Tag Archives: kunst

God als aleatorisch kunstenaar

Meer mensen dan ooit hebben dit jaar de vakantietijd doorgebracht in rustige oorden. Stedentrips en reizen naar drukke stranden waren minder in trek. In plaats daarvan bezochten velen het bos, de heide of het water in de nabijheid. Wie het zich kon veroorloven, zocht ruige kusten op of verstilde bergdorpen. Al met al was deze tijd een uitgelezen kans, om religieuze ervaringen op te doen. Het schijnt immers zo te zijn, dat we God bij uitstek op het spoor komen in de ongerepte natuur. Hier is de verf of de klei van de schepping nog nat. In de door en door gerepte stad of op de dicht bevolkte boulevards daarentegen komt God niet zo goed uit de verf. Als hij al in de stad te vinden is, dan houdt hij zich schuil in karig bezochte musea. God is blijkbaar een beetje mensenschuw.

Ik zelf heb deze zomer volop genoten van geestverruimende vergezichten, van het ritme van de branding aan de kust en van het zilverachtige zingen van de wind in de kruinen van de populieren aan de rivier. Op religieuze gevoelens of ervaringen heb ik mezelf daarbij echter niet kunnen betrappen.  Ik zie niet in waarom het privilege van deze gemoedsaandoeningen ligt bij stille oorden. Natuurlijk: we ondergaan op deze plekken het verheven, sublieme karakter van de natuur. Het norse zwijgen en de stille onverzettelijkheid van de bergen maken een even diepe indruk als het eeuwige bewegen en zingen van de zee, de rivier en de wind. Maar of uitgerekend hierin God tot mijn ziel spreekt?

Het zal wel aan mij liggen. U zult zich misschien wél herkennen in degenen, die bij het uitkijkplatform boven op een berg een bordje ophangen met een psalmvers, waarin Gods schepping wordt geprezen – om maar iets te noemen. Ik zelf ben eerder onder de indruk van het vissersmonument op Urk, waar een plaquette met schrijnende nuchterheid en triomfantelijke bitterheid uit het bijbelboek Openbaring citeert: “En de zee is niet meer”. De bijbel gaat immers niet alleen over God als schepper van de kosmos, maar ook over het handgemeen tussen mens en natuur.

Overigens zijn de bijbelteksten-voor-wandelaars tegenwoordig grotendeels verdrongen door educatieve borden van biologen en aardrijkskundigen. Deze borden maken de natuurliefhebbers wegwijs in het landschap om hen heen en in de geschiedenis ervan. Het ontstaan van plooiingsgebergten en veengebieden worden haarfijn uit de doeken gedaan.  Ook dat is niet zo bevorderlijk voor de betoverende werking van het landschap. Het besef dat bergen, meren en heiden zijn ontstaan door een nogal slordig proces en een verkwistende aaneenrijging van toevalligheden, is nogal ontnuchterend. De evolutietheorie is er niets bij. Overigens is dat aan het rafelige profiel van een hooggebergte als de alpen nog steeds te zien, als je het mij vraagt.

Ik loof de schepper niettemin bijna elke dag – door het jaar misschien nog wel vaker dan tijdens de vakantie. Dat begint er al mee, dat ik bij het ontwaken het licht in mijn ogen begroet en dankbaar ben voor het feit, dat ik letterlijk weer een hand voor ogen kan zien. Het vertrouwde gevoel van vaste grond onder de voeten als ik opsta en de geur van brood en koffie maken deze dankbaarheid het af. Ik open de gordijnen en bekijk, door de takken van de bomen, de hemel: grijs, blauw of iets er tussen in. Ik zie op het balkon de bedrijvige mussen en op straat de mensen, op weg naar uiteenlopende doelen, met vastberaden tred of met de moed in hun schoenen, maar allemaal van zins er weer het beste van te maken.

