Tag Archives: trump

Angstvallig verzwijgen of beschroomd zwijgen? – Wat is waarheid?

De waarheidsliefde heeft het moeilijker dan ooit. Nu lijkt dit goed nieuws voor vrijzinnigen, die niet zo houden van stelligheid en zekerheid. Waarheidsliefde is echter niet het zelfde als onwankelbaar geloof in een eenmaal gevormde mening. Ze is integendeel juist de openheid en ontvankelijkheid voor inzichten die op ons toekomen, ook langs de wegen van de twijfel, en de bereidheid om daarvoor op of in te staan, ja: eventueel om het hoofd ervoor te buigen. En juist aan deze openheid en bereidheid schort het steeds meer. Op alle niveaus van het samenleven is er sprake van een pragmatisch relativisme. Weinigen wagen zich aan de verfijning en verdediging van een doordachte en een met gerijpte overtuiging aangehangen waarheid.

Aan boud te berde gebracht stelligheden is er daarentegen geen gebrek. Die zijn er echter juist niet op gericht, om nederig lerend de werkelijkheid te doorgronden. Ze zijn louter bedoeld om al imponerend de eigen belangen te ondersteunen of om vooroordelen en bijgelovigheden voor kritiek te vrijwaren. Met een vulgair perspectivisme wordt de eigen zienswijze nog eens extra geïmmuniseerd tegen twijfel. In het dagelijks verkeer worden bijvoorbeeld discussies over gedrag, levensvisie of wereldbeeld verlamd door de vaak op intimiderende wijze ingebrachte dooddoener, dat ‘jij jouw waarheid hebt en ik de mijne’. Deze gemakzucht is de ware waarheidsliefde vreemd.

Gelijk krijgen is tegenwoordig belangrijker dan het hebben van goede redenen en argumenten. Je verschansen in het hutje van je eigen kleine ‘waarheid’ wint het van het bouwen aan een gemeenschappelijk huis van de authentieke waarheid. Dit is godbetert ook op staatkundig en geopolitiek gebied een patroon aan het worden. Politici brengen liever een nergens op gebaseerd frame de wereld in, om de positie van hun tegenstanders te ondermijnen, dan dat zij door middel van onderzoek en bewijsvoering proberen om anderen te overtuigen van een met toeleg verworven inzicht of om hun eigen standpunten en visies te verfijnen en te veredelen. In plaats van met argumenten en feiten te reageren op kritiek, betichten ze bovendien hun critici van moedwillige leugenachtigheid en de media van een verdraaiing van de werkelijkheid. Door de ander van onoprechtheid te betichten leggen ze effectief een rookgordijn rond je eigen leugens. De fans vinden het overigens allemaal prachtig. Wie zich boven de waarheid verheven wacht is cool en stoer. Liegen is spierballentaal.

Het is echter niet altijd eindeloos vol te houden. Op pijnlijke wijze vallen bestuurders door de mand, als ze zich verstrikken in hun web van onwaarheden. Aanvankelijk hebben leugens voor hen nog een groot retorisch nut. De politici in kwestie kunnen de opinie er ingrijpend mee beïnvloeden. Vroeg of laat echter keren de onwaarheden zich tegen de bedenkers. De tegenstanders ruiken lont en laten geen kans onbenut om de fantasten te ontmaskeren. Deze zakken almaar dieper weg in het moeras, door hun leugens zo lang mogelijk te verzwijgen, ze te verdoezelen of te bagatelliseren – of door ingewijden het zwijgen op te leggen. Totdat het kaartenhuis van leugens en halve en hele onwaarheden niet meer houdbaar is. Dan rest er maar één ding: zo oprecht mogelijk berouw tonen, met alle emoties die daarbij horen. En dan maar hopen dat het niet te laat is en dat je niet alle krediet kwijt bent.

Het roept natuurlijk de vraag op waarom mensen van statuur de leugen nodig hebben als redmiddel. Deze vraag gesteld hebbende, werd ik positief verrast toen mij een theologisch pareltje uit 1960 onder ogen kwam: het artikel Over de waarachtigheid van de grote katholieke theoloog Karl Rahner (1904-1984). Een kleine zestig jaar geleden stelde deze al, dat de waarheid in zwaar weer verkeerde. Hij weet dit mede aan de opkomst en explosieve groei van de massamedia – lang voordat wij ons zorgen begonnen te maken over de social media. Rahners geniale artikel kan ik van harte aanbevelen. Ondanks de volgens sommigen wellicht achterhaalde wijsgerige achtergrond, waarin Thomas van Aquino via Heidegger tot ons spreekt, zijn de gedachten erin het overdenken nog steeds waard.

