Tag Archives: spiritualiteit

Het IKEA-geloof of de nieuwe verburgerlijking van de religie

“Ik heb de slechte gewoonte om, als mij iets vreemd voorkomt, anderen lastig te vallen met dat vreemde.” Aldus Thomas Mann, de meester van de gelaagdheid en de dubbelzinnigheid, van de interne tegenspraak en de complexiteit*). Het is een programmatische zin, want de schrijver maakte het zijn lezers niet makkelijk en vergde het nodige van hen. Dit betekende niet zozeer, dat Mann een ‘ontoegankelijke’ auteur was, zoals veel van zijn tijdgenoten. Hij was weliswaar een uiterst modern schrijver, maar zeker geen modernist. Hij stond met zijn bewuste complexiteit eerder in de traditie van de romantische ironie, die alles van meerdere kanten bekeek. Hij loste daarbij tegenspraken niet op. Dat laatste was nu echter juist datgene, waarmee slechts weinigen raad wisten.

Als praktisch theoloog zou ik de aangehaalde uitspraak als mijn motto kunnen beschouwen. Ik ervaar het als mijn ondankbare taak, om anderen en mezelf lastig te vallen met het bevreemdende, het niet-passende, het ongemakkelijke, het meerduidige. Met het onuitputtelijk-raadselachtige van verhalen, die bij iedere lezing en herlezing iets anders en vooral iets onwenselijks zeggen. Maar ook met het hardnekkige zwijgen van symbolen, die weigeren hun geheim prijs te geven en die maar niets willen ‘betekenen’. Met de meerduidigheid van ogenschijnlijk eenvoudige uitspraken (“Er staat niet wat er staat”) – of juist met de onwelgevallige, hoekige eenduidigheid van woorden, die ons tegen de borst stuiten, die we daarom zolang plooien, totdat ze een geruststellende betekenis krijgen, maar die zich telkens weer terugplooien naar hun radicale, onaangename vorm (“Er staat nu eenmaal wat er staat.”)

Als zielzorger of theoloog heb ik de taak, om dingen te zeggen die niet zijn uit te leggen. Dit vergt een grote discipline en eindeloos geduld. Het geduld om Bijbelteksten te lezen en te herlezen en daarbij elke aanvechting tot ‘interpretatie’ te weerstaan. De discipline om teksten en rituelen zolang letterlijk te herhalen, totdat ze mijn duidingsdrang het zwijgen opleggen. Totdat ik niet meer vraag ‘wat ze mij te zeggen hebben’, maar hen laat uitspreken. (Iets wat we, als we tenminste een beetje fatsoen hebben, ook gewoon doen bij onze medemensen.) Kortom: ik moeten de verleiding weerstaan om de bronnen te folteren en tot wenselijke mededelingen te bewegen.

Als ik rondkijk op de markt van geloof, ‘spiritualiteit’ en ‘zingeving’ zie ik het tegendeel. Niets is er moeilijk, vreemd of onverteerbaar. Alles is vertaald, behapbaar gemaakt en op smaak gebracht. Alles is toegankelijk, mede dankzij laagdrempelige stappenplannetjes en makkelijk te onthouden vragenlijstjes. Het draait helemaal om mij. God is een egostreler en mensenfluisteraar. Elk woord is een antwoord en elke gedachte een oplossing. Alles voegt zich naar mij. Op de markt van ‘levensbeschouwing’ waan ik me soms in een houten-speelgoedwinkel, waar alles veilig is en geruststellend. Wat er wordt verkocht is veilig, verantwoord en gezond. Je kunt je er niet aan bezeren en je er geen buil aan vallen.

Het verschil met de houten-speelgoedwinkel is alleen, dat die laatste duurzame en originele artikelen verkoopt. Daarom dringt zich een andere vergelijking eerder op: de vergelijking met een Scandinavische meubelgigant. Ik word getutoyeerd en in de waan gelaten dat ik in het middelpunt sta. Ik kan zelf mijn spullen bij elkaar zoeken en in elkaar zetten. Het resultaat past dan altijd bij mij en in mijn huisje. Zelfs de gebruiksaanwijzing is begrijpelijk. Uiteraard is het aanbod betaalbaar. En ik kan er met mijn vrienden, collega’s en buren over praten, want die hebben dezelfde spullen – in een iets andere samenstelling en kleur misschien. Ik kan dan ook altijd ruilen.