“Goedemorgen, wereld”, zeg ik in mezelf bij wijze van psalm 19. En ik stel me dan voor, dat in dit alles een kunstenaar de hand heeft gehad. Dezelfde kunstenaar die ook de bergen en de zeeën heeft gemaakt. Hij is in mijn voorstelling echter een aleatorisch kunstenaar, die er genoegen in heeft geschapen om te improviseren en om daarbij veel aan het toeval over te laten. Geen architect of beeldhouwer, maar een jazzpianist.

Het resultaat is prachtig.

***

Het bovenstaande verscheen eerder als column op De Bezieling.

Inspiratie als stoplap

Gij zult u laten inspireren. Dit is het nieuwste gebod van de marketinggoeroes – als ik tenminste moet afgaan op de reclame-uitingen over tentoonstellingen, voorstellingen en nieuwe boeken. In één op de twee advertenties of spotjes over zo’n cultureel product komt het woord inspiratie of een afgeleide daarvan voor. Volgens de marketeers kan en moet de museumbezoeker of toeschouwer, de lezer of luisteraar zich door de kunst laten inspireren. Mijn ziel reageert enigszins kregel op het tomeloze gebruik van dit begrip. Misschien omdat het de verdenking oproept, dat inspiratie een gemakzuchtige en vage kreet is geworden, die zo ongeveer elke aangename sensatie lijkt te betekenen. Het is zo iets als ‘mieters’ of ‘heftig’ of ‘gewoon lekker’ – in elk geval weinig specifiek.

Er is echter meer aan de hand. Dit gebruik van het woord inspiratie is nogal verwarrend. Nog niet zo lang geleden immers zeiden we dat kunstwerken waren geïnspireerd – of beter nog: de kunstenaars. Inspiratie was iets wat de kunstenaar in het atelier of het podium overkwam – uiteraard altijd na een fase van toewijding, toeleg en discipline. De gewone sterveling stond, vervuld van ontzag en dankbaarheid, bewondering en verbazing, toe te kijken en te luisteren terwijl de kunstenaar (kwistig of kwellend gedoseerd) uitdeelde wat hij of zij dankzij de moeizaam veroverde muzenkus had geschapen. De inspiratie zelf echter bleef een geheim. De lezer, luisteraar of toeschouwer ving hooguit nog een laatste zuchtje op van de inspiratie – dat heette kippenvel – maar had verder het nakijken. Inspiratie: dat was iets van de ander en in het ander. Iets waarover je met fluisterzacht respect sprak.

Hoe komt het dat de betekenis nu 180 graden is omgekeerd? Dat ‘wij’ als kunstgenieters de geïnspireerden (moeten) zijn? Vermoedelijk hangt het samen met wat Lipovetsky en Serroy de ‘esthetisering van de wereld’ noemen. Bij elke stap die wij moderne westerlingen zetten in het maatschappelijke, economische en culturele verkeer vragen wij ons af of onze zintuiglijkheid voldoende aan haar trekken komt. Deze esthetisering is totaal en totalitair. Elke fase van het consumptieproces dient de zinnen te prikkelen en ons te amuseren: de reclame-uiting op zich is een kunstwerkje; het verrichten van de aankoop of transactie dient ‘fun’ te zijn (‘shoppen’); het product is zowel qua inhoud als qua vormgeving en verpakking een bron van verrukking; tenslotte krijgen we een ‘kick’ als we kunnen uitdragen dat we de trotse bezitters van dit product zijn. Het bezit van de zaak is slechts een deel van het vermaak.

Bij een ambitieuze thematentoonstelling – zoals enkele jaren geleden de Rothko-expositie in Den Haag – is dit patroon goed te zien. Rond de expositie wordt via marketing en vrije publiciteit (met als hoogtepunt het TV-programma De Wereld Draait Door) een sfeer van collectief genot en vermaak gecreëerd. Het bezoek van de tentoonstelling zelf, inclusief het veel te dure museumrestaurant, is een sensatie en de merchandise in de museumwinkel – variërend van hondenjasjes tot koelkastmagneetjes – staat garant voor zintuiglijke nazorg. Kunst moet in deze ‘zintuiglijkheidscultuur’ ‘iets met ons doen’, ons strelen en sterken.

