Tag Archives: lipovetsky

Inspiratie als stoplap

Gij zult u laten inspireren. Dit is het nieuwste gebod van de marketinggoeroes – als ik tenminste moet afgaan op de reclame-uitingen over tentoonstellingen, voorstellingen en nieuwe boeken. In één op de twee advertenties of spotjes over zo’n cultureel product komt het woord inspiratie of een afgeleide daarvan voor. Volgens de marketeers kan en moet de museumbezoeker of toeschouwer, de lezer of luisteraar zich door de kunst laten inspireren. Mijn ziel reageert enigszins kregel op het tomeloze gebruik van dit begrip. Misschien omdat het de verdenking oproept, dat inspiratie een gemakzuchtige en vage kreet is geworden, die zo ongeveer elke aangename sensatie lijkt te betekenen. Het is zo iets als ‘mieters’ of ‘heftig’ of ‘gewoon lekker’ – in elk geval weinig specifiek.

Er is echter meer aan de hand. Dit gebruik van het woord inspiratie is nogal verwarrend. Nog niet zo lang geleden immers zeiden we dat kunstwerken waren geïnspireerd – of beter nog: de kunstenaars. Inspiratie was iets wat de kunstenaar in het atelier of het podium overkwam – uiteraard altijd na een fase van toewijding, toeleg en discipline. De gewone sterveling stond, vervuld van ontzag en dankbaarheid, bewondering en verbazing, toe te kijken en te luisteren terwijl de kunstenaar (kwistig of kwellend gedoseerd) uitdeelde wat hij of zij dankzij de moeizaam veroverde muzenkus had geschapen. De inspiratie zelf echter bleef een geheim. De lezer, luisteraar of toeschouwer ving hooguit nog een laatste zuchtje op van de inspiratie – dat heette kippenvel – maar had verder het nakijken. Inspiratie: dat was iets van de ander en in het ander. Iets waarover je met fluisterzacht respect sprak.

Hoe komt het dat de betekenis nu 180 graden is omgekeerd? Dat ‘wij’ als kunstgenieters de geïnspireerden (moeten) zijn? Vermoedelijk hangt het samen met wat Lipovetsky en Serroy de ‘esthetisering van de wereld’ noemen. Bij elke stap die wij moderne westerlingen zetten in het maatschappelijke, economische en culturele verkeer vragen wij ons af of onze zintuiglijkheid voldoende aan haar trekken komt. Deze esthetisering is totaal en totalitair. Elke fase van het consumptieproces dient de zinnen te prikkelen en ons te amuseren: de reclame-uiting op zich is een kunstwerkje; het verrichten van de aankoop of transactie dient ‘fun’ te zijn (‘shoppen’); het product is zowel qua inhoud als qua vormgeving en verpakking een bron van verrukking; tenslotte krijgen we een ‘kick’ als we kunnen uitdragen dat we de trotse bezitters van dit product zijn. Het bezit van de zaak is slechts een deel van het vermaak.

Bij een ambitieuze thematentoonstelling – zoals enkele jaren geleden de Rothko-expositie in Den Haag – is dit patroon goed te zien. Rond de expositie wordt via marketing en vrije publiciteit (met als hoogtepunt het TV-programma De Wereld Draait Door) een sfeer van collectief genot en vermaak gecreëerd. Het bezoek van de tentoonstelling zelf, inclusief het veel te dure museumrestaurant, is een sensatie en de merchandise in de museumwinkel – variërend van hondenjasjes tot koelkastmagneetjes – staat garant voor zintuiglijke nazorg. Kunst moet in deze ‘zintuiglijkheidscultuur’ ‘iets met ons doen’, ons strelen en sterken.

Als deze diagnose enigszins klopt, werpt dat ook een verhelderend licht op de omkering van het begrip ‘inspiratie’. Het concept van de ‘geësthetiseerde’ cultuur lijkt in elk geval te verklaren, waarom wij de inspiratie naar ons toebuigen. Wij laten ons niet in de ban brengen en in onze baan houden door de ster van het kunstwerk met zijn eigen zwaartekracht: we staan zelf in het middelpunt. We genieten niet van de inspiratie van de kunstenaar als de ander, maar zuigen hem leeg. We luisteren en kijken niet ademloos naar kunst, maar snuiven haar op. We zetten onze ziel niet op het spel in de overgave aan het kunstwerk, doch onttrekken energie aan dat laatste voor ons gulzige ik. We willen geen extase, doch bevrediging; geen verrukking doch vervulling. We willen niet buiten adem raken in het gevecht met de overmacht van het schone, doch worden beademd. Kortom: we willen worden geïnspireerd.  Kunst als inspiratie: het is de voortdurend brommende luchtpomp voor ons naar adem happende, poreuze ik.

Of zou het begrip ‘inspiratie’ gewoon wat onhandig worden gebruikt door de marktkooplui? En betekent het nu juist, dat we nog steeds ontzag kunnen en willen opbrengen voor datgene wat ons boven het schedeldak gaat? Het is immers zo’n transcendent-erig woord. Ter geruststelling denk ik maar aan al die mensen die op Palmzondag weer vier uur lang hun zitvlees tuchtigen voor de Mattheuspassie. Dat zegt veel.

