Tag Archives: populisme

Begrijpen is niet alleen gebaat bij opvallende overeenkomsten met de geschiedenis – Boekbespreking

Eén van de motto’s van de campagne #ikbenverbonden is, dat we elkaar willen proberen te begrijpen. Ook mensen met wie we het volstrekt niet eens zijn – of wiens denkbeelden of gedragingen we zelfs verwerpelijk vinden – willen we verstaan en doorgronden. Soms leidt dat tot begrip. Soms kunnen we dat begrip alsnog niet opbrengen – zoals bij fundamentalisten, neonazi’s en terroristen – maar kunnen we wel een manier van denken en doen verklaren. En als je dat kunt, iemands gedachten en handelingen verklaren, kun je ook in gesprek gaan, oorzaken van wangedrag trachten weg te nemen en desnoods proberen iemand ervan te overtuigen om van gedachten te veranderen.

Het is een benadering tussen twee uitersten. Als je vanuit begrijpen komt tot begrip, ben je volgens sommige hardliners te soft en te meegaand. En als je komt tot verklaren en overtuigen tot verandering, ben je volgens weer anderen een arrogante betweter. Toch lijkt de weg van het begrijpen de meest vruchtbare.

Soms helpt een boek. Daarom begon ik gretig aan Pankaj Mishra’s Tijd van Woede, waarin de auteur historisch en wijsgerig op zoek gaat naar de wortels van polariserende en destructieve opstellingen van nu. Op een onthullende laat hij zien, hoe diep de haat en geweld geworteld zijn die wij nu zien bij extremisten ter linker- en rechterzijde, bij terroristen, bij populisten etc. De opstand en de rancune van de verliezers tegen de winnaars van de moderniteit – want zo kan veel worden geduid, aldus Mishra – gaat al terug tot het begin van die moderniteit, tot de Verlichting. Was Voltaire het boegbeeld van de zelfverzekerdheid van de Verlichting: zijn tijdgenoot Rousseau gaf al vroeg een stem aan de achterblijvers.

Dit gegeven wordt een rode draad door de geschiedenis van de afgelopen eeuwen. Mishra betrekt er met verbluffende belezenheid heel veel bij: de opstanden in het midden en oosten van Europa, de sociale en nationale revoluties, politieke en religieuze messianistische bewegingen, de grote Russische romanciers uit de 19e eeuw, Mazzini, Bakoenin, de eenzame wolven van weleer etc.  Steeds weer weet hij historische parallellen aan te wijzen met de hedendaagse ‘woede’ en nihilistische haat.  Dit levert soms frappante ontdekkingen op. Tegelijk wordt de oplettende lezer ook wat voorzichtig. Mischra leest de geschiedenis natuurlijk ook sterk vanuit de hedendaagse bril en dat zou wel eens tot een selectieve lezing hebben kunnen leiden. Maar de indruk dat er ‘niets nieuws onder de zon’ is, is overtuigend. En tevens beklemmend. Want het roept ook de vraag op, of we er ooit uitkomen.

Een andere reden tot voorzichtigheid is, dat Mishra zich bedient van een wat eenvoudig en versleten geraakt wijsgerig verklaringsmodel, dat hij ontleent aan René Girard (1923-2015), de denker die vanaf de jaren zeventig furore maakte met zijn analyse van het zondebokmechanisme: veel rancune gaat terug op ‘mimetische begeerte’, het ‘willen wat de ander ook wil’.  Verliezers willen lijken op de winnaars. Ze willen niet alleen hebben wat de ander heeft, maar nemen ook kritiekloos diens verlangens over.  Dit model, in combinatie met de klassieke ressentimenttheorieën van Nietzsche en anderen, heeft een grote verklaringskracht. Tegelijk is het wat onbevredigend om het bij deze grote penseelstreken te laten. Mijns inziens komt er ook de nodige nuchter en minutieus empirisch onderzoek bij kijken, om nu precies te weten wat er gebeurt in banlieues in Parijs en in de hoofden van de FN-kiezers. Met een ‘theorie over alles’ komen we er niet – en blijven we radeloos achter. Wie wil begrijpen, wil ook iets kunnen doen.

Mishra, Pankaj: Tijd van woede – een geschiedenis van het heden (vertaling van: Age of Anger). Atlas Contact 2017.

***

Het Bovenstaande verscheen eerder op de website van #ikbenverbonden.