Als deze diagnose enigszins klopt, werpt dat ook een verhelderend licht op de omkering van het begrip ‘inspiratie’. Het concept van de ‘geësthetiseerde’ cultuur lijkt in elk geval te verklaren, waarom wij de inspiratie naar ons toebuigen. Wij laten ons niet in de ban brengen en in onze baan houden door de ster van het kunstwerk met zijn eigen zwaartekracht: we staan zelf in het middelpunt. We genieten niet van de inspiratie van de kunstenaar als de ander, maar zuigen hem leeg. We luisteren en kijken niet ademloos naar kunst, maar snuiven haar op. We zetten onze ziel niet op het spel in de overgave aan het kunstwerk, doch onttrekken energie aan dat laatste voor ons gulzige ik. We willen geen extase, doch bevrediging; geen verrukking doch vervulling. We willen niet buiten adem raken in het gevecht met de overmacht van het schone, doch worden beademd. Kortom: we willen worden geïnspireerd.  Kunst als inspiratie: het is de voortdurend brommende luchtpomp voor ons naar adem happende, poreuze ik.

Of zou het begrip ‘inspiratie’ gewoon wat onhandig worden gebruikt door de marktkooplui? En betekent het nu juist, dat we nog steeds ontzag kunnen en willen opbrengen voor datgene wat ons boven het schedeldak gaat? Het is immers zo’n transcendent-erig woord. Ter geruststelling denk ik maar aan al die mensen die op Palmzondag weer vier uur lang hun zitvlees tuchtigen voor de Mattheuspassie. Dat zegt veel.

Te koop in de museumshop van het Van Gogh Museum in Amsterdam: en Van-Gogh-jasje voor uw poedel.

Te koop in de museumshop van het Van Gogh Museum in Amsterdam: een Van-Gogh-jasje voor uw poedel.

De mens is onderdeel van een clichéfabriek. Of niet?

Na het lezen van Döblins roman Berlin Alexanderplatz (1929), dringt zich één schrikbarende interpretatiemogelijkheid op: de mens is een onderdeel van een immense clichéfabriek. De roman zegt het zelf aldus: “Het is met de wereld zo gesteld, dat de meest onnozele spreekwoorden gelijk krijgen.”

De ironie zit er natuurlijk in, dat Döblin zich met deze uitspraak op zijn beurt van onelinerstaal bedient. En dat doet hij voordurend. De innerlijke monologen van de personages en de commentaren van de verteller zijn doorregen met oubollige spreekwoorden, alsmede met uit hun verband gerukte regels uit schlagers, strijdliederen, politieke toespraken en reclameteksten. Daarnaast is de woordenstroom hier en daar doorspekt met flarden tekst uit de bijbel en serieuze kranten, uit de sensatiepers en boulevardbladen.

De roman roept met deze verteltechniek de beangstigende suggestie op dat de woorden en gedachten van literaire helden en hun vertellers – hoe verheven of diepgravend bedoeld ook – ondergaan in een brij van – meer of minder serieus te nemen – gemeenplaatsen, ja: dat literaire personages en auteurs bijna niet anders kunnen dan die brij herkauwen.

Döblin houdt ons opzettelijk een spiegel voor en we mogen het bovenstaande dus gerust verbreden tot een algemene uitspraak: wij mensen praten en denken alsof het gedrukt staat. We praten de taal na van de affiches en vlugschriften, goedkope kranten en van het meest gedrukte boek ter wereld: de bijbel. Wij gebruiken de taal niet vanuit een soevereine positie, om het diepste en hoogste uit te drukken. Nee: de taal is onze moeder en is ons te machtig. Ze is ons op het lijf geschreven, op het “vel waarin we nu eenmaal wonen”.

