Bang voor kleur

Er wordt gebouwd aan de overkant van de straat. Nou ja: gebouwd? Er wordt vooral eerst heel veel afgebroken. Het ging enkele maanden geleden van start. Tot dat moment stond er op de hoek een spierwitte villa in een strakke jaren-vijftig-doorzon-stijl, omgeven door een royale tuin met bomen, rododendrons en wat er verder nog zo groeit en bloeit. Die villa moest echter weg en plaatsmaken voor iets nieuws.

Het begon ermee, dat met de botte bijl alles uit de weg werd geruimd, wat de voer- en werktuigen van de sloper in de weg stond: hagen en schuttingen, te smalle poortjes, boompjes op het trottoir. Alles moest weg! Zo werd de weg geëffend voor de volgende stap: het afbreken van het huis en het rooien van bomen en het omploegen van de tuin. En deze week is men dan begonnen met het aanleggen van een oprit voor het bouwverkeer, het plaatsen van een kraan en een heimachine enzovoorts.

Inmiddels is ook bekend, wat er zal komen in de plaats van de oude villa: een complex met een dertigtal appartementen voor de bovenmodale woningbezitter. Uit de bouwtekeningen blijkt, dat ze zullen worden gebouwd in de stijl die elders in het dorp inmiddels de toon aangeeft: prefabbeton in honderd tinten grijs. De kubusvormige bouwwerken in deze stijl zijn niet per se lelijk, maar ze lijken allemaal op elkaar. Bovendien staan kris en kras verspreid door het stedelijke landschap, zonder enige samenhang met hun omgeving. De stad begint daardoor te lijken op een monopoly-bord waarop iedere spelers zijn huisjes lukraak heeft neergezet. Wat hierbij stoort, is niet de stijl op zich, maar de eentonigheid en de gemakzucht waarmee blindelings erop wordt voortgeborduurd.

Het is een signaal van iets, wat ik verontrustend vind. Momenteel verovert het monotone grijs de wereld: aan de buitenmuren van dit soort nieuwbouw, op de opritten en de voortuinen, waaruit het groen is verbannen onder het motto van onderhoudsvriendelijkheid, maar ook in de woonkamers, die steeds vaker zijn ingericht in een neutrale, ‘prikkelarme’ en kalmerende crematoriumstijl, en ten slotte in de kleding. Weg met de kleur! Leve het zwart-wit en het grijze spectrum ertussen.

In de voorkeur voor deze monochromie herken ik overigens een bepaalde traditie in religieuze kring. Ze is bijvoorbeeld ook aan te treffen in de architectuur van de Bossche school (tweede helft 20e eeuw) en in de voorkeur van veel kerktoeristen voor de zogenaamde soberheid van middeleeuwse kerken – waarbij weinigen weten, dat al die norse romaanse kerken in hun ontstaanstijd alle kleuren van de regenboog vertoonden. Spiritualiteit en inkeer associëren we al sinds geruime tijd met zintuigelijke zuinigheid en ascese. Veelkleurigheid vinden we daarentegen kitscherig en associëren we met oppervlakkig romantisch devotionalisme.

De titel van een bekend kunstwerk parafraserend, vraag ik me af: waarom zijn we bang voor rood, geel, blauw – eigenlijk: voor alle kleuren, voor kleur als zodanig? Misschien omdat het kleurenspectrum een wisselbad is van emoties, een sauna met plotselinge en extreme temperatuurwisselingen? Omdat kleuren uiteenlopende en tegenstrijdige prikkels vormen en emoties oproepen?  Omdat rood overdonderend is en hartveroverend, geel fel en overweldigend, blauw onderkoeld en afwijzend, groen broeierig? Misschien ook omdat kleuren vloeken, dissoneren en chaos veroorzaken?

De angst voor het veelkleurige, voor de ‘bonte kermis’ zit in elk geval diep. We stellen prijs op het veilig-neutrale, het niet verstorende, het onopvallende en het risicoloze – en grijs staat daarvoor borg. Nog anders gezegd: we willen niet worden geraakt en aangedaan. We willen niet in de war worden gebracht. We sluiten de luiken van onze zintuigen, opdat de zon met zijn ‘veelstemmig licht’ (H. Oosterhuis) niet binnen schijnt en ons uit onze tent lokt. We zijn bang voor provocatie en passie. En dan is grijs een feilloze schutskleur. We kunnen blijven zitten waar we zitten: in het risicoloze midden.

Geef een antwoord