Liever elitair dan lui

Een beetje ongemakkelijk voel ik me wel bij de manier waarop mede-tegenstanders van rechts-populisme reageren op de terreurdaad in Charlottesville (USA). Door hun snelheid, felheid en inhoud hebben de commentaren in de social media soms een licht triomfantelijke ondertoon: “We hebben het nog zo gezegd!” “Zie je wel: nu toont rechts zijn ware gezicht!” “Rechts rol nu op het hellend vlak eindelijk in de richting van het nazi-putje.” Alsof men toch een beetje hunkerde naar deze bevestiging van eigen gelijk. Alsof men een zekere voldoening voelt over de vaststelling, dat men nu eindelijk Trump en zijn Nederlandse klonen Wilders en Baudet schaakmat kan zetten en dat men hen kan dwingen kleur te bekennen.

Hoe oprecht en zuiver is deze reflex? Echte verontwaardiging en ontzetting uiten zich toch juist in aanvankelijk ongeloof en in het ‘niet willen dat het waar is’? Dus in een tegengestelde reflex? Hoe dan ook: dit soort reacties maken het voor mij moeilijk om mij in de gesprekken te mengen – en ik doe dat dan ook maar mondjesmaat. Het is niet eenvoudig om de kritiek op het rechts-populisme met de nodige scherpstelling onder woorden te brengen zonder in de hoek van de genoemde handenwrijvers te worden gedreven. En het is onder andere door hun soort retoriek geen wonder dat degenen die het opnemen voor populisten – als de vermeende vertolkers van het gevoel en gedenk van de gewone mensen – de kritiek erop kunnen framen als minachting, haat en demonisering.

Wat het mij ook niet makkelijk maakt, is het feit dat de kritiek op ‘rechts’ inmiddels grotendeels is bezet door groepen die spiegelbeeldige posities innemen en zelf geen haar beter zijn. Een doordachte kritische en bezorgde stem gaat verloren in het kakofone koor van de rancuneuze en zich in vermeend slachtofferschap wentelende antizwartepietisten – vergelijkbaar met de manier waarop, in een ander verband, zorgvuldig gekozen woorden en gedachten worden overschreeuwd door de zelfbenoemde antikapitalisten, van wie een aantal onlangs alle gemeenschaps- en privé-eigendommen in Hamburg kort en klein sloeg. Deze extremen ‘van de andere kant’ maken het gotspe mogelijk, dat ook oprechte critici worden bestempeld als ‘even erg’ als degenen die zij bekritiseren.

Blijkbaar roepen groepen met extreme posities hun tegenpolen op, die hun natuurlijke vijanden lijken te zijn. Door deze opstelling over en weer en door de daardoor ontstane beeldvorming lijken we bijna te worden gedwongen tot een binaire keuze – een patroon waarvan historisch gezien de polarisatie tussen fascisme en communisme in de jaren 30 en 40 een verontrustend voorbeeld vormt. En voor je het weet raak je verzeild in een onbedoeld bondgenootschap: als je tegen Wilders bent, ben je ineens voor (of sta je op zijn minst aan de kant van) mensen als Abou Jahjah (de Libanese Baudet), Hamas of DENK (de Turkse PVV). Als je het rechts-populisme verwerpt, moet je van de weeromstuit meegaan met het lange-tenen-taboe op cultuur- en religiekritiek. Als je vraagtekens plaatst bij het kapitalisme, ben je meteen anarchist. Etc. En dat terwijl je juist het onderliggende denkpatroon van beide kampen aan de kaak wilt stellen: een denkpatroon dat wordt gekenmerkt door rancuneuze identiteitspolitiek, door goedkope framing en door de zelfimmunisering tegen kritiek door slachtofferschap.

Ja, ik ben tegen Wilders, Baudet, Trump etc. Maar dat betekent niet dat ik voor hun antipoden ben. Ik ben zo hautain om te menen, dat ik niet tegenover hen sta op een bepaalde horizontale as of binnen een of ander spectrum, maar boven hen. Dat ik niet iets anders vind, doch dat ik (samen met velen) anders denk, ja: beter en zindelijker nadenk. En diezelfde positie neem ik ook aan tegenover hun ‘natuurlijke vijanden’.  Daarmee maak ik me natuurlijk kwetsbaar voor het frame dat ik aanschurk tegen de ‘elite’ of te afstandelijk en ‘genuanceerd’ ben – maar dat zij dan zo. Liever elitair en genuanceerd, dan gemakzuchtig.