Paradoxaal genoeg is het individualisme van de religieuze markt namelijk ingebed in een systeem van massaproductie. Er is alleen ‘ik’ aan de ene kant en de onbegrensde ‘menigte’ aan de andere kant. Van een ‘kerk’, een aangesproken en geroepen gemeenschap, die de wereld lastig valt met buitenissige gedachten is geen sprake. Zo dreigen wij gelovigen allemaal te worden als de kleurloze, griezelig tevreden mannetjes op de gebruiksaanwijzingen van de Zweedse bouwpakketten. Om een oude kwalificatie uit de kast te halen: we verburgerlijken.

Ik ben uiteraard geen haar beter dan anderen. Daarom bid ik maar, dat ik nooit de vervelende gewoonte verlies, om mezelf en anderen te blijven lastigvallen met het Vreemde.

*) “Ich habe die schlechte Gewohnheit, anderen als merkwürdig aufzudrängen, was mir so erscheint.” Bron: Betrachtungen eines Unpolitischen, Berlijn 1920, blz. 29.

We zijn ons eigen zwarte gat.

Als in de populaire media over wetenschap wordt gesproken, lijkt het alsof mensen vooral zijn geïnteresseerd in disciplines over de meest excentrieke gebieden van ons bestaan. Zelden gaat het over de bosmier in de Peel of het functioneren van de galblaas (afgezien van gezondheidsprogramma’s, maar dat is een ander genre). Het publiek zit echter op het puntje van zijn stoel als het gaat over het heelal of de menselijke hersenen. In de populaire theologie valt overigens iets vergelijkbaars op. Lezers verslinden gretig boeken over het begin (de schepping) en het einde (het zogenaamde ‘leven na de dood’). Wat God en mensen in de tussentijd doen, is aan hen niet zo besteed.

De belangstelling voor de neurowetenschap, die menige hersendokter tot BN-er heeft gemaakt, heeft overigens een merkwaardig kantje. Er valt mij in dit verband in toenemende mate een bepaald woordgebruik op. In dit woordgebruik worden de hersenen – of ook wel ‘het brein’ – opgevoerd als subject van uitspraken, bijvoorbeeld in de veel gebezigde formule ‘De hersenen denken dat … ‘ En dat woordgebruik gaat er op één of andere manier bij mij niet in. De vergelijkbare uitspraak dat ‘mijn benen een wandeling maken’ of ‘mijn ogen bekijken een film’ zouden we lachwekkend vinden. Toch komt de uitspraak dat ‘de hersenen iets denken’ op hetzelfde neer. Ze weerspreekt onze fundamentele intuïtie, dat ‘ik’ het ben die loopt, kijkt en dus ook denkt etc. Uiteraard doen we dat allemaal niet als onlichamelijke wezens. Daarom kun je wel zeggen: ‘Ik kijk met behulp van of dankzij mijn ogen’ en dus ook: ‘Ik denk met behulp van mijn hersenen’. Maar dat is iets anders dan die ogen zelf te laten kijken of die hersenen zelf te laten denken.

Het punt is, dat er achter of in de uitspraak, dat ‘de hersenen denken’, een verborgen subject zit, een subject dat door de onhandige formulering aan het oog wordt onttrokken. Het zijn altijd íemands hersenen – jóuw hersenen, míjn hersenen – waarover we iets beweren. In de bewering is altijd dat ‘iemand’ geïmpliceerd als het verborgen, eigenlijke subject. Het duidelijkst is dit, als er een bezittelijk voornaamwoord wordt gehanteerd: ‘Mijn hersenen denken…’ Deze formulering roept onmiddellijk de vraag op, wie dan dat ‘ik’ is, dat de hersenen in een bewustzijnsakt op zichzelf betrekt – en dus blijkbaar degene is die denkt. Als je daarop antwoordt, dat dit de hersenen zelf zijn, kom je in een cirkel terecht, want de vraag ‘wiens hersenen dan?’ kan dan opnieuw worden gesteld enzovoorts. De hersenen kunnen dus nooit samenvallen met het ‘iemand’ dat de hersenen op zichzelf betrekt en dat dus het eigenlijke subject van de bewering over de hersenen is.

Blijkbaar moeten we accepteren dat bewustzijnsakten als denken, handelen, beslissen etc. voortkomen uit een bron, die zich voortdurend aan ons onttrekt als we ernaar graven: het ik. Het menselijk subject kunnen we niet ‘verdingelijken’ of vastpinnen door het te vereenzelvigen met het biologische vehikel ervan. Het is een raadsel, dat ons als zodanig blijkbaar dwars zit. Het populair-wetenschappelijke gepraat over de hersenen als subject slaat dit geheim echter ten onrechte plat, zoals we een schoenendoos platslaan, die hinderlijk in de weg staat.

