Tag Archives: crisis

Leven we in een liminale tijd?

Met grote vanzelfsprekendheid zijn we de huidige pandemie een crisis gaan noemen. En dat is ze ook. Maar het woord crisis is ook een containerbegrip voor allerlei soorten van ontreddering. Het roept dan ook de vraag is, waarin nu precies het ‘kritische’ van de actuele situatie bestaat. Ik vermoed dat dit is gelegen in  de wereldwijde  ervaring van liminaliteit. Dit begrip – afkomstig uit de culturele antropologie en uitgevonden door Arnold van Gennep (1873-1957) – verwijst naar het niemandsland of de ‘niemandstijd’ waarin mensen verkeren als ze (letterlijk of figuurlijk) het vertrouwde land van herkomst hebben opgegeven, maar nog niet zijn aangekomen aan de overkant.

Dat niemandsland tijdens de oversteek kan bewust zijn georganiseerd of iets zijn wat ons overkomt. Het vindt bijvoorbeeld plaats tijdens een overgangsritueel of een initiatie. (In het onderzoek daarnaar is het begrip ook ontstaan.) Het overkomt echter ook velen (niet allen), die vanwege hun beroep of roeping bewust ervoor kiezen, om het eigen milieu te verlaten en zich bloot te stellen aan een andere leefwereld en cultuur: als wetenschapper of onderzoeker, als zendeling of missionaris, als hulpverlener of militair – of gewoon als avonturier of backpacker.

Kenmerkend aan de liminaliteit is het wegvallen van elk houvast en van elke grond onder de voeten, het verlies van alle mentale middelen om de weg te vinden in de realiteit en er greep op te krijgen*). Alle structuren vallen weg en er begint een fase van volstrekte stuur- en structuurloosheid. Moeizaam zwemt de persoon in kwestie door het kolkende water, tastend en spartelend op zoek naar de andere oever, om daar geleidelijk weer te leren lopen. ‘Inburgeren’ heet dat eufemistisch, in een bepaalde context.

Het voorbeeld van de missionaris spreekt boekdelen. Zij of hij vertrekt naar een ander werelddeel, in de verwachting de mensen aldaar vertrouwd te maken met datgene wat haar of hem allang vertrouwd is en waarop zij of hij haar of zijn vertrouwen stelt. Feitelijk gebeurt niet zelden het omgekeerde: de zendeling valt van haar of zijn geloof. Alles wordt onderuit en overhoop gehaald, waarop zij of hij bouwde. En pas moeizaam en geleidelijk ontstaat er een nieuw overzicht en uit de brokstukken een nieuw bouwwerk: op een vreemde, nieuwe wijze vertrouwd. Het is een dramatisch gebeuren en niet voor niets is de missionaris een geliefd personage in romans en films.

Als concept of metafoor is de liminaliteit ook toepasbaar op de ogenschijnlijk minder dramatische, maar niet minder ingrijpende mentale processen bij monniken, denkers en kunstenaars. Deze processen doen zich voor, als de laatstgenoemden in een ‘crisis’ terecht komen, doordat er zich iets aandient wat te groot is of te anders voor hun begrippen en routines, doordat hun methodische instrumentarium niet meer helpt om op dat grote en andere vat te krijgen. De drempelervaring – om liminaliteit zo letterlijk mogelijk te vertalen – is dan het moment van hun ‘wending’, het moment dat ze de ene ‘periode’ achter zich laten voor de andere. Vaak gaat het daarbij om een langere tussenfase, een woestijntijd, waarin het stil wordt rond de geestelijke, de wetenschapper of de artiest, totdat ze hun publiek verrassen met een volstrekt nieuwe aanpak. De monnik wordt een mysticus, de denker een meester en de kunstenaar een genie.

Maken we nu niet als mensheid een collectieve liminaliteitscrisis mee? Het lijkt er wel op, gezien de grote radeloosheid en onthandheid. En deze ervaring kan misschien ook vruchtbaar worden. Plat gezegd: we kunnen er wellicht van leren. We kunnen het failliet van oude vormen en gedachten gaan inzien. Of dat echt gebeurt, hangt uiteindelijk van onze instelling af. Niet van alle crisissen, eigenlijk van geen enkele, hebben we echter veel geleerd. En ik vrees eerlijk gezegd het ergste, als ik zie hoe wij – ik zonder me zelf niet uit – zo gretig staan te dringen en te trappelen voor de deur van de langzaam weer opengaande schijnnormaliteit, als shopverslaafden voor de uitverkoop**).

De crisis is geen ‘kans’, maar plaatst ons voor het blok. In het Duits heet dat zo mooi: ze brengt ons in ‘Zugzwang’. We zijn aan zet. Onze speelruimte daarbij is beperkt, maar verlamd hoeven we ons niet te voelen.

_______________________________________________

*) Het woord ‘ervaring’ is dan ook eigenlijk wat contradictoir in dit verband, omdat ervaring altijd veronderstelt dat er kaders zijn, waarbinnen de realiteit überhaupt ervaarbaar wordt en dat er een ik is dat deze realiteit ordent. Kenmerkend voor liminaliteit is nu juist, dat zelfs deze regie van een ervarend ik wegvalt. Er is eerder sprake van een volstrekte desoriëntatie, verlamming en verblinding.