Lijden we aan zelfkritiek? Ja, wees blij!

Een veel gehoord verwijt aan tobbend en theedrinkend links luidt, dat deze groepering lijdt aan een ‘weg-met-ons-mentaliteit’. Reageert het progressieve volksdeel niet te begripvol en te ruimdenkend op de luimen, wensen en grieven van andere groeperingen? Knikken we niet te makkelijk instemmend als onze cultuur, samenleving en geschiedenis worden aangeklaagd? Maken wij niet te veel plaats voor vreemde cultuuruitingen ten nadele van het eigene? Zijn we niet te zelf-kritisch enerzijds en te onkritisch jegens het en de vreemde anderzijds?

Het antwoord daarop is wat mij betreft: we zijn inderdaad radicaal zelfkritisch en bescheiden – en dat is maar goed ook. Deze mentaliteit hangt namelijk samen met twee voor ‘onze’ (westerse, verlichte, christelijke etc.) cultuur cruciale wezenskenmerken, kenmerken die wij terecht koesteren.

Het eerste wezenskenmerk is een sterk ontwikkeld vermogen tot reflectie, tot ‘in de spiegel kijken’. Hierdoor zijn we in staat om afstand te nemen van ons zelf en onszelf kritisch te bevragen. Wij kunnen dat – en wij kunnen ook niet anders. En we willen het ook, omdat we weten dat dit geen slechte eigenschap is. Deze eigenschap heeft altijd voorkomen dat we stil bleven staan in onze ontwikkeling. Daarom onderwerpen ‘wij van de westerse cultuur’ ons graag op zijn tijd (maar desnoods ook te onpas) aan een gewetensonderzoek – en wijzen we het niet van de hand als anderen ons daarbij ongevraagd helpen. Daarom doen we aan historisch zelfonderzoek. Daardoor zijn we in staat om ons te verzoenen met onszelf en anderen – en om telkens een nieuw begin te maken.

Dit talent tot gewetensonderzoek hangt weer samen met een ander wezenskenmerk: de erkenning van de asymmetrie tussen de Ander en mij/ons. Diep in onze vezels zit het besef dat de Ander a priori moreel boven ons staat. Let wel: het gaat er niet om dat de Ander bij voorbaat gelijk heeft in discussies over feiten en meningen. Het gaat om een altruïsme dat het belang van de Ander altijd voorop stelt – in de verwachting dat die ander op haar of zijn beurt tevens hiermee is behept. We geven in de eerste plaats iets aan de ander (begrip, ruimte, respect etc.) – in de hoop daarna zelf op onze beurt ongevraagd iets te krijgen. Ook deze eigenschap heeft ons groot gemaakt en tot grote dingen in staat gesteld. En wie nu om voorbeelden vraagt, heeft op school zitten slapen. (Zie overigens ook mijn vorige column over dit onderwerp.)

Zelfkritiek en altruïsme: het zijn twee wezenskenmerken van onze cultuur. Minder hoogdravend uitgedrukt:  zo zijn we nu eenmaal opgevoed. En we zijn er geen slechtere mensen door geworden. Dat het niet altijd uit de verf komt en dat het een kwestie is van vallen en opstaan: dat is vers twee. Maar gelukkig heeft de zelfkritiek ook weer betrekking op dat falen etc. Op dit culturele karakter kunnen we trots zijn.

Daarom snap ik echt niet dat diegenen, die ‘Onze Grote Cultuur’ zo superieur achten, zo achteloos voorbij gaan aan dit DNA. De genoemde kenmerken onderscheiden ons immers positief van bepaalde culturen die, door op hol geslagen eergevoel of door blind makend gewentel in slachtofferschap, niet in staat zijn om op een volwassen manier om te gaan met eigen gebreken en om zich te verplaatsen in de Ander. En juist daarop heeft de Pro-Ons-Beweging terecht zo veel kritiek.

De enige gepaste reactie op de karakterloosheid van de lange-tenen-culturen bestaat er echter in, dat we zelf karakter tonen en laten zien dat zelfkritiek geen afbreuk doet aan een gevoel van eigenwaarde. Het pantser van de narcistische (sub-)culturen breekt pas, als we niet met opgeheven vinger en als een gekrenkte diva, maar met opgeheven hoofd en met morele waardigheid het gesprek aangaan – waarbij we gerust kinderen bij de naam mogen noemen en onze gesprekspartners mogen uitdagen. Vanuit een door zelfreflectie gedragen waardigheid gegeven kritiek wekt vertrouwen en werkt misschien ooit wel een keer aanstekelijk.