Nu kan het bovenstaande de verdenking oproepen, dat ik als theoloog vecht tegen levensbeschouwelijk materialisme en terug zou willen naar het geloof in de onsterfelijke ziel. Niets is minder het geval. Ook en juist de vulgaire opvatting van de ziel, die in het lichaam ‘huist’ als de chauffeur in een auto – een opvatting die heerst in de volksreligiositeit of in de zogenaamde nieuwe spiritualiteit – begaat de fout om het menselijk subject te ‘verdingelijken’. Ook in het praten over de ziel kan ik immers niet om de oneindige dynamiek heen, die wordt ontketend door de vraag over wiens ziel we dan spreken.

Het is menselijk om zaken te willen begrijpen, ook de raadsels van denken, bewustzijn, handelen, kiezen. Begrijpen doen we echter niet door op een willekeurig punt op te houden met nadenken en dan te denken dat we er zijn. Als we de hersens (of de ‘ziel’, wat dat ook moge zijn) in kaart hebben gebracht, begrijpen we nog niet wat het betekent dat wij denken etc. En misschien lukt ons dat wel nooit. We zijn ons eigen zwarte gat.

Bezinning als openheid voor de chaos

“Je staat, individuele ziel, tegenover de overmaat.” – Adam Zagajewski

 

 

Omdat mij nimmer het ongemakkelijk knagende gevoel loslaat, dat ik werkzaam ben in de windhandel, voel ik me extra verantwoordelijk om er het beste van te maken. Dat is zeker het geval wanneer ik, zoals onlangs, het verzoek krijg om een spreekbeurt te houden over het erg algemene en daarmee vrijblijvendheid riskerende begrip ‘bezinning’.

Toen ik me voorbereidde op de lezing die ik moest houden, dook ik dus mijn boekenkast in en inventariseerde ik enkele degelijke en gezaghebbende benaderingen van dit onderwerp *. Aan de hand van de ‘trage vragen’ van Harry Kunneman, de ‘presentiebenadering’ van Andries Baart, de ‘kairotische’ tijdsbeleving van Joke Hermsen, de ‘wetende liefde’ van Martha Nussbaum en – last but not least – de ‘verwondering’ van Cornelis Verhoeven wist ik de vinger te leggen op de kern van bezonnenheid en bezinning. Deze kern bestaat erin dat we in staat en bereid zijn om de oneindige complexiteit en grenzenloze meerduidigheid van de werkelijkheid tot ons toe te laten. Dat we in staat en bereid om die werkelijkheid tot ons te laten spreken en uitspreken, in staat en bereid om ons door haar te laten leiden en verrassen. En dat dit leidt tot een nooit eindigende beweging, tot een nooit voltooide ontdekkingstocht in de onuitputtelijk rijke realiteit.

Bezinning is daarmee weliswaar een kwestie van ‘een pas op de plaats maken’, maar alles behalve passiviteit of vrijwillige hersendood – een dezer dagen veel geprezen houding, die in de traditie echter terecht wordt verfoeid als quiëtisme. Bezinning veronderstelt juist inspanning en discipline. Ze vereist geduld en eerbied, toeleg en aandacht. Geduld met de ons razend makende ‘ingewikkeldheid’ van vraagstukken en eerbied voor de sfinxachtige zwijgzaamheid van problemen. Toeleg om de vele vertakkingen van de taal en het denken te volgen. Waakzame aandacht voor het gevulde moment dat op ons toekomt wanneer het zichzelf daartoe rijp en rijk genoeg acht. – Dat we deze door en door actieve houding verwarren met passiviteit, hangt er waarschijnlijk mee samen dat ze een rem zet op onze aandrang om snel diagnoses te stellen en op basis daarvan te handelen – met het risico de werkelijkheid te reduceren tot een binaire karikatuur van zichzelf  en vanuit de heup erop los te schieten**.

Wat echter vooral een openbaring voor mij was, was het volgende. Terwijl ik mijn lezing voorbereidde, maar vooral toen ik in gesprek was met het uitnodigende gezelschap***, kwam een paradoxaal inzicht naar boven. Anders dan we geneigd zijn te denken, zijn bezonnenheid en bezinning geen middelen om de chaos van ons leven te beteugelen, laat staan te ontvluchten. Bezonnenheid en bezinning is de gereedheid om deze chaos – in de zin van de zaligmakende meerduidigheid van de werkelijkheid – onder ogen te zien. De wilde en ontregelende visioenen van de kluizenaars, die iconische personificaties van bezinning, zoals onder andere verbeeld door Jheronimus Bosch, getuigen van dit inzicht. Wie zich bezint duikt dus niet weg, maar is op zijn qui-vive voor de wild woekerende werkelijkheid die hem omgeeft. Bezinning is: de krampachtige behoefte om vanuit het ik orde aan te brengen loslaten en zich overgeven aan de wanorde.