Zo wijst Rahner erop dat we de waarheid te zeer hebben teruggebracht tot fact-checking ten behoeve van het manipuleren van de werkelijkheid. Zo’n armoedige opvatting van de waarheid gaat op den duur ten koste van het respect ervoor. Echte waarheid is immers ten diepste communicatie met de werkelijkheid in haar wezen, op een niveau waarop ze niet meer te instrumentaliseren is. De gedachte om op dat punt terecht te komen is echter ook beangstigend, want op dit niveau omvat de werkelijkheid ook ons eigen wezen, met zijn licht- en schaduwzijden. Moed tot de waarheid is daarmee ook de moed onszelf onder ogen te komen – en daarmee de bereidheid tot radicale zelfkritiek. Dat maakt de waarheid tot een onwelkome gast in ons leven en verklaart dat wij zo makkelijk vluchten in de leugenachtigheid …

…. tenzij we de zoektocht radicaal volhouden en terechtkomen op het punt waarop we erkennen, dat de ultieme waarheid over de werkelijkheid erin bestaat dat wij, als onderdeel daarvan, genadig worden omvat en gedragen, onvoorwaardelijk worden erkend en bemind. Wie op dat niveau komt – of in elk geval in de buurt ervan – zal de angst voor de waarheid afleggen. Hij of zij zal bovendien onbeschroomd voor de waarheid, ook in haar meer dagelijkse uitingsvormen, uitkomen jegens anderen – uit respect voor hen als tochtgenoten op de zoektocht naar waarheid, maar vooral omdat er niets te vrezen valt. Hij of zij zal bovendien ook niet bang zijn voor de dialoog en het gesprek, want hij of zij kan tegen een stootje, in de vorm van vragen, kritiek en tegenspraak. Hij of zij geeft ten slotte ook gul het gelijk van de ander toe, die immers ook deel heeft aan de waarheid en onvermoede aspecten daarvan laat kennen.

Uiteraard, zo benadrukt Rahner, worden we ook radicaal bescheiden, naarmate we dichter bij de waarheid komen. Hoe meer we de waarheid menen te onthullen, hoe meer we de sluiers zien waarin ze zich hult. We stuiten op een geheim, dat wij niet kunnen omvatten, doch dat integendeel ons omvat. Op dat moment geven we ook de pretentie op, dat we veel weten en veel te vertellen hebben. Naarmate we leren dat de werkelijkheid zich meer verbergt dan prijsgeeft, leren we schroomvallig te zwijgen – en uiteindelijk alleen nog maar te spreken vanuit dit zwijgen, uiteraard nadat we dit zwijgen grondig hebben doorleefd.

Deze mystieke houding – want dat is het – is uiteraard iets anders dan angstvallig zaken verzwijgen omdat we iets te verbergen hebben. Dat laatste leren we juist af op onze zoektocht naar de waarheid. Want het laatste woord is aan de onvoorwaardelijke geborgenheid. Dankzij haar zijn we voor de duvel niet bang.

***

Rahner, Karl, ‘Über die Wahrhaftigkeit. Referat auf der Jugendseelsorgekonferenz in Passau 1960’, in: Katechetische Blätter 85 (1960) (Vgl. Schriften zur Theologie VII, 223ff.).

Liever elitair dan lui

Een beetje ongemakkelijk voel ik me wel bij de manier waarop mede-tegenstanders van rechts-populisme reageren op de terreurdaad in Charlottesville (USA). Door hun snelheid, felheid en inhoud hebben de commentaren in de social media soms een licht triomfantelijke ondertoon: “We hebben het nog zo gezegd!” “Zie je wel: nu toont rechts zijn ware gezicht!” “Rechts rol nu op het hellend vlak eindelijk in de richting van het nazi-putje.” Alsof men toch een beetje hunkerde naar deze bevestiging van eigen gelijk. Alsof men een zekere voldoening voelt over de vaststelling, dat men nu eindelijk Trump en zijn Nederlandse klonen Wilders en Baudet schaakmat kan zetten en dat men hen kan dwingen kleur te bekennen.

Hoe oprecht en zuiver is deze reflex? Echte verontwaardiging en ontzetting uiten zich toch juist in aanvankelijk ongeloof en in het ‘niet willen dat het waar is’? Dus in een tegengestelde reflex? Hoe dan ook: dit soort reacties maken het voor mij moeilijk om mij in de gesprekken te mengen – en ik doe dat dan ook maar mondjesmaat. Het is niet eenvoudig om de kritiek op het rechts-populisme met de nodige scherpstelling onder woorden te brengen zonder in de hoek van de genoemde handenwrijvers te worden gedreven. En het is onder andere door hun soort retoriek geen wonder dat degenen die het opnemen voor populisten – als de vermeende vertolkers van het gevoel en gedenk van de gewone mensen – de kritiek erop kunnen framen als minachting, haat en demonisering.

Wat het mij ook niet makkelijk maakt, is het feit dat de kritiek op ‘rechts’ inmiddels grotendeels is bezet door groepen die spiegelbeeldige posities innemen en zelf geen haar beter zijn. Een doordachte kritische en bezorgde stem gaat verloren in het kakofone koor van de rancuneuze en zich in vermeend slachtofferschap wentelende antizwartepietisten – vergelijkbaar met de manier waarop, in een ander verband, zorgvuldig gekozen woorden en gedachten worden overschreeuwd door de zelfbenoemde antikapitalisten, van wie een aantal onlangs alle gemeenschaps- en privé-eigendommen in Hamburg kort en klein sloeg. Deze extremen ‘van de andere kant’ maken het gotspe mogelijk, dat ook oprechte critici worden bestempeld als ‘even erg’ als degenen die zij bekritiseren.