Dus, lieve cultuurchauvinisten:  wees niet zo bang voor zelfkritiek. En lieve multi-culturalisten: wees niet bang voor waardige, uit zelfkritiek voortkomende kritiek op anderen. Daarvan wordt iedereen beter.

Het elite-frame

Je zou verwachten dat ze in een overwinningsroes zouden verkeren na 8 november, al die Nederlandse populisten en hun schapen. In plaats daarvan uiten ze zich vooral ‘strijdbaar’. Het is een strijdbaarheid van de verbitterde en verbeten soort. Sterker dan voorheen slaan ze hun wraakzuchtige toon aan en beloven ze af te rekenen met establishment en elite.

Ook ik – als lid van de groep waarmee blijkbaar een appeltje moet worden geschild (PvdA-lid, actief in ontwikkelingssamenwerking en cultuurconsument) – voel me in toenemende mate geïntimideerd, maar vooral geïrriteerd. Ja: ik wordt ronduit chagrijnig te worden over de gemakzucht waarmee mensen en groepen als elite worden gelabeld – en vervolgens vogelvrij worden verklaard. De emotionele lading van mijn irritatie heeft een heel persoonlijke achtergrond.

Ik kom uit een hard werkend lager-middenklasse milieu – in die zin ben ik een atypische remonstrant. Dat betekende concreet het volgende. De weinige, maar wel reële kansen die we hadden om ons te ontplooien, moesten we goed benutten. We mochten niet klagen, maar moesten problemen oplossen en eraan werken. Voor de kansen moesten we niet slaafs dankbaar zijn, maar wel erkentelijk, ze niet als een vanzelfsprekend recht beschouwen. Mensen die het slechter hadden – en die waren er altijd – die moest je helpen. Je moest niet passief voor de TV hangen, maar je blik en geest verruimen, naar concerten gaan en als het even kon een boek lezen. Kortom: leven en samenleven was iets waar je moeite voor deed.

Dit was allemaal te vinden op mijn paplepel. Het heeft me gemaakt tot wat en wie ik nu ben. Het heeft mijn ‘levensvorm’ bepaald. Bij deze ‘levensvorm’ horen ook bepaalde opvattingen en keuzes, ook politieke. Ik ben er overigens niet arm door geworden, maar zeker ook niet rijk. Ik ben een gewone ‘hard werkende’ Nederlander. En hier komt mijn toorn: ik laat mijn levensvorm en opvattingen nu niet meer wegzetten als elitair, omdat ze voor anderen ongemakkelijk zijn. Het is gewoon burgerfatsoen, de ethiek van gewone mensen. Niks elite.

Beste ‘volksmensen’: monopoliseer niet je ‘gewoon zijn’. En houd alsjeblieft op met het dreigen met bijltjesdagen en afrekeningen. Met alle respect: je wekt en bevestigt alleen maar het vermoeden, dat je verwend en rancuneus bent. Zo verwend dat je alleen maar kunt afpakken en afbreken in plaats van opbouwen. Ik wil je zorgen delen en je serieus nemen. Maar help me daarbij dan ook. Diva-gedrag helpt in elk geval niet.

***

 

De bovenstaande column verscheen eerder op de website van de remonstranten.

Waarom historische vergelijkingen afleiden van de kern van het probleem PVV

Het is tenenkrommend. Je zit op een feestje waar een felle discussie woedt. Je bent het met iemand hartgrondig eens in die discussie en voelt je dus gesteund. Plotseling begint die persoon echter argumenten in te brengen of tactieken te hanteren, die je standpunt schade toebrengen en je positie ondermijnen.

Zo vergaat het me geregeld bij de debatten over het populisme in het algemeen en de PVV van Wilders in het bijzonder. Bij het koffieapparaat, tijdens borrels, op de social media en – God betere ‘t – zelfs in de grote-mensen-media wordt de positie van de PVV-tegenstanders voortdurend verzwakt doordat een deel van die critici de plank misslaat. Dat gebeurt mijns inziens als de PVV rechtstreeks, zonder enige analytische onderbouwing en nuance, één op één wordt vergeleken met neofascistische of neonazistische bewegingen, ja: met het nazisme zelf, of als ze een racistische beweging wordt genoemd. Een onderdeel van deze misleidende retoriek bestaat erin, dat de doelwitten van de populisten op dezelfde simplificerende manier gelijk worden gesteld met de slachtoffers uit het verleden en dat bijvoorbeeld de moslims of de Marokkanen de ‘Joden van nu’ worden genoemd.