Bezonnenheid en bezinning zijn mede om die reden – ook hier weer een paradox – ook geen vormen van introvertheid, ingekeerdheid. Ze zijn bij uitstek manieren om onszelf ‘binnenste buiten’ te keren, om extravert te zijn. Om onszelf te laten bevrijden uit de strikken van het verstikkende ik. Bezonnenheid en bezinning zijn geen methode om onszelf vol te zuigen – zoals het modieus versleten woord inspiratie suggereert (zie mijn vorige column). Ze zijn de gereedheid om ons binnenste gastvrij open te stellen voor het vreemde en de ander, die onophoudelijk en in steeds nieuwe gedaanten bij ons zullen blijven aankloppen – veelal om ons uit te nodigen ons veilige huis te verlaten en met hen het labyrint van de werkelijkheid te verkennen.

Noten

* Al denkende verruimde ik het onderwerp tot het begrippenpaar ‘bezinning en bezonnenheid’, waarbij het eerste woord verwijst naar het ‘doen’ en het tweede naar de ‘deugd’ die ten grondslag ligt aan dit doen of, met andere woorden, naar de bereidheid en gereedheid tot bezinning.

** Dit uit zich in de onverkwikkelijke ‘discussies’ rond het vluchtelingenvraagstuk. Dit punt is m.i. ook de kern van de fundamentele kritiek op de Levenseindekliniek, zoals die zichzelf presenteerde in de naar haar genoemde TV-documentaire, die enkele weken geleden werd uitgezonden.

*** Het betrof een groep mensen die trouw twee maal per maand bij elkaar komt om elkaar en de minder bedeelden in woord en daad van dienst te kunnen zijn, kortom: een toonbeeld van bezonnenheid en bezinning.

Geloven is geen troosteten.

Op mijn column over de Kosmische Knuffelbeer kwam, behalve veel uitingen van bijval, kritiek en verbazing, ook menige uitdagende vraag. Een van die vragen was, of ik helemaal uitsluit dat geloven ook een bron van troost kan zijn? Is er alleen maar sprake van aanstoot en confrontatie? En als dat zo is: wat betekent dit dan voor pastoraat? Kan de zielzorger alleen maar een boeman zijn? En wie zit er dan nog op haar of hem de wachten? Deze vraagstelling mondt soms zelfs uit in een gewetensvraag. Wat breng ik zelf dan te berde in het vertrouwelijke gesprek of op de kansel? Zit er dan geen woord van bemoediging in?

Om maar meteen met dat laatste te beginnen: eerlijkheidshalve moet ik toegeven dat bij mij theorie en praktijk op gespannen voet staan met elkaar.

Als theoloog kan ik god niet anders zien dan een zwerfkei, waarop de ploeg van ons verstand en ons gevoel stukbreekt en waaraan wij schaafwonden en kneuzingen oplopen. Onze vragen en behoeften ketsen op hem af – laat staan dat we kunnen hopen op antwoord of vervulling. Geloven is geen verwen-arrangement en bidden geen troosteten. Het gaat bij het geloof niet om ons geluk, maar om zijn heerschappij en heerlijkheid. (Nee, ik ga hier nu eens géén aanhalingstekens plaatsen en ga eens niet de woordkeuze nuanceren of in verzachtend perspectief plaatsen uit ‘horror voor het concrete’, om het met Barth te zeggen.)

Aan de andere kant ben ik op gezette tijden gesprekspartner of predikant voor mensen met – vergeef me de technische term, want meer is het niet – zogenaamde ‘zinvragen’. Dan ontkom ik er niet aan, om me te verplaatsen en in te leven in degene die tegenover me zit met dat gapende gat in haar of zijn ziel. Ik stel me dan wel degelijk tot doel die ander te bemoedigen en te troosten. Ik zie niets liever dan mensen die na een gesprek of een preek fluitend hun leven hervatten. Wie ben ik om haar of hem moedwillig te desillusioneren? Dan ‘geef’ ik mensen liever hun ‘zin’.

