“Je m’accuse.” De progressieve zelfkastijding

“We moeten meer luisteren naar de anderen. We moet meer begrip hebben. We moeten inzien dat wij makkelijk praten hebben. We moeten geduld hebben. We moeten niet polariseren. We moeten niet uitsluiten. We moeten mensen de tijd geven. We moeten niet zo neerkijken op anderen. We moeten mensen niet over één kam scheren. We moeten niet denken dat wij betere mensen zijn. Wij moeten ermee ophouden alles beter te willen weten. We moeten inzien, dat onze mening ook maar een mening is. We moeten de dialoog aangaan.”

***

Progressief geaarde mensen hebben een moraliserende neiging en een moralistisch karakter. Dat wordt hun geregeld verweten. Dit is op zich niet opzienbarend. Het ligt in het aard van een progressief mens, zichzelf sterk te oriënteren aan waarden en normen en anderen daaraan te meten. Dat is bij conservatieve zielen ook enigszins het geval, maar deze zijn veel minder monomaan. Het maakt progressieven al met al niet populair.

Libertairen, hedonisten, bewust ongeïnformeerden, fundamentalisten en identiteitsgedrevenen: die hebben hiervan geen last. En naarmate deze groepen de maatschappelijke en politieke discussies domineren – niet zozeer doordat ze in de meerderheid zijn (dat zijn ze niet), maar doordat ze erg luid en mediageniek zijn – komen die saaie, betweterige progressieven in het nauw – samen met conservatieven, maar in veel sterkere mate.

Progressieven zijn geen gezellige (in de zin van natuurlijk-sociale) mensen. Hun moralisme is – anders dan het genuanceerde moralisme van de conservatief – mateloos en werkt anderen op de zenuwen. Ze zijn op ongepaste momenten bloedserieus en maken eventueel van alles een punt. Ze grijpen op bestraffende wijze in tijdens gesprekken, niet zozeer omdat ze het inhoudelijk ergens niet mee eens zijn, maar vooral omdat ze zich storen aan vormfouten, bijvoorbeeld aan een incorrecte formulering of een valse toonzetting. Ze zijn dan plaatsvervangend gekwetst voor degenen die ze ongevraagd menen te moeten vertegenwoordigen en ze brengen de gesprekspartners in het openbaar de etiketten bij.

Het tragische van progressieve, zichzelf weldenkend achtende mensen is, dat ze zichzelf voor de voeten lopen. Dit heeft te maken met het ongeremde, ja ontremde van hun moralisme.  De progressieve moralist wil immers ‘consequent’ zijn. En dat ‘consequent willen zijn’ ontwikkelt een irrationele paradoxale, zelfdestructieve dynamiek.  Het progressieve moralisme houdt zichzelf niet in de hand. Het brengt niet alleen schade toe aan relaties, maar het keert zich ook tegen de progressieve moralist of de moraliserende progressief zelf. In haar of zijn hypercorrectheid legt zij of hij een knoop in haar op zijn eigen tong en slikt hij of zij zoveel ‘foute’ woorden in, dat zij of hij bijna erin stikt.

Het summum van dit ontsporende moralisme en deze progressieve zelf-afbraak is de verlammende zelfkritiek. De progressief is dan het mikpunt van zijn of haar eigen moralisme. En dan slaat dit moralisme op een paradoxale manier om: de progressief legt zichzelf het zwijgen op, juist en bij uitstek in discussies met mensen die lijnrecht tegenover haar of hem staan. De progressief vervalt in een zelfbeschuldiging en zelfkastijding, waarbij elke stalinistische rechter zijn vingers zou hebben afgelikt. Obsessief en mantra-achtig klinken de hierboven geciteerde zinnen.

Met zulk een overspannen geweten, heeft de progressief geen tegenstanders meer nodig. Zo graaft hij of zij het eigen maatschappelijke graf. Dit mechanisme is structureel ingebakken in het progressieve moralisme, waarin de formele deugd van de consequentheid een meta-waarde is. Kunnen progressieven van anderen, bijvoorbeeld van conservatieven, leren om wat minder consequent te zijn? Het zou de eigenlijke, inhoudelijke waarden, waarvoor ze staan, ten goede komen.

Of maakt deze meta-zelfkritiek het alleen maar erger?

Geef een reactie