Misschien gaat deze postmoderne uitleg echter te ver. Misschien is de taal op een bepaalde manier wel degelijk een symptoom van de realiteit in plaats van haar moeder. Daarop lijkt de geciteerde oneliner te duiden, die beweert dat platitudes gelijk krijgen. Als clichés zoals “Dat is de loop der dingen” het winnen van heldhaftige pogingen om het lot te beïnvloeden en te keren: dan weerspiegelt dit een metafysisch gegeven. Er is zoiets als een banaal noodlot, dat als een zwart gat de taal binnenzuigt en vermaalt tot een grauwe brij zonder idyllen en idealen, nuances en lichtpuntjes. De taal is gedoemd om nederig amen te zeggen op de brute werkelijkheid en te verworden tot het eeuwig gemurmel van een troebele bergbeek.

Gelukkig, maar ook op een onhandig laat moment, laat Döblin in zijn roman nog de mogelijkheid van zingeving open. Door een kiertje schijnt een beetje licht naar binnen. Dat gebeurt echter, zoals gezegd, bij het scheiden van de markt.

***

Wat Döblin ook pretendeerde en ambieerde op wijsgerig gebied: feit is dat hij één van degenen is geweest die de taal van de ‘hoge cultuur’ hebben genivelleerd en schaamteloos hebben vermengd met de taal uit de populaire of ‘lage’ cultuur. De deftige Duitse Bildungsroman is via knip-en-plak-werk onderdeel geworden van de voortdurende stroom van gemeenplaatsen van de industriële samenleving. Sociologisch uitgedrukt: de urbane massacultuur (waarvoor Berlijn een icoon was en is) heeft zich als een onstuitbare stortvloed meester gemaakt van Het Boek. Het is niet langer voorbehouden aan verstilde studeervertrekken of buitenverblijven om de bakermat te zijn van een kloeke Duitse roman.

Berlin Alexanderplatz staat uiteraard in een traditie, wat dit betreft. Mondjesmaat deden anderen vóór Döblin het zelfde – bij uitstek in de muziek, zoals Mahler die in zijn symfonieën met opzet banaliteiten citeerde en zelfs als bouwstenen gebruikte. En inmiddels is het vrijwel gemeengoed geworden om de kunstenaars en kunstminnaars, voor zover zij nog en veilig heenkomen willen zoeken in ivoren torens, te schokkeren en te schofferen en om de popcultuur binnen te doen dringen in het allerheiligste.

Het is gemeengoed geworden – op het afstompende en uitgeleefde af. De musea voor hedendaagse kunst liggen er verlaten bij met hun zichzelf voortdurend kopiërende projecten, die erop zijn gericht om de ‘hoge cultuur’ te ondermijnen en te laten onttronen door de ‘lage cultuur’. Ze zijn als roependen in een woestijn met hun voorspelbare schokeffecten, met hun – ik citeer vrij de veelal onleesbare tentoonstellingscatalogi – pogingen ‘om paradoxen te laten zijn wat te zijn’, ‘om meer vragen op te roepen dan te beantwoorden’ en ‘om contrasten en contradicties te laten bestaan’.

Wat ooit bevrijdend, emanciperend en schokkerend was, is inmiddels een cliché van een cliché geworden. De massacultuur hoeft immers niet meer een provocerende mesalliance aan te gaan met de hoge cultuur, om te worden geëmancipeerd. Inmiddels is de popcultuur immers gevestigd geraakt, in hogere kringen de bon ton geworden en aldus meer dan voldoende geëmancipeerd. De producenten ervan zijn zelfs tot een elite in materiële zin geworden. De ooit zo verfoeide ivoren toren: dat is nu de jetset van mediamagnaten en popartiesten. Wie het opneemt voor massacultuur trapt een open deur in – of laadt op zijn minst de verdenking van opportunisme op zich.

***

Bovendien zoeken de consumenten van popcultuur niet de confrontatie op en zijn zij niet uit op een robbertje vechten. Want ook dat is nog een veel voorkomend misverstand bij sommige conservatoren – overigens een merkwaardige aanduiding van de beroepsgroep in dit verband. Ze beschouwen de musea als een gevechtsarena, waar indringende maatschappijkritische vragen worden gesteld en misstanden aan de kaak – onder andere door middel van nieuwe combinaties van massacultuur met museale kunst.