Ben ik nu een gespleten persoonlijkheid of – erger nog – een opportunist? Misschien wel… Misschien ben ik echter gewoon te eigenwijs om koste wat kost te proberen om een ‘cognitieve dissonantie’ op te lossen. Niet alleen houd ik van onbehaaglijkheid in de theologie zelf. Ik cultiveer ook het ongemak dat is gelegen in de spanning tussen die theologie enerzijds en het dagelijks leven anderzijds. Ik wil god niet domesticeren omwille van de mensen, zoals ik mensen niet op de pijnbank wil leggen omwille van mijn theologie. God is god en mensen zijn mensen. (Jezus kon het blijkbaar tegelijk zijn, althans volgens het concilie van Chalcedon – maar niemand heeft hem dat nog nagedaan.)

***

Nu we toch zo ontboezemend bij elkaar zijn, geef ik toe dat er intussen in mijn brein wel degelijk druk wordt  geschakeld en gekoppeld om de disharmonie enigermate op te lossen. Kunnen de theoloog en de ‘zingever’ in mij elkaar ergens vinden? Een wapenstilstand lijkt me inderdaad wel haalbaar. Hieronder leest u de condities. Ze vragen om verdere uitwerking.

Ik blijf van mening dat god zelf niet een bron van troost is en dat we hem niet moeten instrumentaliseren als zodanig. Bronnen van troost zijn er al te over: in de liefde en de vriendschap, in de kunst en de wetenschap, in goed eten en drinken, in alles wat ons lichamelijk en mentaal deugd doet. Het getuigt wel erg van een verwend karakter, als we de gever willen verslinden omdat we de gaven beneden onze stand achten. Zelfs of bij uitstek de mystiek zegt dat god er niet is om van te genieten of opdat wij worden vervuld, maar dat het erom gaat om ons te ontledigen en plaats te maken voor hem of om door hem te worden verslonden.

Hetgeen niet wegneemt dat elke haar op ons hoofd is geteld en de dagelijkse levensbehoefte aan troost god niet ontgaat – naar verluidt. En zoals we in het klassieke daglonersgebed iedere dag weer onze hand ophouden en vragen om ons ‘dagelijks brood’, zo kunnen we ook die behoefte aan troost steeds weer aan hem voorleggen, als behoefte. Het zou wel eens kunnen dat dit niet aan dovemansoren is gericht en dat ons, als bijproduct en onderpand van gods rijk, een dagrantsoen aan troost wordt toegeworpen. God is niet onze troost, maar wil het ons wellicht wel geven. Als die gedachte op zijn beurt een bron van troost is: soit.

En wat het belangrijkste is: we kunnen die troost ook mogelijk maken voor elkaar. Troost is vooral een genot als we het geven. Troost hebben we zelf in de hand.

Taal is geen uitdrukkingsmiddel doch een permanente indruk van buitenaf.

 

 

 

 

“Ik leefde in betovering, gekerkerd in een lichaam

en in de deemoed van een ziel.

Ik leerde de wake en de slaap en de droom kennen,

de onwetendheid, het vlees,

de logge labyrinten van de rede,

de vriendschap tussen mensen,

de raadselachtige liefde van de hond.

Ik zag met eigen ogen wat ik nooit eerder zag:

de nacht en al zijn sterren.”

 

J.L. Borges, Johannes 1,14

 ***

 Toen we in de kerk onlangs zo’n kleurrijk bijbels lied zongen, werd het aangekondigd op een nadrukkelijk verontschuldigende toon. De zure appel werd aangereikt door een bezorgd ogende mevrouw die ons op ons gemak stelde: “Het is misschien nogal ongewone en vreemde taal, maar laten we het maar proberen!” Na enkele ferme orgelakkoorden schalde de menigte het uit. Als de stugge woorden al zeer hadden gedaan, dan blijkbaar toch maar heel even. De omzichtigheid bleek achteraf overbodig te zijn geweest. Toch wordt deze geruststellende en bagatelliserende aanpak vaak gezien als de kern van een ‘pastorale’ benadering – alsof de zielzorger een soort uitvaartbegeleider of kinderarts is. De weerspannige taal van de bijbel wordt schroomvallig aan de man gebracht: alsof de blijde boodschap een oneervol voorstel is.

Wat is er echter zo vreemd aan het feit dat bijbelse taal zo vervreemdend is? Is de taal in het algemeen – en de literaire en de bijbelse taal in het bijzonder – niet juist bedoeld om ons uit ons doen te brengen en om onze gewoontes en aanwensels te ontwrichten? Is taal niet van nature datgene wat ons boven onszelf verheft en buiten ons zelf brengt? In die zin is taal als zodanig ‘metafoor’: datgene wat ons wegvoert. Al bij het aanleren van de eerste woordjes leert een peuter de werkelijkheid ruimer te zien en leert een kind dat de wereld meer is dan een grote couveuse waar alles draait op hemzelf. Het leert dat er anderen zijn (‘mama’, ‘papa’) met hun eigen aanspraken. Het leert dat er ‘mijn en dijn’ is en dat er soms ook ‘nee’ gezegd wordt door het leven. Je zou kunnen zeggen dat de geboorte van de taal samenvalt met het ontstaan van realiteitszin en het ontwaken van het geweten.

