De vormloosheid als vorm

Ongeveer sinds Aristoteles weten we, dat stof en vorm onafscheidelijk zijn. Zonder het één is het ander niet denkbaar. Als inhoud ontbreekt, implodeert de vorm. Als de vorm ontbreekt, vervliegt de inhoud. Toch leven we in een tijd, waarin we hardnekkig blijven proberen te ‘ont-vormen’: in de samenleving, de cultuur en de religie.

In de samenleving komt dit tot uiting in de dominantie van het informele en de directheid. Daaraan ligt de verwachting ten grondslag, dat we oprechter zijn, als we afzien van de vormen. We koesteren de hoop, dat we de inhoud (van wat dan ook) kunnen blootleggen, zodra we niet meer indirect, niet meer door middel van codes communiceren. In de praktijk leidt dat tot een paradox. Onbewust wordt het informele, het on-gevormde tot een nieuwe vorm en onbedoeld wordt het directe, het on-middel-lijke tot een nieuwe code. We kunnen immers niet anders dan handelen en communiceren dan middels vormen en codes. Het gevolg is mal. Het informele, bijvoorbeeld in kleding, wordt een keurslijf, een verkleedpartij, een travestie. Heel zichtbaar is dit, als volwassen mannen in hun kleding de eeuwige tiener spelen. De vermeende natuurlijkheid slaat om in onnatuurlijkheid.

In de kunst bestaat de drang tot ont-vormen eigenlijk vanouds. Artistieke vernieuwingsbewegingen waren en zijn er altijd op gericht geweest, zich te ontdoen van overgeleverde, formele codes. Sommige bewegingen experimenteerden dan met nieuwe vormen, maar soms werd het vormeloze tot doel in zichzelf. De oprechtheid van het ‘wilde’ en ‘brute’, het onaffe en stijlloze, werd dan toonaangevend – paradoxaal genoeg echter als nieuwe stijl, op het maniëristische af.

Een variant bestond en bestaat erin, dat de vorm tot iets secundairs wordt verklaard en alle nadruk ligt op de vrouw of de ‘vent’ die erachter zit. Heel actueel is dit in de momentele tendens, dat de kunst vooral wordt afgerekend op de correcte inhoud en intentie. De ethiek wordt steeds meer tot maatstaf, terwijl we qua esthetiek veel door de vingers zien. En waar de (politiek) correcte inhoud en intentie ontbreken, is in het uiterste geval een beeldenstorm geoorloofd, ja: geboden.

In mijn eigen vakgebied, de theologie, houdt me de ‘ontvormingsdrang’ al langer bezig. Ook onder gelovigen leeft vaak de illusie, dat we een vitale, beweeglijke, vrije kern kunnen blootleggen, als we de vormen afpellen. Momenteel ligt die illusie ten grondslag aan de tendens tot ‘de-culturatie’ (een begrip dat ik met dank ontleen aan de Franse wetenschapper Olivier Roy), aan de poging om het brandende hart van het geloof te vinden, door het te ontdoen van de culturele lagen (van teksten, rituelen, symbolen, regels etc). Niet zelden wordt daarbij gewezen op het voorbeeld van hervormers en spirituele leiders uit het verleden, pionierende theologen en mystici incluis.

Het bijzondere is echter, dat we juist van die voorgangers kunnen leren, dat ont-vormen een overmoedige, ja hoogmoedige illusie is. Het woord hervormen duidt hier al op. Het is meer dan een woordspel, om in dit woord een grote wijsheid te zien: het inzicht dat we verstarde vormen kunnen vervangen door nieuwe, vitale vormen, maar dat we ons nooit van vormen als zodanig kunnen ontdoen. De protestantse hervorming en de katholieke contrareformatie zijn om die reden vooral ook bewegingen van ‘re-culturatie’ geweest. Mystici hebben er overigens altijd op gewezen, dat we zonder vormen vooral in het duister tasten en niet dichterbij het vuur komen. (Dat volgens hen de ‘liminale’ fase van vormeloosheid als tijdelijke fase een heilzame leerschool kan zijn, is een ander hoofdstuk.)

Niettemin zijn velen – ter linker- en ter rechterzijde, binnen en buiten de traditionele kerken – onvermoeibaar bezig, de religie te ‘de-cultureren’. Overgeleverde vormen worden afgeschaft en de vorm als zodanig wordt als secundair gezien, net zoals in de kunst. De oprechtheid van de (vooral individuele!) beleving en de uiting is primair. Hierbij wordt over het hoofd gezien, dat in feite een nieuwe code wordt ingevoerd, een code die nota bene rechtstreeks wordt ontleend aan de ons omgevende narcistische cultuur.

In feite is de religieuze nadruk op het directe dus een onbeschaamde manier van ‘her-culturatie’. Het gevolg is tragikomisch. Het ogenschijnlijk authentieke is een pose. En net als in de kunst leidt in de religie de pose van oprechtheid maar tot twee dingen: sentimentaliteit en kitsch.

Geef een antwoord