Misleidende vergelijkingen
Dergelijke vergelijkingen sluiten de weg af voor elke analytische discussie – en zijn ook gewoon onwaar. De PVV is op zich al griezelig genoeg: ik kan deze beweging en haar leden echter niet betrappen op stelselmatige en statutair verankerde discriminatie op basis van huidskleur of herkomst – laat staan op plannen voor een systematische uitroeiing van een bepaalde bevolkingsgroep. Uiteraard kan een sombere waarnemer voor allerlei hellende vlakken waarschuwen, maar dat is argumentatief altijd een zwaktebod.

En wat de doelwitten van de populisten betreft: zelfs als de PVV (dit bij wijze van gedachte-experiment aannemend) de moslims als groep zou willen verdrijven of verdelgen, dan hebben we altijd nog te maken met een groep die – bij alle interne verschillen – landelijk en mondiaal in een heel andere positie verkeert dan de Joden in het begin van de 20e eeuw. We hebben niet te maken met een in de verstrooiing levende, opgejaagde minderheid die zich koest moet houden, doch met een weerbaar, aanzienlijk deel van de wereldbevolking dat – om met Abel Herzberg te spreken – geopolitiek geenszins een ‘ongedekte cheque’ is. Moslims van de meeste stromingen in ons land kunnen zich bijvoorbeeld vrijwel altijd verschuilen achter een hand aan het uiteinde van een lange arm, die vanuit een ver of nabij land wordt uitgestrekt. Dat zij hun tot op zekere hoogte gegund. Hun heiligverklaring tot vogelvrije slachtoffers is in elk geval misplaatst.

De kern: rancune
Het helpt niet echt om Wilders te vergelijken met Mussert of Hitler of om zijn doelwit, de moslimgemeenschap te vergelijken met het opgejaagde Joodse volk in de diaspora. Daarmee ga je voorbij aan de kern. Die kern is onder meer, paradoxaal genoeg, benoemd door Sybe Schaap. (Ik zeg paradoxaal omdat Schaap dezer dagen juist is aangevallen op vergelijkingen met het Derde Rijk en de NSB. Daarbij hebben die vergelijkingen in hun retorische context echter juist betrekking op enkele specifieke details en zijn ze niet bedoeld als globale één-op-één-gelijkstellingen.) Het probleem van de populisten en van Wilders zit niet in hun haat jegens de islam en zelfs niet in de onzalige provocaties van moslims – die waarschijnlijk alleen maar tot meer terrorisme zullen leiden. Ik waag zelfs te betwijfelen of dit voor Wilders zelf het hart van de zaak is. Want aan wie heeft hij nu ècht een broertje dood?

Het essentiële probleem zit in de rancune jegens diegenen die door Wilders en de zijnen worden bestempeld als de elite of als het establishment. De kern zit in de haat versus diegenen die het niet met hen eens zijn als het gaat over o.a. de Islam. Het probleem zit in het voortdurend gedreig – door Wilders en mensen als Bosma en Baudet – met een grote afrekening: een afrekening waarvan een voorproefje bestaat in het treiteren van de ‘elite’ door moreel, cultureel en sociaal erfgoed ter discussie te stellen. Het probleem zit in het dreigen met een directe democratie, waarin straks uw boze buurman zonder rekenschap te hoeven afleggen rechtstreeks over uw en ons aller lot gaat beslissen, en waarin ‘begrip’ bestaat voor in lichamelijk geweld ontaardende opstanden. Het probleem zit hem in het sluipenderwijs opbouwen van een lynchmaatschappij – een opbouw die mogelijk is doordat sidder-alen als VVD-er Zijlstra in het stof kruipen voor Wilders c.s.

De laatsten willen van Nederland een zwaar bewaakt openluchtmuseum maken – bewaakt tegen mensen van buiten, maar vooral ook op subtiele wijze tegen dissidenten van binnen. Wilders en zijn beweging zijn daarom op zich en in zich al kwaadaardig genoeg. Een vergelijking met wat dan ook uit de geschiedenis voegt daar niets aan toe en leidt alleen maar af van de echte discussie.

We hebben een aandachtprobleem.