Nu wordt taal onvermijdelijk routineus en brengt ze ons op den duur in een sluimertoestand van vanzelfsprekendheden. Daarom is er de vreemde taal van literatuur, wijsbegeerte en geloof. Zij opent nieuwe werelden en nieuwe zienswijzen, nieuwe houdingen en handelwijzen. Ik zie en benader de wereld bijvoorbeeld anders, zodra ze aan mij wordt voorgesteld als schepping. Ik zie en benader de ander anders, zodra zij aan mij wordt voorgesteld als kind Gods, zuster of broeder. Het gaat daarbij niet om waarheid, laat staan letterlijke waarheid. De taal doet hier een voorstel om op een bepaalde manier te kijken. Ze oppert ziens- en handelwijzen. Ze nodigt uit tot gedachte-experimenten. Dit geldt ook voor het christelijke dogma: het is een uitnodiging tot een virtueel avontuur. De incarnatie is bijvoorbeeld een dergelijk gedachte-experiment. God wordt mens; het Woord wordt vlees: een avontuurlijke fantasie is het. Je kunt het je natuurlijk plat, rechtlijnig en simpel voorstellen – zoals in een vulgair gnosticisme tot op heden gebeurt. Daar heeft de theologische traditie echter een stokje voor gestoken. Dat stokje is de Drievuldigheid: een gedachte-experiment binnen een gedachte-experiment. Daardoor zijn we gedwongen steeds weer opnieuw te fantaseren over die menswording en voorkomen we een simpele voorstelling van zaken.

Ook dichters houden het gedachte-experiment in leven. Zoals J.L. Borges, die in het aangehaalde gedicht laat zien waartoe de fantasie ons leidt als we ons verplaatsen in het Woord dat vlees wordt. Dan komen we de voorstelling op het spoor dat God pas door mens te worden de menselijke realiteit op waarde leert schatten. Pas door de menswording krijgt de werkelijkheid relevantie en reliëf voor God. Pas door mens te worden leert God het korrelige van onze realiteit kennen… maar ook zoiets overweldigends als het uitspansel! Borges brengt ons zo op het spoor van een mooie paradox. Pas door klein te worden, leer je kleinheid zowel als grootheid zien en waarderen. Dat geldt ook voor die grote lummel van een God – althans in het gedachte-experiment van Borges.

Deze column verscheen eerder op De Bezieling.

Het is maar je werk.

De twee kanten van werken aan werk

Vakantie is een uitgelezen periode om na te denken over je eigen werk en over het verschijnsel werk in het algemeen. Voor mij is dat geen overbodige luxe. Mijn eigen baan bestaat voor een groot deel in de zorg voor het werk van anderen. Die zorg strekt zich uit van enerzijds de arbeidsvoorwaarden en organisatorische kaders tot anderzijds de mentale voldoening in het werk. Ze omvat, anders gezegd, zowel de ‘harde’ kant als de ‘zachte’.

Nu is de ene kant van het spectrum – het prozaïsche loodgieterswerk, zeg maar – op zich al veeleisend genoeg. En zij is eigenlijk ook cruciaal. Als de toepassing van de arbeidsrechtelijke regels is gewaarborgd (en zich daarbij niet beperkt tot het minimaal vereiste), als werknemers kunnen werken tegen rechtvaardige voorwaarden en onder gezonde omstandigheden: dan is meteen ook tachtig procent van de mentale voldoening gegarandeerd.

Dit is ook inzichtelijk. Ook de zakelijke (juridische, financiële en organisatorische) kaders van het werk zijn waarde-geladen en raken de beleving van werknemers. Ik liet niet voor niets terloops het woord ‘rechtvaardig’ vallen. Als een medewerker zich bijvoorbeeld qua beloning rechtvaardig behandeld voelt, weet zij zich ook in goede handen en voelt zij zich thuis op haar werkplek. Zij gaat ’s ochtends met opgewekt gemoed en met muziek in haar hoofd naar het werk.

Toch kan het geen kwaad om los van die zakelijke kaders ook oog te hebben voor de mentale voldoening in het werk. Bij dat laatste dienen we dan minder hoog van de toren te blazen dan de vele trainers en auteurs die suggereren dat werk een feest van ‘inspiratie’ en ‘zingeving’ is – of in een handomdraai daartoe kan worden gemaakt.