**) Als ik dicht bij huis blijf (daar vind je immers altijd de beste voorbeelden), dat wil zeggen in mijn eigen kerkelijke leef- en werkwereld, zie ik dit laatste nu met plaatsvervangende schaamte gebeuren. Nu zal ik de laatste zijn om zalvend te beweren dat ‘de crisis een kans’ was, laat staan dat ‘God ons iets wil zeggen’. Maar het is wel een realiteit, dat we hardhandig naar een nulpunt zijn teruggebracht wat onze structuren en praktijken betreft. De steeds meer tot een schijnvertoning geworden eredienst is aan het eind van haar Latijn gekomen. En nu we de afgelopen maanden toch met de rug tegen de muur stonden, hadden we in elk geval van de nood – want een nood blijft het – een deugd kunnen maken. Het lijkt er echter op, dat we met zijn allen zijn terug gezwommen naar de oude oever. En dat we daar nu aan de afgoden van onze klerikale rituelen een dankoffer brengen voor de redding (voor zover daarvan sprake is).

De crisis is geen kans om te grijpen maar een gelegenheid om na te denken

De corona-crisis is, zoals het woord zegt, een crisis. Niet meer en niet minder. Er staan zaken op het spel en er bestaan reële gevaren: voor de volksgezondheid en ieders individuele gezondheid, voor de maatschappelijke samenhang en de economie, voor de instituties in de zorg, het onderwijs, de wetenschap en de cultuur – en voor de kerken. Met man en macht wordt gewerkt om het schip tussen de klippen door te loodsen. De crisis is geen ‘kans’ of ‘uitdaging’, zoals er her en der in modieus en quasi-spiritueel managementboekjargon wordt verkondigd. Daarvoor is de situatie te ernstig. Een epidemie is geen sportevenement.

Het spreken over ‘kansen’ is helaas echter ook in kerkelijke kringen aan de orde van de dag. Vooral vooruitstrevende, creatieve en innovatieve zielen in de katholieke kerk  zien plotseling mogelijkheden. Op zich is dit begrijpelijk. De laatste decennia is er immers veel gesproken over en gewerkt aan alternatieven voor de sleets geraakte, klerikale organisatievormen en liturgische praktijken. Pogingen om open te discussiëren en vrijelijk te experimenten zijn echter stelselmatig gefrustreerd. Geen wonder dus, dat de vernieuwingsgezinden de gevolgen van de crisis als bevrijdend ervaren. Veranderingen worden nu afgedwongen. Nu mag niet alleen, maar moet zelfs worden geïmproviseerd. De eredienst is opeens niet meer gebonden aan een gebouw en een (mannelijke) beroepsgroep.

Het is echter maar de vraag, of het van smaak en tact getuigt, om de huidige crisis als een ‘blessing in disguise’  te zien.  Lijden en risico’s worden hiermee ge-instrumentaliseerd. De kansenretoriek heeft daardoor een cynische bijklank. De progressieven verlenen zichzelf en hun zaak bovendien een slechte dienst. Uit nood of wanhoop geboren zelfkritiek en creativiteit kunnen nooit tot een duurzame hervorming leiden. Die komt er alleen, als er fundamenteel wordt nagedacht en inhoudelijk wordt gedebatteerd. Het feit dat mensen niet meer naar de kerk kunnen gaan, vervangt niet de broodnodige theologische doordenking van wat wenselijk, noodzakelijk en heilzaam is. Dat we het gesprek daarover bij uitstek nu kunnen en moeten voeren,  staat voor mij als een paal boven water, maar niet omdat we misschien ‘eindelijk gelijk krijgen’,  maar omdat we even niets anders te doen hebben. We hebben nu tijd voor reflectie – een reflectie die we, uit ontmoediging of onder het gemakzuchtige  mom van praktijkgerichtheid, jarenlang hebben laten liggen en hebben overgelaten aan een handvol specialisten.

Binnen de kansenretoriek wordt op één punt overigens echt een grens overschreden. Er zijn vertolkers van deze logica, die lyrisch zijn over de door de situatie opgelegde ‘liturgie aan de keukentafel’.  Euforisch verkondigen zij, dat we weer terug zijn in de tijd van de eerste christenen en hun ‘huiskerken’.   Als we echter menen, dat we kunnen leven als de ‘eerste christenen’ (die overigens als vriendengroepen bij elkaar kwamen en niet als eensgezinswoninggezinnen), is dat in het gunstigste geval een kinderlijke vorm van bijbeltje-naspelen, maar ten diepste een hachelijke illusie. We kunnen immers geen reis in de tijd maken en er is zeker geen continue lijn te trekken van het Nieuwe Testament naar het heden. We kunnen niet net doen alsof er geen tweeduizend jaar kerkgeschiedenis en wereldgeschiedenis zijn verstreken, die ‘ons christenen’ onze onschuld hebben doen verliezen.  En in onze windstreken –  met de onbetwiste invloed, vrijheid en welvaart van de kerken – is het ook nogal hoogmoedig, om ons op één lijn te plaatsen met de generaties, die de naam van christen met bloed hebben moeten betalen.

We leven in een ongehoorde tijd. De pandemie is een onversneden crisis, ook voor de kerken.  Zolang we die echter benoemen als ‘kans’ , is dat een teken, dat de ernst van de situatie niet echt tot ons is doorgedrongen. Dit sluit niet uit, dat we wel degelijk kunnen reageren op de crisis. We zullen wel moeten. Maar wat we moeten doen, is niet het ‘grijpen van een kans’, maar het nemen van onze verantwoordelijkheid, voor onszelf en voor anderen, voor de korte en voor de lange termijn. We moeten er het beste van maken. Dat vraagt wendbaarheid, durf, intellectuele inspanning en offerbereidheid. En als achteraf blijkt, dat we er ook iets nieuws van hebben kunnen leren: dan is dat mooi meegenomen. Maar dat zien we later dan wel.