Tag Archives: radio vier

De hemel op aarde

In de week van 10 oktober werd op NPO Radio 4 weer eens de onverwoestbaarheid van de klassieke muziek aangetoond. Onder de naam Hart & Ziel wordt jaarlijks een klassieke ‘Top 300’ uitgezonden. Hoewel de formule gemakkelijk (en zelfs wat gemakzuchtig) lijkt, wordt het programma door velen ervaren als een feestje – ook door mij.

Dat laatste ligt ongetwijfeld aan de interactieve opzet en aan het feit dat mensen bij de toelichting van hun keuze hun enthousiasme kunnen uiten. Ze kunnen muziek laten horen waarvan ze blij worden – of exacter: die hen hoe dan ook ontroert, verstilt, raakt. Muziek die – zoals de metaforen ‘hart’ en ‘ziel’ suggereren – de weg naar binnen vrijmaakt of die je juist uit je koker bevrijdt en je boven jezelf uittilt. Je vraagt je al luisterende af, waarom luisteraars niet elke week de baas mogen zijn over de programmering. De radio is er immers toch voor de mensen?

Om op die laatste retorische vraag te antwoorden, leg ik maar meteen mijn ouderwetse kaarten op tafel. Ik vind dat de publieke media ook de taak hebben onze smaak en kennis te verheffen, te verdiepen en te verbreden. En daarmee heb ik juist niet mijn medemensen op het oog – voor u me voor snobist gaat verslijten – maar in de eerste plaats mijzelf. Die ‘verheffende’ functie is juist de reden dat ik naar Radio Vier luister als ik bezig ben en op reis ben. (In mijn vrije tijd ga ik heus wel zitten voor een liveconcert of een cd.) De zender brengt me op ideeën, legt onvermoede lagen in het repertoire bloot, daagt me uit om het onbekende te leren kennen en leert me het weerbarstige waarderen. Mijn smaak heeft zich ontwikkeld door de zender die – met alle schaduwkanten die hij ook heeft – enerzijds een warm bad van welluidendheid en herkenbaarheid is en anderzijds een verfrissende wandeling door een zonovergoten gletsjerlandschap.

De klassieke radiozender verrast en verbaast me dus. Bij verbazing hoort echter soms ook teleurstelling en een gevoel van plaatsvervangende schaamte. Juist tijdens de ‘Hart-en-ziel-week’ werd dit jaar mijn ruimdenkendheid op de proef gesteld. Waarom, bijvoorbeeld, kwamen Haydn, Beethoven en Brahms er zo bekaaid af? Ze stonden er wel in, maar haalden niet de top tien. Waarom wel de populist Simeon ten Holt? Waarom wel de knuffelcomponisten Fauré en Pärt – en dan uitgerekend vertegenwoordigd door de meest zoetige stukken uit hun oeuvre?

Dit hangt weer samen met een ander soort verbazing. Het werd ook al door de presentatoren opgemerkt: de voorkeur van de luisteraars voor religieuze muziek (vijf van de eerste tien) of muziek met een spirituele pretentie (twee van de eerste tien) is opvallend. Ongeseculariseerder kan de publieke omroep niet voor de dag komen. Op zich is dat geen slecht nieuws.

En toch knaagt er iets bij ’s lands voorkeur voor religieuze pathetiek, voor muziek die zichzelf tot spiritueel uitroept of muziek waar het spirituele er duimendik bovenop ligt. Deze roept een zekere achterdocht bij me op. Is hierbij geen sprake van een eigenmachtige bezwering van het transcendente, een bezwering die het Heilige eerder verjaagt dan oproept, die eerder zichzelf op de voorgrond plaatst, dan deemoedig een stap terug te doen ten gunste van de Ander?

Ach, ik ben te Barthiaans… In elk geval zou ik in de top tien van Hart & Ziel plaats willen maken voor componisten met minder pretenties: voor het humanisme van Beethoven (op zich al pretentieus genoeg natuurlijk), voor het melancholieke agnosticisme van Brahms – en vooral voor de aardse humor van Haydn. Uitgerekend diens twee bekende oratoria (De Schepping en De Jaargetijden) zijn door en door aards.