Managementkitsch en telekinese

Ik probeer bewust dergelijke begrippen te vermijden, omdat ik ze inmiddels associeer met het repertoire van de managementkitsch en met een modieus positivo-jargon. De straat kan immers worden geplaveid met boekjes, waarvan de kaft dikker is dan het binnenwerk en die vol staan met in kinderboeklettertypes weergegeven stappenplannen om weer ‘zin’ en ‘bezieling’ in je werk te krijgen.

Daarbij claimen de auteurs van deze gelukskookboeken veelal ook nog eens, dat hun autosuggestieve toverformules de weg zijn naar je persoonlijke ‘effectiviteit’ en ‘succes’. ‘Zingeving’ is dan een subtiele manier om je zin te krijgen van de schikgodinnen.

Ik word soms badend in het zweet wakker uit een nachtmerrie. Dan heb ik gedroomd van een wereld waarin iedereen deze boekjes heeft gelezen – en ze ook nog eens feilloos toepast. Ik zie dan overgemotiveerde kantoren, winkels en werkplaatsen voor me, waarin iedereen om het hardst juicht over kansen en mogelijkheden, waarin de één de ander overtroeft in energie en initiatief en waarin iedereen met een begripvol om zich heen glimlachend gezicht zijn verborgen succesagenda probeert af te dwingen. Het is een spookachtige Onderwereld vol hectische en overassertieve narcisten, een spiegelbeeld van de lethargische Toverberg van Thomas Mann.

Het is maar een droom. De werkelijkheid is, dat op zich respectabele begrippen als inspiratie en zingeving zijn ingelijfd door managementmarskramers, die ons aanpraten dat we ons voorgegeven zelf en onze omgeving naar onze hand kunnen zetten door middel van een nieuw soort telekinese.

Zinloosheid

Natuurlijk zijn er ook auteurs die aandacht hebben voor de hardnekkige schaduwkanten van het werken in organisaties: voor de dorheid en saaiheid ervan, voor de machteloosheid die we soms ervaren, ja, zelfs voor de zinloosheid en het verdriet waarmee werk soms gepaard gaat. Dat geluid mag wel wat worden versterkt. Werken is nu eenmaal niet altijd een feest. Het is ook de vervulling van een plicht.

Sterker nog: juist de overspannen verwachting dat ik in mijn werk mijn diepste zelf tot wasdom en ontplooiing kan brengen, dat arbeid mijn levensvervulling kan zijn of dat ik mijn relationele behoeftes kan botvieren op mijn collega’s: juist dit perfectionisme leidt vaak tot frustratie en misnoegen.

Teleurgestelde en aan hun eigen enthousiasme opgebrande werknemers doen er goed aan om af en toe onder ogen te zien, dat hun werk ‘alleen maar hun werk’ is. Om lief te hebben, om groots en meeslepend te leven, om hoog gestemde persoonlijke idealen na te streven: daarvoor zijn er altijd nog andere levensdomeinen.

Maak er het beste van

Een gepaste dosis relativeringsvermogen doet wondertjes voor onze mentale voldoening als werkenden. Ze helpt ons de moed erin houden. Dit wil niet zeggen dat we nu met cynisme en tegenzin aan het werk moeten gaan. Niets is ontmoedigender voor jezelf en kwetsender voor je collega’s, dan het hardop aftellen van de weekdagen tot het weekend en de werkweken tot de vakantie. Jouw werk is ‘slechts je werk’, maar ook een belangrijk deel van je leven – en van dat van anderen. Daarin wil je het goed hebben – zo goed mogelijk althans. Toverspreuken uit hard-cover-boekjes helpen daar echter niet bij. Wel de inzet om problemen aan te pakken, anderen te helpen en er kortom het best mogelijke van te maken – voor jezelf en vooral voor je omgeving. Dat is al moeilijk genoeg.

Kunnen we het stellen zonder de goden?

“Was unsterblich im Gesang soll leben, muss im Leben untergehn.”

Er was een tijd waarin goden en mensen in elkaar verstrengeld lagen en elkaar spelend gouden ballen toewierpen. Dit is althans de paradijselijke toestand, die de romanticus in ons projecteert op een ver verleden. Hij schildert deze zondoorschenen, onbekommerde idylle tegen de donkere achtergrond van ons beter weten. Want we weten dat onze wereld nu eenmaal is ontluisterd. De goden hebben zich eens en voor altijd eruit teruggetrokken.

