baudet, Trump etc. Maar dat betekent niet dat ik voor hun antipoden ben. Ik ben zo hautain om te menen, dat ik niet tegenover hen sta op een bepaalde horizontale as of binnen een of ander spectrum, maar boven hen. Dat ik niet iets anders vind, doch dat ik (samen met velen) anders denk, ja: beter en zindelijker nadenk. En diezelfde positie neem ik ook aan tegenover hun ‘natuurlijke vijanden’.  Daarmee maak ik me natuurlijk kwetsbaar voor het frame dat ik aanschurk tegen de ‘elite’ of te afstandelijk en ‘genuanceerd’ ben – maar dat zij dan zo. Liever elitair en genuanceerd, dan gemakzuchtig.