Opvoeders en bestuurders weten één ding heel goed: onwenselijk gedrag ontmoedig je niet door er veel aandacht aan te geven. Integendeel. En toch trappen ze herhaaldelijk in die valkuil.

Ouders reageren op dreinende en dreigende kinderen veelal door bestraffend of vermanend optreden – of juist door toegeven. In beide gevallen wordt het ongewenste gedrag beloond en bevestigd. Het krijgt immers aandacht – en daar zijn wij mensen verzot op. Ja zeker: ook op onaangename aandacht. Anders dan dieren ervaren mensen zelfs een tik op de vingers als een ‘incentive’ – zolang er maar een vorm van aandacht is en zolang het alternatief van de positieve aandacht maar ontbreekt.

Voor bestuurders geldt de zelfde les: als je repressief reageert op wangedrag van een groep of een individu, stimuleer je dat gedrag juist. En des te meer moedig je het aan, als je er begripvol op reageert.

Wat opvoeders en bestuurders vaak verzuimen, is het besteden van aandacht aan positief gedrag. Juist als iemand zich ‘goed gedraagt’ moet zij of hij worden bevestigd, op het schild worden geheven en met aandacht worden verwend. Dit zal niet alleen bekrachtigend en aanmoedigend werken, maar het zal het wenselijke gedrag ook aanstekelijk maken voor anderen. Het devies is dus: negeer onwenselijk gedrag en zet opbouwend gedrag in de schijnwerpers.

Wellicht ligt hier een sleutel voor een paar slepende kwesties te onzent. Zowel politiek correct, ‘links’ Nederland als het law-and-order-georiënteerde deel der natie belonen tot op heden vooral negatief gedrag met aandacht. Zo zijn beide stromingen verantwoordelijk voor het wangedrag van bepaalde minderheidsgroepen. ‘Rechts’ heeft dit versterkt door de exclusieve focus op repressie. ‘Links’ heeft dit gedaan (in elk geval tot voor kort) door een al te begripvolle benadering.

***

Zo is ook het stigmatiserende en rancuneuze populisme (vaak een reactie op het geschetste falen) door beide stromingen voorzien van een vruchtbare kweekbodem. ‘Links’ reageerde lange tijd hierop door moord en brand te schreeuwen. ‘Rechts’ (en inmiddels ook een groot deel van links) gaf respons door het populisme al te serieus te nemen en door begripvol luisterend het verongelijkte volksdeel toe te knikken.

De burger is niet gek en weet inmiddels feilloos de weg naar de aandachtsuikerpot te vinden. En zo verschaft het peuterpuberpopulisme ter linker- en ter rechterzijde zichzelf nu voortdurend een podium. De vele semi-officiële meldpunten die ons land sinds 2012 rijk is, zijn daarvan een uitingsvorm. Als de politiek deze klaag-en kliklijnen al niet zelf in het leven roept, neemt ze hen op zijn minst veel te serieus. Elk kort lontje en elke overgevoelige traanklier heeft zodoende inmiddels zijn eigen meldpunt.

De meldpunten zijn de evenknie van de intussen tot een volksgericht verworden stille tochten. Ooit begonnen als oprecht getuigenis van rouwende en bezorgde burgers, zijn deze discrete betogingen gekaapt door betweters en gedevalueerd tot morrende marsen: demonstraties van geclaimd slachtofferschap, vermoorde onschuld en morele zelfgenoegzaamheid.

***

Ik stel in al mijn kinderlijke eenvoud voor, om een aandachtpunt in het leven te roepen: een aandachtpunt voor goed gedrag. In plaats van een klaag- en kliklijn is dit een adres om goede ideeën, constructieve vormen van maatschappelijke inzet en lofwaardige initiatieven te deponeren en aan te bevelen. Een ‘open source’ van ‘good practices’, die mensen eindeloos mogen kopiëren.

Zo’n aandachtpunt maakt al die de meldpunten op den duur overbodig, omdat het volume aandacht gelijk blijft, maar wel anders wordt verdeeld. Het is ook het antwoord op de kwestie of we een ‘puntje-puntje-puntje-probleem’ hebben of niet. We hebben gewoon een aandachtprobleem. Mensen snakken naar aandacht. Altijd. Waarom onthouden we die dan aan diegenen, die die aandacht echt verdienen?

***

(De gedachte van de parallel van opvoedigkundige en politieke aandacht ontleende ik aan de TED-lezing van de cineaste Julia Bacha in 2011.)