Blijkbaar roepen groepen met extreme posities hun tegenpolen op, die hun natuurlijke vijanden lijken te zijn. Door deze opstelling over en weer en door de daardoor ontstane beeldvorming lijken we bijna te worden gedwongen tot een binaire keuze – een patroon waarvan historisch gezien de polarisatie tussen fascisme en communisme in de jaren 30 en 40 een verontrustend voorbeeld vormt. En voor je het weet raak je verzeild in een onbedoeld bondgenootschap: als je tegen Wilders bent, ben je ineens voor (of sta je op zijn minst aan de kant van) mensen als Abou Jahjah (de Libanese Baudet), Hamas of DENK (de Turkse PVV). Als je het rechts-populisme verwerpt, moet je van de weeromstuit meegaan met het lange-tenen-taboe op cultuur- en religiekritiek. Als je vraagtekens plaatst bij het kapitalisme, ben je meteen anarchist. Etc. En dat terwijl je juist het onderliggende denkpatroon van beide kampen aan de kaak wilt stellen: een denkpatroon dat wordt gekenmerkt door rancuneuze identiteitspolitiek, door goedkope framing en door de zelfimmunisering tegen kritiek door slachtofferschap.

Ja, ik ben tegen Wilders, Baudet, Trump etc. Maar dat betekent niet dat ik voor hun antipoden ben. Ik ben zo hautain om te menen, dat ik niet tegenover hen sta op een bepaalde horizontale as of binnen een of ander spectrum, maar boven hen. Dat ik niet iets anders vind, doch dat ik (samen met velen) anders denk, ja: beter en zindelijker nadenk. En diezelfde positie neem ik ook aan tegenover hun ‘natuurlijke vijanden’.  Daarmee maak ik me natuurlijk kwetsbaar voor het frame dat ik aanschurk tegen de ‘elite’ of te afstandelijk en ‘genuanceerd’ ben – maar dat zij dan zo. Liever elitair en genuanceerd, dan gemakzuchtig.

Het elite-frame

Je zou verwachten dat ze in een overwinningsroes zouden verkeren na 8 november, al die Nederlandse populisten en hun schapen. In plaats daarvan uiten ze zich vooral ‘strijdbaar’. Het is een strijdbaarheid van de verbitterde en verbeten soort. Sterker dan voorheen slaan ze hun wraakzuchtige toon aan en beloven ze af te rekenen met establishment en elite.

Ook ik – als lid van de groep waarmee blijkbaar een appeltje moet worden geschild (PvdA-lid, actief in ontwikkelingssamenwerking en cultuurconsument) – voel me in toenemende mate geïntimideerd, maar vooral geïrriteerd. Ja: ik wordt ronduit chagrijnig te worden over de gemakzucht waarmee mensen en groepen als elite worden gelabeld – en vervolgens vogelvrij worden verklaard. De emotionele lading van mijn irritatie heeft een heel persoonlijke achtergrond.

Ik kom uit een hard werkend lager-middenklasse milieu – in die zin ben ik een atypische remonstrant. Dat betekende concreet het volgende. De weinige, maar wel reële kansen die we hadden om ons te ontplooien, moesten we goed benutten. We mochten niet klagen, maar moesten problemen oplossen en eraan werken. Voor de kansen moesten we niet slaafs dankbaar zijn, maar wel erkentelijk, ze niet als een vanzelfsprekend recht beschouwen. Mensen die het slechter hadden – en die waren er altijd – die moest je helpen. Je moest niet passief voor de TV hangen, maar je blik en geest verruimen, naar concerten gaan en als het even kon een boek lezen. Kortom: leven en samenleven was iets waar je moeite voor deed.

Dit was allemaal te vinden op mijn paplepel. Het heeft me gemaakt tot wat en wie ik nu ben. Het heeft mijn ‘levensvorm’ bepaald. Bij deze ‘levensvorm’ horen ook bepaalde opvattingen en keuzes, ook politieke. Ik ben er overigens niet arm door geworden, maar zeker ook niet rijk. Ik ben een gewone ‘hard werkende’ Nederlander. En hier komt mijn toorn: ik laat mijn levensvorm en opvattingen nu niet meer wegzetten als elitair, omdat ze voor anderen ongemakkelijk zijn. Het is gewoon burgerfatsoen, de ethiek van gewone mensen. Niks elite.

Beste ‘volksmensen’: monopoliseer niet je ‘gewoon zijn’. En houd alsjeblieft op met het dreigen met bijltjesdagen en afrekeningen. Met alle respect: je wekt en bevestigt alleen maar het vermoeden, dat je verwend en rancuneus bent. Zo verwend dat je alleen maar kunt afpakken en afbreken in plaats van opbouwen. Ik wil je zorgen delen en je serieus nemen. Maar help me daarbij dan ook. Diva-gedrag helpt in elk geval niet.

***

 

De bovenstaande column verscheen eerder op de website van de remonstranten.