Inmiddels echter blijkt de Homo Popculturalis vooral datgene te zoeken wat kunstenaars nolens volens hebben moeten afleren: de ontsnapping aan de barre realiteit. Het durven wegdromen in fantasiewerelden en in gevoelens die te mooi zijn om waar te zijn: die guilty pleasure heeft zich verplaatst van de hoge naar de lage cultuur.

Het organiseren van droomvluchten: hierin en hiervoor was de kunst altijd goed. Helaas heeft ze dit terrein te veel prijsgegeven aan de kitsch – zoals de kerken met hun ‘realisme’ vrij baan hebben gegeven aan het klatergoud van de esoterie en de technocraten van de politiek ruimte hebben gecreëerd voor de linke blingbling van irreële utopieën.

Maar dat is allemaal weer een ander verhaal.

_____________________________________________

* De foto is genomen tijdens de tentoonstelling Three Blind Mice in het museum Dhondt-Dhaenens in Deurle (B).

 

Bestaat religieuze kunst?

Wat zou er zijn gebeurd als Bach geen gelovige lutheraan zou zijn geweest? Zo luidt een bekende vraag uit het ‘what-if’-genre. Zou hij dan ook hebben gecomponeerd? Zou hij, preciezer gevraagd, wel zo veel en zulke mooie muziek hebben gecomponeerd? Deze vraag wordt – hoe kan het anders? – uiteenlopend beantwoord.

Bepaalde reformatorische Bachliefhebbers, voor wie de componist de vijfde evangelist is, stellen dat Bach zijn inspiratie grotendeels, ja: vrijwel uitsluitend putte uit zijn geloof. Zelfs zijn instrumentale en niet voor liturgisch gebruik geschreven muziek moet het hebben van een religieuze bewogenheid, menen zij. Binnen deze denktrant is het Largo uit het concert voor twee violen en orkest (bij sommigen bekend van de film Children of a lesser God) zelfs wel eens gekarakteriseerd als een muzikale weergave van de vrijage tussen Jezus en de ziel.

Door de Verlichting afgebluste melomanen daarentegen huldigen het standpunt, dat Bach ‘gewoon’ een vakman en subliem kunstenaar was, die toevallig ook nog eens gelovig was en ‘nu eenmaal’ in een christelijk milieu leefde. Zijn muzikale gedrevenheid en bedrevenheid zochten echter een weg, een bedding. Om legitiem en op enigszins lucratieve manier zijn kunst te beoefenen, deed Bach dit binnen de institutionele kaders die hij aantrof. Het geloof – concreter: de liturgie – vormde een handige aanleiding en kapstok voor zijn muziek en de kerk een podium. Zoals hij vorstelijke klanten had, zo kon hij ook terugvallen op de kerk als opdrachtgever. Op de kwaliteit en kwintessens van zijn werk had dit geen invloed. Ter onderbouwing van deze visie wijzen de aanhangers ervan op het feit dat er, wat betreft niveau en gedrevenheid, geen verschil valt te ontdekken tussen de wereldlijke en geestelijke geesteskinderen van Bach.

Religieuze kunst

De Bachkwestie is een casus voor een bredere vraagstelling. Je kunt haar immers stellen ten aanzien van alle kunstenaars die ‘religieuze werken’ op hun naam hebben staan. Ja: je kunt de kwestie verbreden tot de vraag of er wel zoiets bestaat als ‘religieuze kunst’. Ik wil zelfs nog verder gaan: is er überhaupt een kunst, die deze naam verdient en die haar inspiratie ontleent aan iets wat buiten haar domein ligt? Op deze manier gesteld raakt de vraag bijvoorbeeld ook liefdesgedichten uit de renaissance, natuurschilderingen uit de romantiek of wijsgerige romans.