Er is geen tijd die dit trauma van de ontstentenis der goden pijnlijker en scherper heeft doorleefd, verwoord en verbeeld dan de romantiek. En wij zijn nog steeds de erfgenamen van dit tijdperk. Niet dat het wanhopige besef eerst in de negentiende eeuw doordrong tot de mensheid, laat staan toen pas ontstond. Wij mensen zijn van huis uit niet op ons achterhoofd gevallen. Zelfs in de meest naïeve mythologieën van de oudheid schemert het trauma door. De rouw over onze ontworteling, over de onherroepelijke teloorgang van de symbiose met de goden: het zit in de genen van de homo sapiens, de wetende mens, wiens oerouder niet van die ene boom kon afblijven. Staan blijft dat de romantiek het heimwee klassiek heeft verwoord.

Friedrich Schiller (1759-1805)

Friedrich Schiller (1759-1805)

Zeer treffend is dit gebeurd in een gedicht van Friedrich Schiller, getiteld Die Götter Griechenlands (1788/1800)*. Met ironie en weemoed (de tweelingmuzen van iedere romanticus) beschrijft Schiller de schrijnende ontvlechting van de goden- en de mensenwereld en het treurige afscheid der goden van het wereldtoneel. De goden hebben op dit toneel plaats gemaakt voor de nurkse, ontoegankelijke god van de bijbel, die de mensen op afstand houdt en zich verschanst achter de deuren van zijn geheime vertrekken.

Deze god heeft op zijn beurt zijn eigen graf gegraven en de definitieve Götterdämmerung onherroepelijk over zichzelf afgeroepen. Als God vindt dat de wereld haar eigen boontjes moet en kan doppen: dan doet ze dat ook en wel voor honderd procent. “Niet meer lopend aan zijn leiband, vindt ze haar houvast in haar zwevende toestand”, zegt Schiller onnavolgbaar paradoxaal. Het pijnlijke losmakingsproces leidde niet tot ontwrichting, maar tot een gelaten zelfredzaamheid.

De pijn van de leegte blijft. Ons rest slechts een uitgeholde taal. Ons blijven slechts relieken en souvenirs, vage sporen en moeilijk te ontcijferen codes. Slechts het gemis herinnert nog aan de oorspronkelijke wederkerige en gelijkwaardige band met de goden. “Alleen in de sprookjeswereld van liederen is nog een spoortje hemelstof te bespeuren”, aldus de dichter.

***

Wanhoopspogingen om de voorgoed opgeblazen bruggen te herbouwen: ze waren sindsdien aan de orde van de dag. In de negentiende eeuw deden wijsgeren en kunstenaars zelfs pogingen om buiten de (ooit gevestigde, maar nu ondermijnde) religie om hemelbestormende bouwwerken op te richten – soms op het lachwekkend megalomane af, zoals Richard Wagner. Soms bedienden ze zich daarbij nog van een selectie van elementen uit het katholicisme, waarin ogenschijnlijk de idylle voortleefde.

Niet alleen het trauma, maar ook deze wanhoopspogingen, deze hang om de idylle te reanimeren heeft onze tijd geërfd van de romantiek. Denken we maar aan het meewarig stemmende gebruik van het machteloze toverwoord ‘spiritualiteit’; aan de meer dan naïeve uitwassen van de esoterie die heel wil maken wat voorgoed is gebroken; aan de retrograde tendensen in de kerken en tenslotte – nuchterder en subtieler – aan de populariserende (en soms populistische) theologieën die in het ‘alledaagse’ (men bedoelt: ‘dagelijkse’) leven het contact met de goden proberen te herstellen.

***

Schiller blijft dubbelzinnig in zijn gedicht (dat ook nog eens twee versies kent). Roept hij op tot een heroïsche beaming van de ‘Götterdämmerung’ of appelleert hij aan de moed der hoop – tegen beter weten in? We moeten zelf kiezen. Ons levensbesef herkent zich waarschijnlijk het meest in de gedachte dat “alleen berusting in de godsverduistering” overblijft. We moeten het doen met een god die is gestript van alle romantische projecties. Sterker nog: elke verbeelding schiet tekort en “het schilderachtige kleed van onze woorden voegt zich niet meer naar de contouren van de waarheid”. Dit omhulsel is een lege huls en het “ontzielde woord” blijft over als een griezelig instabiel houvast.

Daar moeten we het mee doen. Het leven is nu eenmaal geen kinderspel. En volwassen geloven is een de kinderschoenen ontgroeid, een ontwend bestaan.

* Of Schiller nu wel of niet een romanticus was in de technische zin van het woord: zullen we het daar een andere keer over hebben?