Ja, Haydn op één. Haydn die de muziek niet geforceerd naar iets ‘hogers’ laat verwijzen, maar die door, met en in zijn muziek zegt: “Het is maar muziek. Meer niet. Maar wat wil een mens meer? Muziek is toch al de hemel op aarde?”

Goddelijke muziek

Het gouden nazomerzonlicht scheerde over de grachten en klom op tegen de renaissancegevels. Uit de open ramen van een nobel huis klonken de al even gloedvolle klanken van barokviolen en gamba’s die Corelli speelden. Utrecht was eind augustus weer het thuis van het Festival Oude Muziek. De historische binnenstad, die eigenlijk in elk seizoen op haar best is, was een stukje hemel op aarde. Het was ook weer troostrijk voor melomanen als mij, dat de zalen voor de concerten nagenoeg vol zaten. (De aanblik van lege rijen bij concerten baart mij namelijk vaak nog meer zorgen dan die van lege kerken. Het geloof redt zichzelf uiteindelijk wel en vindt wel zijn weg – ook zonder volle kerken. Muziek lijkt echter vooral een kwetsbare onderneming van mensen.)

Indrukwekkend was onder andere de prestatie van de countertenor Philippe Jaroussky, die in Vredenburg-Tivoli 1700 luisteraars in zijn ban wist te brengen, bij hen een ongebroken concentratie afdwong en een uitzinnige slotovatie uitlokte. Hij verleidde als het ware zijn publiek – zoals we dat van hem gewend zijn. Anders dan de eerste generatie zangers met dit stemtype en deze zangtechniek, combineert hij namelijk de engelachtige klank van zijn bovenstem met lenigheid, wendbare uitdrukkingskracht en zelfs mannelijke sensualiteit. Jaroussky is geen quasi-castraat of een geslachtsloze cherubijn, doch eerder een met de zwaartekracht van al het aardse vechtende, gevallen engel. (Deze ambivalentie maakt hem ook zo geschikt voor het decadente Franse liedrepertoire uit het fin de siècle.)

Zoals veel hedendaagse ‘authentieke’ musici belichaamt Jaroussky de revolutionaire ontwikkeling die zijn muziekgenre heeft doorgemaakt in de afgelopen decennia. Was de ‘oude muziek’ aanvankelijk een academische, keurige en soms letterlijk calvinistische bezigheid, die de historische bronnen wilde opdelven en het eruit opwellende water wilde zuiveren: sindsdien is het een beweging waarin speelsheid, samenspel en speelvreugde de boventoon voeren – en waarin zelfs zoiets als cross-over mogelijk is. Noordwest-Europese protestanten als Gustav Leonhardt en de kostschoolcantor Eliot Gardiner deden een stapje terug ten gunste van in de zon gerijpte jong-wilde Fransen (zoals Jaroussky), zuiderlingen en Oost-Europeanen. Het accent is verschoven van verantwoorde reconstructie naar het – soms zelfs improviserend – tot leven brengen van muziek.

En zo krijgt het begrip ‘religieuze muziek’ – een genre dat in de oude muziek is oververtegenwoordigd – een nieuwe betekenis. Het religieuze gehalte van de oude muziek is niet meer beperkt tot het feit, dat componisten indertijd nu eenmaal gelovig waren en vaak religieuze teksten als ‘kapstok’ gebruikten. Het religieuze karakter heeft er precies mee te maken, dat de oude muziek de fase van de ‘historische reconstructie’ voorbij is. Zoals elke goede muziekuitvoering, doet de authentieke uitvoeringspraktijk de muziek herleven. Zij herschept. Meer nog: in haar openbaart de muziek zichzelf als iets goddelijks. Zodoende brengt zij ons in vervoering en voert ons weg ‘naar een betere wereld’, zoals een bekend Schubertlied zegt. Muziek verwijst niet naar religieuze inhouden uit verleden of heden, maar is een uitings- en belevingsvorm van religie tout court.

Misschien is het begrip ‘religieuze muziek’ dus wel een pleonasme. Als er goed muziek wordt gemaakt en als wij op de juiste manier ervan getuigen en ernaar luisteren, worden wij gedwongen om onze religieuze kaarten op tafel te leggen. Daar is niet veel voor nodig en het gaat vanzelf. Alleen al ademloos luisteren is amen zeggen.

***

De bovenstaande column verscheen eerder op De Bezieling.