Als kunstconsument neig ik in dezen tot het geseculariseerde standpunt. Op het voorbeeld Bach toegepast durf ik de stelling te verdedigen dat deze, als hij niet gelovig zou zijn geweest en als hij voldoende andere opdrachtgevers of betalende afnemers van zijn muziek zou hebben gevonden, even veel en even goede muziek had gemaakt. Het is zelfs denkbaar dat hij een seculier monument zou hebben geschapen, dat zich zou hebben kunnen meten met de Matteüspassie. Inspiratie tot het scheppen – om het woord ‘maken’ te vermijden – van het schone komt mijns inziens namelijk voort uit dat schone zelf.

Je hoeft niet diepgravend te filosoferen om dit in te zien. Het is voldoende – maar dan ook tevens noodzakelijk – om de kunst zelf en vóór zichzelf te laten spreken. Als je luistert naar een subliem muziekwerk – of het nu een cantate van Bach is of een strijkkwartet van Van Beethoven – en als je kijkt naar een schildering – of het nu een annunciatie van Fra Angelico is of een vorstenportret van Velazquez – dan ervaar je, zij het in tweede instantie, hoe de kunstenaar al scheppende in vervoering raakt door zijn eigen werk.

Bij muziek of literatuur is dat evidenter dan bij beeldende kunst, omdat een beeldend kunstwerk vooral een statisch eindproduct lijkt, terwijl muziek leeft van en in de tijd en als het ware telkens weer opnieuw ontstaat. Daardoor getuigt muziek uitdrukkelijker dan een beeldend kunstwerk van een in haarzelf gelegen dynamiek, die zichzelf voortbrengt en verder ontwikkelt. Als je luistert naar een strijkkwartet van Haydn of een fuga van Bach, dan hoor je hoe de schepper in vervoering raakt door de vanzelfsprekende opeenvolging van verrassingen of de verrassende logica van datgene wat onder zijn vingers ontstaat. Je bent getuige van een openbaring. (Bij beeldende kunst ondergaat de zorgvuldige toeschouwer dit uiteraard ook, maar het dringt zich minder op.)

Een componist  – om bij de muziek te blijven – is dus vooral geïnspireerd door zijn muziek zelf. Er is niet ‘eerst iets anders’ wat de componist ‘vervolgens’ omzet in klankschoonheid. Het moment van uitvinden valt samen met dat van vinden, aantreffen. Het scheppen van schoonheid is het moment van de openbaring ervan.

Sporen van het goddelijke

De vraag naar de levenbeschouwelijke betekenis van muziek – en van kunst in het algemeen – is daardoor niet irrelevant geworden. De kunstenaar stijgt boven zichzelf uit. Datgene wat hij of zij schept is hem te machtig en is groter dan hij of zij zelf – en groter dan de luisteraar, lezer of toeschouwer. Dit ‘uitstijgen boven’ wil ik als theoloog met een gerust hart ‘transcendentie’ met een grote T noemen. Al naar gelang het theologische denkkader kan kunst wat mij betreft zelfs een spoor van het goddelijke worden genoemd, met andere woorden: duidenderwijs worden gekwalificeerd als iets wat verwijst naar een goddelijke oorsprong en tevens een weg is daarheen.

Kunst is een dergelijk spoor echter alleen, voor zover ze zichzelf is, voor zover ze zich ontplooit in haar eigen wetmatigheid, zich ontvouwt in haar autonomie. Een kunst die moedwillig religieus wil zijn, door zich te enten op een bron die buiten haar zelf ligt, krijgt al snel iets geforceerds en gekunstelds (iets waaraan, bij wijze van voorbeeld, naar mijn smaak het werk van Messiaen niet altijd ontkomt) of ontaardt tot kitsch. In het ergste geval implodeert ze, zoals een gebouw instort als de architect meent dat hij de statica kan negeren.

Mijn theologische kaarten op tafel leggende, kan ik het zo zeggen. Alleen als de mens volop mens is en de wereld volop wereld, zijn zij ook potentieel van betekenis als verwijzingen naar het goddelijke. Voor de kunst geldt iets analoogs: alleen als zij zichzelf draagt kan zij, voor wie dat per se wil, een drager worden van religieuze betekenis en betekenissen. Maar de kunst zelf heeft dat niet nodig. Zij rust en beweegt in zichzelf. Ze is een wonder.