Te koop in de museumshop van het Van Gogh Museum in Amsterdam: en Van-Gogh-jasje voor uw poedel.

Te koop in de museumshop van het Van Gogh Museum in Amsterdam: een Van-Gogh-jasje voor uw poedel.

Een ander licht

Het leven in een non-descripte stad als Eindhoven in de meest sombere maand van het jaar is een zware opgave. Als een onbestemd donkergrijze vloeistof sijpelt de neerslachtigheid door de kieren van je ziel naar binnen. Gelukkig heeft de creatieve en innovatieve stad hierop iets gevonden – zij het eerst zeer recentelijk. In 2006 werd namelijk het Glow Festival in het leven geroepen. Sindsdien is de stad iedere november een week lang het toneel van lichtkunstwerken – uiteenlopend qua formaat en genre, gehalte en pretentie.

Ik herinner me dat ik het evenement in 2006 per ongeluk ontdekte, toen ik op een regenachtige avond van het station naar huis fietste. Ik werd volkomen verrast door de magie van een onzichtbare hand, die onverwacht kleur, lichtheid en speelsheid verleende aan de drukkende architectuur uit de muffe neogotiek, de nurkse wederopbouwjaren en de kneuterige jaren tachtig. Het was of de betonsluier van de stad doorzichtig werd.

Glow was een gouden greep, want sedert de start in 2006 is het aantal bezoekers vertienvoudigd en is het festival uit de kluiten gewassen. De betovering van het nieuwe is uiteraard vervlogen. De groei van het aantal bezoekers heeft bovendien tegelijk het aantal regels en aanwijzingen doen toenemen, evenals het aantal hekwerken en verplichte looproutes, toegangscontroles en pretparkrijen. Het is niet meer zo makkelijk om ad random rond te slenteren, om je te laten verrassen als je een hoek omgaat en om te luisteren naar de gedempte Oh’s en Ah’s van andere toeschouwers. Hopelijk gaat het festival niet ten onder aan zijn succes.

Sombere cultuurdokters zullen trouwens vaststellen dat het festival een zoveelste symptoom, ja uitwas is van de ‘esthetisering van de wereld’ en het ‘artistieke kapitalisme’*. We kunnen ons beter van onze verfijnde kant laten zien en de prikkelarme maand gebruiken om in te keren in onszelf. We kunnen bijvoorbeeld samen met Rilke ‘waken, lezen, lange brieven schrijven en onrustig dwalen door de lanen, terwijl de bladeren om ons heen stuiven’. In plaats daarvan zwengelen we in november de industrie van zintuiglijke indrukken aan, de machine die de prikkels produceert waaraan de homo estheticus in ons zo verslaafd is. Festivals als Glow zijn het prozac van de op drift geraakte postmoderne mens, zal de cultuurpessimist verzuchten.

Tenzij de commercialisering het festival helemaal in haar greep krijgt en de kitscherige elementen (die er zeker onderdeel van zijn) de overhand krijgen, blijft Glow niettemin een spannend experiment met de doorsneestad die Eindhoven is. De stad wordt gedurende een week onder een verrassende hoek belicht. Wat lelijk is (of gewoon saai) mag een week lang baden in de weelde van vluchtige schoonheid – of blijkt bij nader inzien helemaal niet zo lelijk te zijn.

Glow is echter meer dan een premature kerstmarkt, meer dan een tijdelijke make-over, waarna de stad voor de rest van het jaar weer wegzinkt in haar Assepoesterbestaan. Glow is ook een ontdekkingsreis. Uithoeken van de stad worden aan de duisternis ontrokken en tijdens het festival komt de bezoeker op plekken waarop zelfs de geboren en getogen Eindhovenaar niet zo makkelijk komt. No-go-areas zijn nu van iedereen. Verlaten fabrieksgebouwtjes, louche binnenplaatsen en ontoegankelijke villatuinen worden toegankelijk, ja: nodigen uit. De stad blijkt geen boze droom te zijn, waarin de mens verdwaalt, doch een herbergzaam oord.

Kortom: Glow betovert. Het festival plaatst de publieke en semipublieke ruimte letterlijk en figuurlijk in een ander licht. Er begint iets te glinsteren in de ogen van de stad – en van haar bewoners en bezoekers. Voor even worden de stad en haar mensen doorschijnend. Hun hart en hun ziel komen aan het licht.

De kunst verheft, zo blijkt maar weer. Dat is ouderwets uitgedrukt, maar ik ben dankbaar dat ze dat nog steeds niet is verleerd.

* Cfr. Lipovetsky, G. en J. Serroy. L’esthétisation du monde: Vivre à l’âge du capitalisme artiste. Gallimard 2013.

***

Bij de afbeelding: Het kunstwerk ‘Cloud’ van Caitlind r.c. Brown & Wayne Garrett (http://incandescentcloud.com/) geëxposeerd in een leegstaand gebouw van het NRE-terrein. Hergebruik van afgedankt en historisch geworden materiaal (oude gloeilampen) gaat samen met hergebruik van ruimte (een in onbruik geraakt utiliteitsgebouwtje) en tijd (een sombere novemberavond). In combinatie levert dat een verrassing op.